Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB1653

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/227
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No.AWB 00/227 3 mei 2001

5125

Uitspraak in de zaak van:

de maatschap A en B, te C, appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr J.A. Diephuis, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 16 maart 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 4 februari 2000.

Bij dat besluit heeft verweerder afwijzend beslist op het bezwaar van appellante tegen zijn besluit van 31 mei 1999, waarbij de aanvraag van appellante voorzien in artikel 2.3 van de Regeling dierlijke EG-premies (hierna: de Regeling) is afgewezen, voor een aantal van meer dan 14.30 GVE.

Verweerder heeft op 27 juni 2000 een verweerschrift ingediend.

Op 22 maart 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellante heeft zich ter zitting niet doen vertegenwoordigen. Verweerder heeft ter zitting bij monde van zijn gemachtigde zijn standpunt nader uiteengezet.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Regeling dierlijke EG-premies, Stcrt. 1996, no. 80, strekt - onder meer - tot uitvoering van de hierna te melden artikelen van de Verordeningen (EEG) nrs. 805/68, 3508/92 en 1765/92 van de Raad.

In Verordening (EEG) nr. 805/68, houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, is - onder meer - het volgende bepaald:

" Artikel 4d

1. Aan producenten die op hun bedrijf zoogkoeien houden, kan op hun verzoek een premie voor zoogkoeien worden verleend (zoogkoeienpremie).

(....)

5. De premie wordt toegekend aan producenten die in de twaalf maanden na indiening van de aanvraag (...) gedurende ten minste 6 opeenvolgende maanden een aantal zoogkoeien houden dat tenminste gelijk is aan het aantal waarvoor de premie werd aangevraagd.

(...)

Artikel 4g

1. Het totaal aantal dieren waarvoor (...) de zoogkoeienpremie kan worden aangevraagd wordt begrensd door de toepassing van het veebezettingsgetal van het betrokken bedrijf. Dit getal geeft de verhouding weer tussen het aantal grootvee-eenheden (GVE) en het areaal van dat bedrijf dat voor de voedering van de dieren van dat zelfde bedrijf wordt gebruikt. Een producent wordt echter vrijgesteld van de toepassing van het veebezettingsgetal wanneer het aantal dieren op zijn bedrijf dat in aanmerking moet worden genomen voor de bepaling van het veebezettingsgetal niet groter is dan 15 GVE."

In artikel 42, lid 4, van de Verordening (EEG) 3886/92 is aangegeven hoe het maximum aantal dieren waarvoor premie kan worden toegekend wordt bepaald. Eén van de factoren daarbij is het beschikbare voederareaal.

Ingevolge artikel 5bis van EEG-verordening 3887/92, zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 229/95, kan een steunaanvraag ingeval van een door de bevoegde instantie erkende klaarblijkelijke fout, op elk moment worden aangepast.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft op 15 mei 1998 bij verweerders uitvoeringsdienst LASER een "Aanvraag oppervlakten 1998 vereenvoudigde regelingen voederareaal" ingediend. In die aanvraag heeft zij - onder meer - 7.38 ha overig grasland (eventueel te drogen) anders dan voederareaal opgegeven, met als bijdragecode 875.

- Op 3 juni 1998 heeft appellante contact gehad met LASER, die haar daarna een nieuw aanvraagformulier heeft toegezonden.

- Appellante heeft het formulier opnieuw ingevuld en op 8 juni 1998 ingediend. In deze aanvraag heeft zij een oppervlakte van 27.51 ha overig grasland anders dan voederareaal met bijdragecode 875 opgegeven.

- Op 17 november 1998 heeft de teammanager van LASER de door appellante op

8 juni 1998 ingediende aanvraag oppervlakten goedgekeurd.

- Appellante heeft op 12 augustus 1998 een aanvraag op grond van de Regeling ingediend voor 54 zoogkoeien.

- Bij besluit van 31 mei 1999 heeft verweerder op appellantes aanvraag op grond van de Regeling beslist en hierbij onder meer het volgende overwogen:

" U heeft geen of minder dan 7,5 ha voederareaal opgegeven bij de Aanvraag oppervlakte. Dit betekent dat de veebezettingsruimte van Uw bedrijf 15 gve is.

