Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB1649

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/996
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No.AWB 99/996 3 mei 2001

5125

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: C,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr J.A. Diephuis.

1. De procedure

Op 8 december 1999 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 28 oktober 1999.

Bij dat besluit heeft verweerder afwijzend beslist op het bezwaar van appellant tegen zijn besluit van 15 april 1998, waarbij de aanvraag van appellant op grond van de Regeling dierlijke EG-premies (hierna: de Regeling) is afgewezen.

Verweerder heeft op 2 maart 2000 een verweerschrift ingediend.

Op 22 maart 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. De gemachtigden van partijen hebben bij die gelegenheid hun standpunten nader uiteengezet.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Regeling dierlijke EG-premies, Stcrt. 1996, no. 80, strekt - onder meer - tot uitvoering van de hierna te melden artikelen van de Verordeningen (EEG) nrs. 805/68, 3508/92 en 1765/92 van de Raad.

Ingevolge artikel 4b, eerste en tweede 1id, van de Verordening (EEG) 805/68 kan aan rundvleesproducenten die op hun bedrijf mannelijke runderen houden op hun verzoek onder bepaalde voorwaarden een speciale premie worden verleend.

In artikel 4g van de Verordening nr. 805/68 wordt het totaal aantal dieren waarvoor - onder meer - de speciale premie kan worden aangevraagd begrensd door de toepassing van het veebezettingsgetal van het betrokken bedrijf. Dit getal geeft de verhouding weer tussen het aantal grootvee-eenheden (GVE) en het areaal van dat bedrijf dat voor voedering van de dieren van datzelfde bedrijf wordt gebruikt. Een producent wordt vrijgesteld van de toepassing van het veebezettingsgetal, wanneer het aantal dieren op het bedrijf dat in aanmerking komt voor de bepaling van het veebezettingsgetal niet groter is dan 15 GVE.

In artikel 42, lid 4, van de Verordening (EEG) 3886/92 is aangegeven hoe het maximum aantal dieren waarvoor premie kan worden toegekend is bepaald. Factoren die daarbij een rol spelen zijn - onder meer - de melkkoeien, die noodzakelijk zijn voor de productie van de aan de producent toegekende referentiehoeveelheid melk en het beschikbare voeder-areaal.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft op 20 februari 1997 en op 10 november 1997 aanvragen op grond van de Regeling ingediend voor respectievelijk 18 en 11 stieren in de leeftijdscategorie van 8 tot en met 20 maanden.

- Bij brieven van respectievelijk 26 maart 1997 en 8 december 1997 heeft verweerder aan appellant bericht dat zijn aanvragen in behandeling zijn genomen en dat het aantal gve's dat met de aanvragen benut is, berekend is op respectievelijk 10.80 en 6.60 gve's.

- Bij besluit van 22 april 1998 heeft verweerder de aanvragen afgewezen.

- Appellant heeft daartegen op 27 mei 1998 een bezwaarschrift ingediend.

- Op 22 oktober 1999 is appellant naar aanleiding van zijn bezwaren gehoord door verweerder. Een verslag van het gehoor bevindt zich bij de stukken.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

In het bestreden besluit heeft verweerder - onder meer - het volgende overwogen.

" Uit onderzoek van uw dossier is mij gebleken dat u in 1997 geen Aanvraag oppervlakte heeft ingediend. Volgens het Meldingsformulier Veebezetting beschikt u over een referentiehoeveelheid melk van 209.017 kg. Omgerekend naar GVE is dit 33.71 GVE. Aangezien u geen aanvraag heeft ingediend en derhalve ook geen voederareaal heeft opgegeven, beschikt u over 15 GVE. Van dit aantal wordt eerst het aantal GVE voor melk in mindering gebracht. Na berekening resteert vervolgens geen ruimte meer voor aanvragen voor dierlijke premies.

