Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB1984

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-05-2001
Datum publicatie
04-02-2003
Zaaknummer
AWB 99/363 en 99/364
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de Registeraccountants
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Nrs. AWB 99/363 en 99/364 22 mei 2001

20010

Uitspraak in de zaken van:

(1) A en (2) B, beiden te C, appellanten van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: raad van tucht), gewezen op 5 februari 1999,

gemachtigde van appellant sub 1: mr F. Waardenburg, advocaat te Rotterdam,

gemachtigde van appellant sub 2: mr H.J. Blaisse, advocaat te Amsterdam.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 12 februari 1999, heeft de raad van tucht appellanten afschrift toegezonden van zijn eerdervermelde beslissing op een klacht, op 16 december 1996 ingediend door D te E (hierna: klaagster).

Bij op 12 april 1999 ingekomen beroepschriften hebben appellanten, ieder voor zich, tegen die beslissing beroep ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brieven d.dis 20 april 1999 en 26 mei 1999 de op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij geschriften van 5 juli 1999 heeft mr A.M. Rottier, advocaat te 's-Hertogenbosch, als gemachtigde van klaagster gereageerd op het door appellanten in beroep gestelde.

Bij schrijven van 4 april 2001 heeft de gemachtigde van appellant sub 1 het College nadere stukken toegezonden.

Het College heeft de zaken gevoegd behandeld ter zitting van 10 april 2001.

Appellanten en klaagster zijn ter zitting in persoon verschenen, bijgestaan door hun onderscheidene gemachtigden mr F. Waardenburg, mr Blaisse en mr Rottier, allen voornoemd.

Overeenkomstig een ter zitting gemaakte afspraak hebben gemachtigden van appellanten nadere stukken aan het College en aan de gemachtigde van klaagster doen toekomen.

2. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de klacht, voor zover betrekking hebbend op schending van artikel 9, tweede lid, van de Gedrags- en beroepsregels registeraccountants 1994 (hierna: GBR-1994), gegrond verklaard en aan beide appellanten de maatregel van een schriftelijke berisping opgelegd.

Ter zake van de formulering van de klacht, de beoordeling daarvan door de raad van tucht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. Toepasselijke regelgeving

In de GBR-1994 is bepaald:

" Artikel 9. - 1. De registeraccountant is onpartijdig in zijn oordeel.

- 2. Indien de registeraccountant een bijzonder belang vertegenwoordigt, is hij gehouden ervoor zorg te dragen dat zulks aan de betrokkenen kenbaar is.

(...)"

4. De middelen van beroep van appellant sub 1

Appellant sub 1 heeft in beroep in algemene zin het volgende naar voren gebracht.

Primair moet worden geoordeeld dat de handelwijze van F (hierna: F) de toetsing aan de norm van artikel 9, tweede lid, GBR-1994 kan doorstaan. Reeds hierom kan geen sprake zijn van tuchtrechtelijke verwijtbaarheid.

Subsidiair moet worden geoordeeld dat, indien de handelwijze van F voornoemde toetsing niet zou kunnen doorstaan, de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid daarvoor niet berust bij appellant sub 1 maar bij appellant sub 2.

4.1 Met betrekking tot de primaire stellingname heeft appellant sub 1 opgemerkt dat F, die als senior adviseur werkzaam was bij G, gedurende lange tijd werkzaamheden heeft verricht voor H B.V. Zulks geschiedde steeds onder verantwoordelijkheid van een registeraccountant. In de onderhavige periode, 1994 en 1995, was appellant sub 2 de verantwoordelijke registeraccountant.

Na het overlijden van I, directeur en aandeelhouder van H B.V., heeft F zich ingespannen de daaruit voortvloeiende problematiek betreffende de afwikkeling van de nalatenschap, voor H B.V. en voor klaagster tot een goed einde te brengen. Deze problematiek betrof de waardering van de aandelen van genoemde besloten vennootschap, de berekening van de pensioenaanspraken van klaagster en de afwikkeling van schuldenposities. In dat verband behartigde F verschillende belangen, te weten de belangen van H B.V. en die van klaagster. Op zichzelf behoeft dat niet problematisch te zijn, mits dat aan betrokkenen duidelijk is dan wel wordt gemaakt door de accountant.

