Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB1800

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 01/259
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:82
Algemene wet bestuursrecht 8:41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 01/259 4 mei 2001

29010

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

A, handelend onder de naam B, te X, verzoeker,

tegen

de burgemeester van X, verweerder,

gemachtigde: H.H.G. Hilbink, werkzaam bij de gemeente X.

1. De procedure

Bij formulier gedagtekend 11 oktober 2000 heeft verzoeker een aanvraag ingediend om vergunning voor het exploiteren van een kansspelautomaat.

Bij besluit van 13 maart 2001 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

Bij schrijven van 15 maart 2001 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen verweerders besluit van 13 maart 2001.

Bij schrijven van 15 maart 2001, ingekomen ter griffie van het College op 6 april 2001 na doorzending door de griffier van de Arrondissementsrechtbank te Almelo, heeft verzoeker verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat verzoeker wordt behandeld als ware hij in het bezit van de aangevraagde vergunning.

Verzoeker is op 27 april 2001 zonder kennisgeving niet ter zitting van het College verschenen.

2. De ontvankelijkheid van het verzoek

Artikel 8:82, eerste en tweede lid, juncto artikel 8:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat van de verzoeker een griffierecht wordt geheven. Het griffierecht dient binnen twee weken na een daartoe strekkend verzoek te worden voldaan, met dien verstande dat een kortere termijn kan worden gesteld. Indien het griffierecht niet binnen de gestelde termijn wordt voldaan, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de verzoeker in verzuim is geweest.

Bij brief van 23 april 2001 heeft de (waarnemend) griffier van het College verzoeker onder meer het volgende medegedeeld:

" (...)

Hierbij bevestig ik U mijn telefonische mededeling dat de president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven op vrijdag 27 april 2001 te 10.00 uur Uw bovenvermeld verzoek om een voorlopige voorziening zal behandelen.

(...)

Voor de indiening van dit verzoek (...) is fl. 225,-- griffierecht verschuldigd.

Ik verzoek U dit bedrag contant te voldoen vóór de behandeling van het verzoek. Daartoe bestaat de gelegenheid bij de centrale kas in het Paleis van Justitie. Het uitblijven van Uw betaling vóór genoemd tijdstip zal er toe leiden dat een niet-ontvankelijkverklaring wordt uitgesproken.

(...)."

Nu de brief van 23 april 2001 aangetekend is verzonden en niet retour is gekomen, moet worden aangenomen dat deze verzoeker heeft bereikt. Contante betaling van het griffierecht, als bedoeld in voormelde brief, heeft evenwel niet plaatsgevonden en evenmin is het verschuldigde griffierecht op of vóór 27 april 2001 bijgeschreven op de rekening van het College. Van omstandigheden die grond zouden kunnen vormen voor het oordeel dat verzoeker redelijkerwijs niet in verzuim is geweest ter zake van het niet tijdig voldoen van het verschuldigde griffierecht is de president niet gebleken.

Het verzoek dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De president acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

3. De beslissing

De president verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door mr H.G. Lubberdink, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr drs B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2001.

w.g. H.G. Lubberdink w.g. B. van Velzen