Het aantal gve wat U reeds benut met Uw melkquotum is: 0.70.

Het aantal gve (grootvee-eenheden) waarvoor U in 1998 maximaal premie kon aanvragen voor de Regeling dierlijke EG-premies (mannelijke runderen en zoogkoeien) is: 14.30.

(...)

Het aantal zoogkoeien waarvoor premie wordt toegekend is: 14.30."

- Tegen dat besluit heeft appellante tijdig een bezwaarschrift ingediend.

- Op 20 januari 2000 is appellante naar aanleiding van haar bezwaren gehoord door verweerder. Een verslag van het gehoor bevindt zich bij de stukken.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

In het bestreden besluit heeft verweerder - onder meer - het volgende overwogen:

" Uit nader onderzoek van uw dossier is mij gebleken dat u bij de totaaltelling van de akkerbouwgewassen regio 2 (bijdragecode 810 t/m 815) 15.78 hectare, bij de totaaltelling van de percelen met bijdragecode 875 27.51 hectare en bij de totaaltelling van de overige gewassen (bijdragecode 999) 0.02 hectare heeft vermeld.

Voorts heb ik vastgesteld dat de som van de individuele percelen overeenkomt met de totaaltelling per categorie.

U heeft voor de percelen 1, 2, 5, 6, 7, 8, 11, 13, 16, 17, 18, 19, 20 en 21 bijdragecode 875 opgegeven met gewascode 265. Daaruit blijkt dat u deze percelen wilt opgeven als overig grasland (event. te drogen) anders dan voederareaal (bijdragecode 875).

Nu niet direct uit het aanvraagformulier kan worden afgeleid dat er een vergissing is gemaakt, is het mij niet toegestaan het gebruik van de bijdragecode 875 te beschouwen als een klaarblijkelijke fout als bedoeld in artikel 5bis van Verordening (EG) 3887/92. Het is derhalve niet mogelijk om uw aanvraag oppervlakten alsnog te wijzigen.

In uw bezwaarschrift geeft u aan dat u, voordat u een nieuwe aanvraag oppervlakten indiende, contact heeft gehad LASER. LASER zou u er echter niet op attent hebben gemaakt dat u code 800 moest gebruiken.

Te dien aanzien merk ik het volgende op.

Van een aanvrager mag worden verwacht dat hij zich op de hoogte stelt van de voorwaarden van de regeling. Zowel in de regeling als in de betreffende brochures is aangegeven aan welke voorwaarden moet worden voldaan. Uw stelling, dat LASER u attent had moeten maken dat u de code 800 moest gebruiken in plaats van code 875 treft derhalve geen doel.

Gelet op het voorgaande stel ik vast dat u geen voerderareaal heeft opgegeven. De veebezettingsruimte van uw bedrijf is 15 GVE. Het aantal GVE wat u reeds benut met uw melkquotum is 0.70. Het aantal GVE dat derhalve beschikbaar is voor de zoogkoeien bedraagt 14.30.

Het voorgaande vormt voor mij geen aanleiding om de beslissing van de teammanager te herzien. Ik concludeer derhalve dat niet aan uw bezwaren kan worden tegemoet gekomen."

Verweerder heeft daaraan ter zitting nog het volgende toegevoegd:

In het werkdocument van de Europese Commissie van 18 januari 1999 inzake duidelijke vergissingen is weergegeven wat onder duidelijke vergissingen moet worden verstaan:

- fouten die direct in het oog springen bij onderzoek van de steunaanvraag;

- fouten die aan het licht komen bij grondiger (manueel of met de computer verricht) onderzoek waarbij gegevens in dezelfde aanvraag worden vergeleken, zoals bijvoorbeeld optelfouten;

- met duidelijke vergissingen worden ook gelijkgesteld eigenaardigheden die betrekking hebben op referenties of nummers van percelen of dieren die aan het licht komen wanneer de aanvraag wordt getoetst aan databases zoals het perceelregister of het dierenidentificatiesysteem.