In dit geval kon bij klaagster geen onduidelijkheid bestaan met betrekking tot de omstandigheid dat F het bijzondere belang vertegenwoordigde van H B.V. Het was haar bekend dat F reeds jaren de besloten vennootschap en haar directeuren-grootaandeelhouders bediende en er was geen aanleiding te veronderstellen dat daarin verandering was opgetreden met het overlijden van I.

Ten onrechte heeft de raad van tucht geoordeeld dat een behoorlijke taakvervulling zou hebben meegebracht dat, hetzij terstond aan klaagster het advies was gegeven zich van een eigen adviseur te voorzien, hetzij uitdrukkelijk met klaagster was overeengekomen dat de deskundige bijstand door appellant sub 2 en/of F alleen zou worden verleend.

Dit oordeel strekt in zijn algemeenheid te ver. Zoals gesteld, behoeft de vertegen-woordiging van de belangen van meer partijen op zichzelf bezien geen problemen met zich te brengen voor de onpartijdigheid van de betrokken accountant. Bovendien heeft F, toen bleek van tegenstellingen tussen klaagster en J, te kennen gegeven dat hij daarin niet betrokken wenste te worden en heeft hij klaagster in augustus of september 1994 aangeraden een eigen adviseur te nemen.

4.2 Met betrekking tot de subsidiaire stellingname heeft appellant sub 1 naar voren gebracht dat appellant sub 2, als registeraccountant onder wiens vaktechnische verantwoordelijkheid Fl werkte, tuchtrechtelijk verantwoordelijk was voor eventueel falen van F. De omstandigheid dat Van Boxtel winstdelend vennoot was in de groepsmaatschap G, doet daaraan niet af. Evenmin is hierbij van belang dat de positie van appellant sub 2 per januari 1995 is gewijzigd van die van vennoot in medewerker. Appellant sub 2 bleef als registeraccountant in vaktechnisch opzicht verantwoordelijk. Bovendien was appellant sub 2 daadwerkelijk betrokken bij de in het geding zijnde werkzaamheden van F. Hij tekende de jaarrekening van H B.V. en een brief aan de boedelnotaris, betreffende de aandelenwaardering in verband met de successieaangifte. De desbetreffende stukken waren door F opgesteld.

Ten onrechte heeft de raad van tucht appellant sub 1 verantwoordelijk gehouden voor de gedragingen van F. Het is feitelijk onjuist te veronderstellen dat een dergelijke verantwoordelijkheid voortvloeide uit de zorg voor de bewaking van de kwaliteit van de werkzaamheden binnen de organisatie. De leiding van G berustte destijds bij een driehoofdig bestuur, waarbinnen geen taakverdeling bestond in die zin dat één van de bestuurders in het bijzonder was belast met de bewaking van de kwaliteit van de werkzaamheden. Er bestond destijds een collectieve verantwoordelijkheid voor de bestuurlijke aangelegenheden. In het kader van hun taakuitoefening heeft geen der bestuurders bemoeienis gehad met de werkzaamheden van F. Van een tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid als bestuurder kan derhalve geen sprake zijn.

4.3 Appellant sub 1 meent dat, gesteld al dat hij enig tuchtrechtelijk verzuim zou hebben begaan, gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder begrepen dat de directe verantwoordelijkheid bij appellant sub 2 lag, aan hem geen maatregel had behoren te worden opgelegd.

5. De middelen van beroep van appellant sub 2

Appellant sub 2 heeft tegen de bestreden tuchtbeslissing de volgende middelen van beroep voorgedragen.

