Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB1651

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/569
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No. AWB 00/569 3 mei 2001

5135

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te C, appellante,

gemachtigde: J.M.A. Suijkerbuijk, werkzaam bij accountantskantoor Zwagemakers & Remmerswaal te Bergen op Zoom,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr M.T. Veldhuizen, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 10 juli 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een op 28 juni 2000 verzonden besluit van verweerder.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen de beslissing op haar aanvraag oppervlakten 1999 ingevolge de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling).

Verweerder heeft op 22 augustus 2000 een verweerschrift ingediend.

Op 22 maart 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben doen toelichten.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- In de brochure, die verweerders uitvoeringsdienst LASER met betrekking tot de Aanvraag oppervlakten 1999, Vereenvoudigde regeling en Voederareaal, heeft uitgebracht, staat onder meer vermeld: "Als uw productie meer dan 92 ton is, kunt u een aanvraag voor de Algemene regeling indienen. (...) Als uw productie minder of gelijk aan 92 ton is, kunt u naar eigen keuze aan een van beide regelingen deelnemen. In de Vereenvoudigde regeling kunt u geen subsidie aanvragen voor braak gelegde percelen." In bijlage 6 van de brochure is in de tabel met betrekking tot de gewassen voor braak uitsluitend de bijdragecode "Niet voor bijdrage" met het nummer 999 vermeld.

- Op 3 mei 1999 heeft LASER een aanvraag oppervlakten 1999, vereenvoudigde regeling en voederareaal, van appellante ontvangen. Bij deze aanvraag heeft appellante, voorzover hier van belang, bij het perceel met het volgnummer 13 met een oppervlakte van 2 ha als gewascode 667 (braak) en als bijdragecode 999 ingevuld.

- Bij brief van 26 november 1999 heeft verweerder aan appellante bericht dat haar aanvraag is goedgekeurd en dat zij in aanmerking komt voor fl. 4336,12 akkerbouwsubsidie, die blijkens een bijlage bij deze brief betrekking heeft op een oppervlakte overige granen van 5.10 ha.

- Appellante heeft bij brief van 22 december 1999 bezwaar gemaakt tegen het in voormelde brief vervatte besluit. Hierbij heeft zij aangevoerd dat zij bij haar aanvraag tevens beoogde subsidie voor het braakgelegde perceel 13 aan te vragen en zich niet heeft gerealiseerd dat zij dit door middel van een aanvraag ingevolge de algemene regeling had moeten doen.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Hierbij heeft verweerder gesteld dat de door appellante gestelde fout niet kan worden aangemerkt als een manifeste fout, die aanleiding had behoren te geven tot het bieden van de mogelijkheid de aanvraag nog te wijzigen, nadat de uiterste indieningsdatum voor de aanvraag - 15 mei - was verstreken. De aanvraag behelsde geen duidelijke onjuistheden of tegenstrijdigheden.

Indien de productie van een aanvrager minder is dan of gelijk is aan 92 ton, bestaat de keuze aan de vereenvoudigde danwel de algemene regeling deel te nemen. Gelet op de in de aanvraag voor subsidie in aanmerking gebrachte oppervlakte van 5.1 ha en een opbrengst van 7,1 ton per hectare, derhalve een productie van 36,21 ton, stond het appellante vrij een aanvraag te doen in het kader van de vereenvoudigde regeling. Aangezien het in het kader van deze regeling niet mogelijk is subsidie voor braakgelegde percelen aan te vragen, kan het in bezwaar geformuleerde verzoek van appellante niet worden ingewilligd.

Verweerder heeft in dit verband nog verwezen naar het werkdocument over duidelijke fouten van de Europese Commissie van 18 januari 1999.

In het verweerschrift en ter zitting is van de zijde verweerder nog naar voren gebracht dat slechts sprake is van een duidelijke fout in de zin van voormeld werkdocument van de Commissie indien dit blijkt uit onderzoek van de aanvraag zelf. Voor de vraag of sprake is van een tegenstrijdigheid in de aanvraag is niet van belang of de daarin gedane opgaven uit een oogpunt van adequate gebruikmaking van subsidiemogelijkheden voor de hand zouden liggen.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van haar beroep - samengevat - het volgende aangevoerd.

In het verleden heeft appellante steeds subsidie aangevraagd ingevolge de vereenvoudigde regeling. Als gevolg hiervan krijgt zij standaard het hierop betrekking hebbende aanvraagformulier door LASER toegezonden.

In 1999 heeft appellante voor het eerst een perceel braakgelegd en had zij derhalve een aanvraag moeten indienen ingevolge de algemene regeling. Uit onwetendheid heeft zij echter gebruik gemaakt van het aanvraagformulier voor de vereenvoudigde regeling.

Naar de opvatting van appellante is dit wel degelijk aan te merken als een duidelijke fout.

5. De beoordeling van het geschil

Voorop gesteld zij dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat slechts aan het bezwaar van appellante tegemoet zou kunnen worden gekomen indien zou moeten worden geoordeeld dat door appellante bij haar aanvraag oppervlakten een klaarblijkelijke fout is gemaakt. Immers alleen in dat geval is het blijkens artikel 5bis van Verordening (EEG) nr. 3887/92 en artikel 9, tweede lid, van de Regeling ook na afloop van de uiterste indieningsdatum van een aanvraag mogelijk die aanvraag te wijzigen.

Zoals het College reeds eerder heeft overwogen, is slechts sprake van een klaarblijkelijke fout indien objectief vaststaat dat de aanvankelijke opgave kennelijk fout was. Dit is het geval wanneer uit de aanvraag oppervlakten zelf blijkt dat de gedane opgave niet juist kan zijn.

Hiervan is in het onderhavige geval geen sprake.

Appellante heeft haar aanvraag immers ingediend door middel van het (standaard)

formulier in het kader van de vereenvoudigde regeling en voederareaal. Blijkens de hiervoor in rubriek 2 vermelde brochure kan in het kader van een dergelijke aanvraag ook een braakperceel worden opgegeven, zij het uitsluitend met de bijdragecode 999, hetgeen staat voor "niet voor bijdrage".

Appellante heeft het in geschil zijnde perceel op deze wijze in haar aanvraag vermeld.

De aanvraag bevatte derhalve voor verweerder geen enkele aanwijzing dat appellante iets anders beoogde dan hetgeen zij heeft opgegeven.

Hetgeen appellante naar voren heeft gebracht met betrekking tot de gang van zaken rond de aanvraag voor 1999, kan aan vorenstaande vaststelling niet afdoen.

Het beroep is derhalve ongegrond.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr A. Bruining, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2001.

w.g. M.A. van der Ham w.g. A. Bruining