Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB1826

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-05-2001
Datum publicatie
09-02-2006
Zaaknummer
AWB 00/557
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 66
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 109
Wijzigingswet Algemene wet bestuursrecht, enz. (Aanpassingswet Awb III)
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

No.AWB 00/557 22 mei 2001

11200

Uitspraak in de zaak van:

H. Verhage, handelend onder de naam Instituut Psychosofia, te Brielle, appellante,

gemachtigde: mr W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen,

tegen

de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,

gemachtigde: mr A. Hofstede-Bron, werkzaam op verweerders ministerie.

1. De procedure

Op 3 juli 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 16 mei 2000, aan appellante bekendgemaakt op 22 mei 2000, zoals gewijzigd bij besluit van 14 juni 2000.

Bij dit besluit heeft verweerder de Universiteit Leiden (hierna: UL) een vergunning als bedoeld in artikel 66 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwd) verleend.

Bij brief van 4 september 2000 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij faxbericht van 12 maart 2001 heeft appellante uiteengezet waarom zij van oordeel is dat appellante in de onderhavige procedure als belanghebbende dient te worden aangemerkt.

Het College heeft het beroep behandeld ter zitting van 10 mei 2001, alwaar partijen hun standpunt bij monde van hun gemachtigde nader hebben toegelicht. Als gemachtigden van de UL waren aanwezig dr ir S.M. van der Maarel en dr J.S. Verbeek, beiden werkzaam bij de UL.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Gwd wordt onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 66

1. Het is zonder vergunning verboden:

a. het genetisch materiaal van dieren te wijzigen op een wijze die voorbij gaat aan de natuurlijke barrières van geslachtelijke voortplanting en van recombinatie;

b. biotechnologische technieken bij een dier of een embryo toe te passen.

2. Op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het eerste lid beslist Onze Minister, gehoord de Commissie biotechnologie bij dieren, bedoeld in artikel 69.

(...).

Artikel 109

Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven."

Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt als volgt:

" Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij formulier, gedateerd 9 november 1999 heeft de UL een vergunning als bedoeld in artikel 66 van de Gwd aangevraagd voor onderzoek naar facioscapulohumerale spierdystrofie.

- Op 6 januari 2000 heeft de Commissie biotechnologie bij dieren (hierna: Cbd) advies uitgebracht over het op deze aanvraag te nemen besluit.

- Op 2 februari 2000 heeft verweerder een ontwerp-besluit genomen op de aanvraag van 9 november 1999.

- Bij brief van 16 februari 2000 heeft appellante bedenkingen ingebracht tegen het ontwerp-besluit.

- Op 29 februari 2000 heeft een hoorzitting plaatsgevonden met betrekking tot het ontwerp-besluit.

- Bij brief van 29 maart 2000 heeft de Cbd opnieuw advies uitgebracht over het op de aanvraag van 9 november 1999 te nemen besluit, waarbij onder meer is ingegaan op de door appellante ingebrachte bedenkingen.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

- Bij besluit van 14 juni 2000 heeft verweerder het bestreden besluit gewijzigd.

3. Het standpunt van appellante

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep heeft appellante - samengevat - het volgende naar voren gebracht.

Iedere burger heeft belang bij een goede gezondheid en daarmee recht op inspraak in kwesties betreffende zijn gezondheid. In procedures als de onderhavige, waarbij - naar gesteld - in het belang van de volksgezondheid vergunning wordt verleend voor biotechnologie bij dieren, dient iedere burger dan ook als belanghebbende te worden aangemerkt.

Het Instituut Psychosofia houdt zich als onafhankelijk onderzoeks- en opleidingsinstituut voor therapeuten bij uitstek bezig met genezing van de mens. Appellante kan aantonen dat onderzoek op proefdieren alsook de daaraan ten grondslag liggende onderzoeksvisie niet zullen leiden tot genezing van de mens en zelfs schadelijk voor de gezondheid kunnen zijn. De visie van het Instituut Psychosofia en de resultaten van zijn onderzoeken dienen, gelet op het feit dat de volksgezondheid iedereen aangaat, in de besluitvorming te worden betrokken.