5.1 Ten onrechte heeft de raad van tucht onder 3.1. van de bestreden tuchtbeslissing gesteld

(-) dat appellant sub 2 als groepsleider verbonden was aan G B.V.,

(-) dat H B.V. sedert 1988 cliënt van eerstgenoemde besloten vennootschap was en

(-) dat appellant sub 2 sedert 1988 de vaktechnische leiding had van de groep waarbinnen de werkzaamheden ten behoeve van H B.V. werden verricht.

Ter toelichting is het volgende naar voren gebracht.

De accountants- en belastingadviespraktijken van G werden vanaf 1 januari 1988 tot 1 januari 1995 gevoerd in de vorm van de praktijkmaatschappen GA en GB. Deze praktijkmaatschappen werden gedreven voor rekening van een overkoepelende maatschap, de Groepsmaatschap G. De vennoten van de praktijkmaatschappen waren automatisch vennoot van de groepsmaatschap. De in de praktijkmaatschappen behaalde winst werd verdeeld onder de vennoten van de groepsmaatschap.

Voor alle maatschappen was er één bestuursorgaan, het Centrale College van Bestuur, dat gedurende gehele periode van 1988 tot 1995 bestond uit A, K en L. Genoemd bestuur had blijkens de statuten van de groepsmaatschap een dominante positie, die onder meer tot uiting kwam in de bevoegdheid tot (-) het opnemen en schorsen van vennoten en de beëindiging van het lidmaatschap, zowel van de groeps- als van de praktijkmaatschappen en (-) het jaarlijks vaststellen of wijzigen van de, in winstpunten uitgedrukte, winstrechten voor iedere vennoot, van het bedrag per winstpunt, van het primaire winstdeel en van de kostenvergoeding.

In de algemene vergadering van de vennoten, tot wier bevoegdheid onder meer behoorde het goedkeuren van de door het bestuur vastgestelde jaarrekening en het benoemen, gezamenlijk een beslissende invloed. In 1994 hadden genoemde bestuursleden ieder 200 winstpunten op een totaal van 1020 winstpunten. Appellant sub 2 bezat 22 winstpunten.

Deze maatschapstructuur is beëindigd per 31 december 1994. Met ingang van

1 januari 1995 zijn voormelde activiteiten voortgezet door G B.V. De vennoten van de groepsmaatschap werden met uitzondering van appellant sub 2 aandeelhouder van de houdstervennootschap M B.V., welke de aandelen van G B.V. hield.

Appellant sub 2 is met ingang van 1 januari 1991 toegetreden tot de groepsmaatschap. Tevens werd hij vennoot van de accountantsmaatschap. F was vanaf de oprichting van de groepsmaatschap vennoot van deze maatschap.

Op 10 oktober 1994 hebben A en K als bestuurders, aan appellant sub 2 de groepsmaatschap en de accountantmaatschap tegen de vroegst mogelijke datum opgezegd. Zulks is bevestigd bij brief van genoemde bestuurders aan appellant sub 2 van 11 november 1994. Appellant sub 2 is per 31 december 1994 uit de maatschappen getreden en heeft per 1 januari 1995 geen deel genomen aan de nieuwe vennootschapstructuur. Vervolgens heeft appellant sub 2 nog enkele maanden op het niveau van accountant-medewerker op freelance-basis werkzaamheden verricht voor G. Vanaf 19 april 1995 is appellant sub 2 slechts doende geweest met de overdracht van relaties en dossiers.

De accountantmaatschap was verdeeld in praktijkgroepen, bestaande uit een aantal medewerkers onder leiding van een vennoot. Vóór 1994 gaven F, die vennoot van de groepsmaatschap doch geen registeraccountant was, en appellant sub 2 leiding aan verschillende praktijkgroepen. H B.V. behoorde tot de portefeuille van F. Appellant sub 2 had daarmee geen bemoeienis; de samenstellingsverklaringen bij de jaarrekeningen over 1992 en de daaraan voorafgaande jaren zijn niet door appellant sub 2 ondertekend.