Uit de aanvraag zelf moet dus blijken dat sprake is van een klaarblijkelijke fout. De aanvraag oppervlakten moet dus in zich tegenstrijdig zijn in de zin van ongerijmd. Dat was hier niet het geval. Er lag een duidelijke aanvraag voor akkerbouwsubsidie, grasland anders dan voederareaal en nog 0,2 ha overige gewassen. Dat appellante haar aanvraag oppervlakten na overleg met LASER heeft aangepast, maakt dit niet anders, aldus verweerders gemachtigde ter zitting.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

" Volgens Laser is er geen sprake van vergissingen of klaarblijkelijke fouten.

Maar is het niet raar dat wij voor 54 zoogkoeien premie aanvragen en maar beschikken over 14.30 premierechten blijkens de ingestuurde formulieren. Maar als je code 875 wijzigt in 800 dat wij dan wel premierechten hebben voor 54 koeien. Naar onze mening is dit een duidelijke zeer grote vergissing die gemaakt is door de toen aanwezige omstandigheden.

Voor de maispremie is het formulier Aanvraag Oppervlakten tijdig ingestuurd.

Toen kwam Natuurmonumenten voor de jaarlijkse ondertekening van de inscharingsovereenkomst. Zij deelde ons mede dat zij bereid waren de huurperiode te verlengen tot 7 maanden zodat wij op die grond zoogkoeien premie konden aanvragen. In 1997 was dat nog niet mogelijk en wij hadden ook maar contracten voor 6 maanden (zie bijlage). Wij hebben meteen actie ondernomen. Op het Aanvraag Oppervlakten formulier kunt u zien dat wij op

3 juni telefonisch contact hebben gehad met Laser. Het aanvraagformulier Oppervlakten moest worden aangepast voor de aanvraag zoogkoeien. Hierdoor werden we wel gekort in de maispremie want de tweede ontvangst datum gold dan. Om nog meer korting te voorkomen moest alles weer voor 10 juni binnen zijn want dan werd het kortingspercentage weer verhoogd. Omdat de zoogkoeienpremie hoger was dan de korting op de maispremie hebben wij dat gedaan alles in overleg met Laser want daar hebben wij in verband met de korte periode informatie gevraagd.

Die moet immers het beste weten wat je in moet vullen. Wij zijn agrariers die na het lezen van dikke brochures nog niet altijd alles begrijpen.

Ze hebben het Aanvraag Oppervlakten formulier teruggestuurd en de nodige informatie verstrekt. (dachten wij)."

In de bezwaarfase heeft appellante nog uitdrukkelijk aangevoerd dat LASER appellante erop attent had behoren te maken dat zij niet code 875 maar code 800 moest gebruiken.

5. De beoordeling van het geschil

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante tot de ingevolge de toepasselijke regelingen geldende uiterste datum geen aanvraag oppervlakten heeft ingediend, waarbij voor 27.51 ha grond bijdragecode 800 is ingevuld. LASER heeft wel een beslissing genomen op de aanvraag van appellante van 8 juni 1998 waarin voor het betreffende areaal bijdragecode 875 was ingevuld.

Verweerder heeft terecht geoordeeld dat appellante aan haar aanvankelijke opgave moest worden gehouden, nu een klaarblijkelijke fout als bedoeld in artikel 5bis van Verordening EEG 3887/92 niet aan de orde is. Naar vaste jurisprudentie van het College is immers sprake van een klaarblijkelijke fout wanneer uit de aanvraag oppervlakten zelf blijkt dat de gedane opgave niet juist kan zijn. Dat is niet het geval. Appellante heeft geen voederareaal

opgegeven en geen enkel gegeven op het formulier behoefde verweerder op het spoor te zetten dat zulks wel de bedoeling was van appellante. Nu de aanvraag geen ongerijmd-heden bevat, was verweerder gehouden deze als uitgangspunt te nemen bij de beoordeling van de voorliggende aanvraag.

De grief dat verweerders uitvoeringsdienst LASER appellante had moeten wijzen op de juiste bijdragecode, faalt. De aanvrager is zelf verantwoordelijk voor het juist en correct invullen van de betreffende aanvragen overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften.

Het beroep moet derhalve ongegrond worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr A. Bruining, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2001.

w.g. M.A. van der Ham w.g. A. Bruining