Tijdens de hoorzitting heeft u aangegeven dat u het aanvraagformulier samen met het formulier voor de Landbouwtelling heeft opgestuurd naar LASER. U heeft het aanvraagformulier oppervlakte niet aangetekend naar LASER verzonden. Tevens deelde u mede dat u geen ontvangstbevestiging had gekregen dat LASER het aanvraagformulier ontvangen heeft. In 1997 heeft u geen maïspremie aangevraagd.

U heeft tijdens de hoorzitting de brief van LASER de dato 2 maart 1997 overhandigd waaruit blijkt dat u het aanvraagformulier Aanvraag oppervlakte 1997 toegezonden heeft gekregen. Aangezien LASER wel uw landbouwtellinggegevens over het jaar 1997 heeft ontvangen, kan ik uw stelling niet onderschrijven dat u beide formulieren tegelijkertijd verzonden heeft. Tijdens de hoorzitting kon u namelijk niet met zekerheid aangeven dat beide formulieren tegelijkertijd verzonden heeft. Naar mijn mening zijn beide formulieren door u apart verzonden. Uit onderzoek is mij gebleken dat LASER uw aanvraagformulier niet heeft ontvangen."

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft bij monde van zijn gemachtigde ter ondersteuning van het beroep, samengevat, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Met absolute zekerheid is de aanvraag oppervlakten opgestuurd. De echtgenote van appellant, tevens zijn gemachtigde, heeft part noch deel aan het zoekraken van het formulier en hoopt dat na controle de premie alsnog kan worden uitgekeerd. Zij heeft nog uitgelegd dat zij voor stierenpremie hadden gekozen in plaats van voor maïspremie omdat dat in het betreffende jaar gelet op het aantal premiewaardige stieren dat zij op hun bedrijf hadden, gunstiger voor hen was. Met zekerheid is hun weiland en bouwland geheel als voederareaal opgegeven, totaal 24.73 ha. Omdat zij reeds 209017 kg melk hadden, bleef er voor hen nog een aantal gve's over, goed voor ± 26 stieren. Daarvoor hadden zij een premie kunnen ontvangen van ongeveer fl. 7700,--. Voor hen is dat een heel groot bedrag, dat zij slecht kunnen missen.

5. De beoordeling van het geschil

Het College stelt voorop dat het aan de aanvrager is om zorg te dragen voor een juiste en correcte indiening van de aanvraag overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften. Daarvan maakt een correcte verzending ook deel uit. Nu de aanvraag niet aangetekend is verzonden rust op appellant de verplichting anderszins aannemelijk te maken dat de aanvraag tijdig is ingediend.

Gelet op de stukken en het onderzoek ter zitting is onvoldoende aannemelijk geworden dat appellant vóór de ingevolge de toepasselijke regelingen geldende uiterste datum van

15 mei 1997 de aanvraag oppervlakten waarin opgave dient te worden gedaan van het op het bedrijf van de producent beschikbare voederareaal, heeft ingediend. De enkele niet met enig nader bewijs gestaafde stelling dat de echtgenote van appellant zich met absolute zekerheid herinnert dat zij de aanvraag oppervlakten wel heeft verzonden, is niet voldoende om aan te nemen dat de aanvraag tijdig zou zijn ingediend.

Het hiervoor in rubriek 2.1 weergegeven wettelijk kader leidt ertoe dat verweerder in de gegeven situatie gehouden was appellants aanvraag om premie, voorzover deze het toegekende aantal van 15 GVE overschrijdt, af te wijzen. Verweerder heeft terecht geoordeeld dat dat in dit geval moest leiden tot een afwijzing van de aanvraag, aangezien in verband met het aan appellant toegewezen melkquotum, gelijk aan 33.71 GVE, geen ruimte meer bestond voor het toekennen van aanvullende dierlijke premies.

Het beroep moet gelet op het vorenstaande ongegrond worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr A. Bruining, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2001.

w.g. M.A. van der Ham w.g. A. Bruining