Het college van bestuur heeft de praktijkgroepen van F en appellant sub 2 per

1 januari 1994 samengevoegd. Het besluit daartoe was gebaseerd op commercieel strategische overwegingen en niet op de overweging appellant sub 2 medeverantwoordelijkheid te laten dragen voor de werkzaamheden van F. Het was niet zo, dat appellant sub 2 de algemene verantwoordelijkheid droeg voor de werkzaamheden van de groep. F was en bleef zelfstandig werkzaam voor de tot zijn portefeuille behorende cliënten. Zulks leed slechts uitzondering, voor zover het ging om de vaktechnische eindverantwoordelijkheid van appellant sub 2 als registeraccountant, voor jaarrekeningen en daaraan gerelateerde werkzaamheden binnen zijn groep. Aldus heeft appellant sub 2 in augustus 1994 de samenstellingsverklaring bij de jaarrekening 1993 van H B.V. ondertekend en in het verlengde daarvan de aandelen van genoemde besloten vennootschap in augustus 1994 gewaardeerd, zulks in verband met een verzoek van de boedelnotaris de waardering te laten plaatsvinden door een accountant. Appellant sub 2 heeft nadien geen werkzaamheden in verband met aangelegenheden betreffende H B.V. verricht noch is hij daarbij betrokken geweest.

5.2 Ten onrechte heeft de raad van tucht onder 5.1. en 5.2. van de bestreden tuchtbeslissing:

- F aangemerkt als medewerker van G,

- appellant sub 2 aangemerkt als de leider van de praktijkgroep waarvan ook F deel uitmaakte, en

- geoordeeld dat appellant sub 2 als leider van deze praktijkgroep, maatregelen had moeten treffen om zeker te stellen dat het voor klaagster kenbaar was dat F een bijzonder belang namelijk dat van H B.V. althans van haar directeur-grootaandeelhouder J, vertegenwoordigde.

In dit verband kan allereerst worden verwezen naar hetgeen hiervoor ter toelichting op de grief, vermeld onder 5.1, naar voren is gebracht. Voorts is, naast de omstandigheid dat appellant sub 2 in de betrokken praktijkgroep geen leiding gaf aan F, van belang dat de door klaagster gewraakte werkzaamheden door F zijn verricht in het eerste halfjaar van 1995, in welke periode appellant in vennootschappelijk verband geen rol meer speelde en geen leiding meer gaf aan de betrokken praktijkgroep. Tevens moet in aanmerking worden genomen dat een registeraccountant geen tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid draagt voor handelingen die niet door hem of onder zijn verantwoordelijkheid zijn verricht. Denkbaar is dat een registeraccountant verantwoordelijkheid draagt voor werkzaamheden van een niet-registeraccountant met wie hij een samenwerkingsverband vormt. F heeft in ieder geval in het eerste halfjaar van 1995 geen werkzaamheden verricht waarvoor appellant sub 2 verantwoordelijkheid droeg. Voorts is appellant sub 2 op geen enkele wijze betrokken geweest bij de advisering door F van klaagster in kader van de afwikkeling van de nalatenschap van I.

6. De beoordeling

6.1 Het College stelt op grond van de gedingstukken en hetgeen van de zijde van appellanten naar voren is gebracht, in de eerste plaats vast dat F als senior adviseur van G na het overlijden van I, die tezamen met J directeur-grootaandeelhouder was van H B.V., betrokken was bij de behartiging van verschillende belangen, te weten de belangen van genoemde besloten vennootschap, die van laatstgenoemde directeur-grootaandeelhouder en de belangen van klaagster als (mede-)erfgename van haar overleden echtgenoot.

F verrichtte sedert tal van jaren accountantswerkzaamheden voor deze besloten vennootschap en verzorgde in die hoedanigheid boekhoudkundige en fiscale zaken voor genoemde directeuren-grootaandeelhouders. Hieruit zijn de verrichtingen van F voor klaagster na het overlijden van haar echtgenoot op 27 januari 1994 te verklaren.