De kosten van medische behandeling met behulp van de reguliere geneeskunde worden doorgaans vergoed, de kosten van alternatieve geneeswijzen veelal niet. Het bestreden besluit bestendigt dit onderscheid en hindert appellante daarmee in de uitoefening van haar werkzaamheden, waarbij bedacht dient te worden dat mensen met een laag inkomen zich het gebruik van alternatieve geneeswijzen niet kunnen permitteren.

4. Het standpunt van verweerder

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep heeft verweerder - samengevat - het volgende naar voren gebracht.

Appellante kan niet worden gevolgd in haar stelling dat, gelet op het belang van de volksgezondheid, iedere burger als belanghebbende zou moeten worden aangemerkt. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van het College van 5 december 2000,

nr. AWB 99/554.

Appellante is geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Het bestreden besluit treft haar niet rechtstreeks in haar belang, nu dit besluit haar niet belemmert in de uitoefening van haar beroep.

5. De ontvankelijkheid van het beroep

5.1 Ingevolge artikel 109 Gwd is de kring van beroepsgerechtigden tegen besluiten als het onderhavige beperkt tot belanghebbenden.

Gegeven de wijziging van artikel 109 Gwd bij de Aanpassingswet Awb III (Stb. 1993, 690) dient, overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, onder 'belanghebbende' te worden verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Blijkens vaste jurisprudentie van het College accentueert het begrip 'rechtstreeks' in voormelde definitie dat tussen het belang waarin betrokkene zich getroffen acht en het besluit dat daaraan debet zou zijn, een onlosmakelijk en direct verband moet bestaan.

5.2 Het College volgt appellante niet in haar betoog dat het in een geval als het onderhavige, waar het gaat om een besluit inzake biotechnologie bij dieren, aangewezen zou zijn uit te gaan van een ruimere kring van beroepsgerechtigden dan die welke wordt gevormd door belanghebbenden, naar de betekenis welke daaraan ingevolge vaste rechtspraak moet worden toegekend.

Voor het aannemen van een ruimere kring van beroepsgerechtigden dan belanghebbenden is een - bijzondere - wettelijke grondslag vereist. Een dergelijke grondslag komt niet voor in de Gwd.

5.3 Naar het oordeel van het College kan niet met vrucht worden betoogd dat het bestreden besluit appellante rechtstreeks in haar belang treft. Hierbij is het volgende in aanmerking genomen.

Dat appellante ervan overtuigd is dat onderzoek op proefdieren geen bijdrage kan leveren aan de genezing van de mens, betekent niet dat het bestreden besluit haar rechtstreeks in haar belang treft. Gelet op de verklaringen van appellante omtrent haar werkzaamheden, kan niet worden geoordeeld dat haar belangen in het bijzonder betrokken zijn bij de uitvoering van dierproeven als hier in geding. Het belang dat appellante beoogt te dienen, de bevordering van het welzijn van de mens door middel van spirituele dans en spirituele geneeswijzen, is te ver verwijderd van de directe gevolgen van het bestreden besluit om tot het oordeel te kunnen komen dat dit besluit appellante rechtstreeks in haar belang treft.

5.4 Appellante heeft nog betoogd dat alternatieve geneeswijzen ten onrechte in minder gevallen worden vergoed dan reguliere geneesmiddelen en behandelmethoden. Te dien aanzien overweegt het College dat, wat hiervan ook zij, van een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen deze stelling en het bestreden besluit geen sprake is. Indien appellante wenst dat alternatieve geneeswijzen vaker worden vergoed, is de onderhavige procedure niet geschikt om dat te bewerkstelligen.

5.5 Uit het voorgaande volgt dat appellante, nu het bestreden besluit haar niet rechtstreeks in haar belang treft, niet als belanghebbende in de zin van artikel 109 van de Gwd kan worden beschouwd, zodat zij in haar beroep niet kan worden ontvangen.

Het beroep dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, in tegenwoordigheid van mr drs B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2001.

w.g. C.M. Wolters w.g. B. van Velzen