Het behartigen van dergelijke verschillende en mogelijk uiteenlopende belangen behoeft op zichzelf geen bezwaar te ontmoeten. Wel dient de positie van de accountant voor de betrokken belanghebbenden duidelijk te zijn - dit betreft de norm van artikel 9, tweede lid, GBR-1994 - en mag er geen sprake zijn van zodanige belangenconflicten, dat de werkzaamheden als accountant niet naar behoren kunnen worden uitgevoerd.

6.2 Met betrekking tot de vraag of F in het kader van zijn verrichtingen voor klaagster, in welk verband mede gezien hetgeen van de zijde van appellant sub 1 naar voren is gebracht, kan worden gesproken van het optreden als adviseur voor klaagster, al dan niet heeft gehandeld in strijd met de norm van eerdervermeld artikel 9, tweede lid, overweegt het College het volgende.

Anders dan appellant sub 1 kennelijk meent, kan er niet zonder meer vanuit worden gegaan dat klaagster, die betrekkelijk kort na het overlijden van haar echtgenoot contact heeft gehad met F, waarbij zakelijke aspecten van de afwikkeling van de nalatenschap aan de orde zijn geweest, redelijkerwijs heeft kunnen beseffen dat F tevens, zoals voorheen, het bijzondere belang van de H B.V. vertegenwoordigde en dat zulks consequenties zou kunnen hebben voor de behartiging van haar belangen. Van een zodanige zakelijke betrokkenheid bij en een dusdanig inzicht van klaagster in aangelegenheden genoemde besloten vennootschap betreffende, dat een besef in voormelde zin aanwezig zou kunnen worden geacht, is niet gebleken. Voorts moet in een situatie als de onderhavige rekening worden gehouden met de ingrijpende psychische gevolgen die het overlijden van een levenspartner pleegt te veroorzaken.

In verband met voormelde omstandigheden is het College van oordeel dat het op de weg van F, respectievelijk van degene die in tuchtrechtelijke zin op diens gedragingen kon worden aangesproken, lag om klaagster niet te miskennen duidelijkheid te verschaffen omtrent de vertegenwoordiging door hem van het bijzondere belang van H B.V. Deze verplichting tot een actieve informatieverstrekking woog te zwaarder toen zich een belangenconflict aftekende tussen klaagster en J.

Weliswaar heeft F gesteld dat hij klaagster in augustus of september 1994 in verband met conflicten waarbij hij niet betrokken wilde zijn, heeft aangeraden een eigen adviseur te nemen, doch klaagster heeft dat ontkend. Ook bieden de gegevens die uit de gedingstukken en ter zitting naar voren zijn gekomen geen steun voor deze stelling. Deze gegevens wijzen er niet op dat appellant na het door hem bedoelde tijdstip een meer afstandelijke opstelling ten opzichte van klaagster heeft ingenomen; veeleer valt daaruit af te leiden dat F ook in 1995, toen de verkoop van de aandelen, de waardering van klaagsters pensioenaanspraken en de verrekening van schuldposities aan de orde kwamen, klaagster nog van advies heeft gediend.

Het College is in verband met het voorafgaande van oordeel dat F bij zijn optreden dat in dit geding aan de orde is, heeft gehandeld in strijd met de norm die is vervat in artikel 9, tweede lid, van de GBR-1994

6.3 Het College gaat vervolgens in op de vraag of hetgeen F valt te verwijten, in tuchtrechtelijke zin aan appellant sub 2 kan worden toegerekend.

In dit verband zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

F behandelde sedert (ongeveer) 1989 als senior adviseur van G de zaken van H B.V.

In het kader van deze afwikkeling van de nalatenschap van I is in verband met de successieaangifte in augustus 1994 een waardering van de aandelen van H B.V. opgesteld. Deze waardering was gebaseerd op de financiële gegevens per ultimo 1993 die waren opgenomen in de jaarrekening van H B.V. over 1993. Appellant sub 2 heeft deze jaarrekening geaccordeerd en de boedelnotaris bij brief van 1 augustus 1994 geïnformeerd omtrent genoemde aandelenwaardering. Destijds was, zoals appellant sub 2 heeft gesteld en niet is betwist, de verkoop van de aandelen aan J in het kader van een statutaire aanbiedingsplicht, van welke verkoop partijen overigens hadden kunnen afzien, niet aan de orde.

Voor het overige heeft appellant sub 2, naar hij onweersproken heeft gesteld, geen bemoeienis gehad met zaken van H B.V.

Genoemde successieaangifte is blijkens de stukken ingediend in oktober 1994.

De werkzaamheden van F ten behoeve van meergenoemde vennootschap en klaagster betroffen onder meer de verkoop door klaagster van de haar toegescheiden aandelen in de vennootschap, de waardering en berekening van de pensioenaanspraken van klaagster jegens de vennootschap en de afwikkeling van schuldposities tussen klaagsters overleden echtgenoot en de vennootschap.

Met betrekking tot deze onderwerpen heeft op 22 februari 1995 een bespreking plaatsgevonden bij de notaris, waarbij onder meer klaagster en F aanwezig waren.

Bij brieven van 30 maart 1995 en 26 april 1995 heeft F klaagster mededelingen gedaan aangaande haar pensioenaanspraken.

Op 4 mei 1995 heeft klaagster voormelde aandelen verkocht en overgedragen aan J en is tussen klaagster, J, en diens moeder een overeenkomst gesloten inzake de verrekening van onderlinge schulden en vorderingen.

Het College komt op grond van hetgeen uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen omtrent de organisatiestructuur van de Groep G, de positie daarin van appellant sub 2 gedurende de periode hier van belang, en de werkzaamheden welke destijds vanwege G zijn verricht in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van I, tot de volgende conclusies.

Niet kan worden staande gehouden dat appellant sub 2 destijds, als registeraccountant in de betrokken praktijkgroep, in tuchtrechtelijke zin verantwoordelijk was voor alle verrichtingen van F.

Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat van de zijde van genoemde accountantsmaatschap geen gegevens zijn overgelegd, waaruit blijkt of kan worden afgeleid dat tussen F en appellant sub 2 sprake was van een ondergeschiktheidsrelatie.

Van belang in dit verband is de onweersproken stelling van appellant sub 2 (-) dat F en hij vóór 1 januari 1994 leiding gaven aan afzonderlijke praktijkgroepen, waarbij F H B.V. in zijn portefeuille had en (-) dat de samenvoeging van deze praktijkgroepen er niet toe strekte F te plaatsen in een gezagsverhouding ten opzichte van appellant sub 2.

Aangenomen moet worden dat F binnen de praktijkgroep zelfstandig werkzaam was voor cliënten die tot zijn portefeuille behoorden, en dat appellant sub 2 als registeraccountant, een vaktechnische eindverantwoordelijkheid had met betrekking tot jaarrekeningen. In die hoedanigheid heeft appellant sub 2 de jaarrekening van H B.V. over 1993 geaccordeerd. Naar aanleiding daarvan heeft appellant sub 2 bij eerdergenoemde brief van 1 augustus 1994 de behandelend notaris geïnformeerd aangaande de waardering van de aandelen.

Gezien voormelde feiten en omstandigheden kan evenmin worden staande gehouden dat appellant sub 2 in verband met zijn betrokkenheid bij genoemde jaarrekening en aandelenwaardering in een zodanige werkrelatie tot F stond, dat hem de verrichtingen, respectievelijk opstelling van laatstgenoemde waarover gelet op artikel 9, tweede lid, GBR-1994 terecht is geklaagd, in tuchtrechtelijke zin kunnen worden aangerekend.

Voorts is in dit verband niet zonder betekenis dat de aangelegenheden waarop de klacht met name betrekking heeft, te weten eerdergenoemde verkoop van aandelen, de waardering van de pensioenaanspraken en de verrekening van schuldposities, (met name) in 1995 onderwerp van overleg en besluitvorming zijn geweest. Naar moet worden aangenomen, zal het uittreden van appellant sub 2 als vennoot van G op 31 december 1994, waarna hij nog enige tijd op freelance-basis werkzaamheden op het niveau van accountant-medewerker is blijven verrichten, een aantasting hebben betekend van zijn positie in de betrokken praktijkgroep. In verband hiermede is het te minder aannemelijk dat appellant sub 2 destijds een dusdanige zeggenschap over F had, dat hij tuchtrechtelijk voor het in geding zijnde optreden van F verantwoordelijk kan worden gehouden.

Het vorenoverwogene leidt het College tot de slotsom dat de raad van tucht ten onrechte appellant, als leider van de betrokken praktijkgroep, naast A, als bestuurder van G, in tuchtrechtelijk opzicht verantwoordelijk heeft geacht voor het niet verschaffen van duidelijkheid aan klaagster dat F een bijzonder belang vertegenwoordigde, te weten dat van H B.V., respectievelijk dat van de directeur-grootaandeelhouder van deze besloten vennootschap, J.

Hieruit volgt dat het beroep van appellant sub 2 slaagt en dat de bestreden tuchtbeslissing niet in stand kan blijven, voor zover het de berisping van deze appellant betreft.

6.4 Met betrekking tot het beroep van appellant sub 1 overweegt het College het volgende.

Nu de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid voor het handelen van F niet kan worden gelegd bij appellant sub 2, moet deze elders worden gezocht binnen de organisatie van de Groep G. Gelet op de beschikbare gegevens, is te dier zake geen ander verantwoordelijkheidsniveau aan te geven dan dat van het centrale bestuur van deze organisatie. Aangezien op grond van hetgeen appellant sub 1 heeft gesteld, moet worden aangenomen dat binnen dit bestuur geen taakverdeling bestond in die zin dat één der bestuurders in het bijzonder was belast met de zorg voor de kwaliteit van de werkzaamheden, onderscheidenlijk dat één der bestuurders uit anderen hoofde in het bijzonder kon worden aangesproken op het in geding zijnde verzuim, en appellant sub 1 in de periode hier van belang, deel uitmaakte van dit bestuur, is appellant sub 1 in tuchtrechtelijke zin zelfstandig en volledig aanspreekbaar te achten op het niet verschaffen van vorenomschreven duidelijkheid aan klaagster en kan hem als registeraccountant worden tegengeworpen dat is gehandeld in strijd met artikel 9, tweede lid, GBR-1994.

Gezien de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden is naar het oordeel van het College ter zake van de schending van evenvermeld voorschrift de maatregel van een schriftelijke berisping passend en geboden te achten.

Uit het voorafgaande volgt dat het beroep van appellant sub 1 niet kan slagen en dat derhalve de bestreden tuchtbeslissing, voor zover daarbij aan appellant sub 1 de maatregel van een schriftelijke berisping is opgelegd, dient te worden gehandhaafd.

De na te melden beslissing berust op het bepaalde in Titel II van de Wet op de Registeraccountants en op artikel 9, tweede lid, van de GBR-1994.

7. De beslissing

Het College:

- verwerpt het beroep van appellant sub 1;

- verklaart het beroep van appellant sub 2 gegrond;

- vernietigt de bestreden tuchtbeslissing voor zover daarbij aan appellant sub 2 de maatregel is opgelegd van een schriftelijke berisping.

Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, mr J.A. Hagen en mr M.A. Fierstra in tegenwoordigheid van mr M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2001.

w.g. mr H.C. Cusell w.g. mr M.S. Hoppener