Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB1105

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-02-2001
Datum publicatie
06-11-2002
Zaaknummer
AWB 98/884
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 98/884 13 februari 2001

27352

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

gemachtigde: mr drs Stubenruch, advocaat te Rotterdam,

tegen

de Staatssecretaris van Economische Zaken, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr K.M. Bresjer, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 14 augustus 1998 heeft het College een beroepschrift ontvangen, waarbij appellante

beroep heeft ingesteld tegen een besluit van verweerder van 3 juli 1998.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op appellantes bezwaren tegen de vaststelling op nul

van de premie op grond van de Premieregeling stimulering ontwikkeling Lelystad 1988.

Op 21 oktober 1998 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevuld.

Verweerder heeft op 3 december 1998 een verweerschrift ingediend.

Op 6 juni 2000 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen hun

standpunten nader hebben toegelicht. Aan de zijde van appellante is tevens verschenen

C, directeur van appellante. Ter zitting is als getuige, door appellante meegebracht,

gehoord A.S. de Vries, ambtenaar bij de gemeente Lelystad.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij de Premieregeling stimulering ontwikkeling Lelystad 1988 (regeling van

5 december 1988, Stcrt. 240, gewijzigd bij regeling van 25 maart 1992, Stcrt. 62; hierna:

de Premieregeling) is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

" Artikel 2

Aan een ondernemer die in de gemeente Lelystad een project tot stand brengt

wordt op een overeenkomstig artikel 7 ingediende aanvraag en met

inachtneming van het gestelde in deze regeling en de daarbij behorende

bijlagen premie verleend ter zake van het cre‰ren van arbeidsplaatsen.

Artikel 10

1. Voorts wordt afwijzend op de aanvraag beslist, indien:

a. (.)

d. in het bedrijf minder dan tien arbeidsplaatsen worden gecre‰erd;

e. de kosten minder dan Ÿ 200 000 bedragen;

Artikel 13

1. De minister beslist aan de hand van de overgelegde gegevens op een verzoek

om vaststelling van het premiebedrag (.).

(.)

5. De minister beslist afwijzend op een tijdig ingediend verzoek :

a. indien de ondernemer niet heeft voldaan aan de bij of krachtens artikel 11

gestelde voorwaarden;

b. (.);

c. indien de ondernemer zodanig onjuiste of onvolledige informatie heeft

verstrekt dat de minister bij de beslissing op een aanvraag of op een verzoek

om een voorschot als bedoeld in artikel 12 een andere beslissing zou hebben

genomen , indien hem de juiste gegevens bekend waren gemaakt."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten

en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij aanvraagformulier, gedagtekend 8 december 1992 door C als directeur

medeoprichter van appellante, is ten behoeve van appellante een premie op grond van

de Premieregeling aangevraagd.

- Bij brief van 2 februari 1993 heeft het college van burgemeester en wethouders van

de gemeente Lelystad, deze aanvraag aan verweerder doorgezonden.

- Bij overeenkomst van 11 maart 1993 hebben C en D, handelend namens en ten

behoeve van appellante in oprichting, (hierna: E) per 1 januari 1993 gekocht en voor

zover mogelijk in eigendom aanvaard, het bedrijf van de B.V. Auto- en

Motorbenodigdheden AMBI, gevestigd te Lelystad (hierna: AMBI).

Artikel 8 van deze overeenkomst bepaalt dat ingevolge de artikelen 1639 aa e.v. van

het Burgerlijk Wetboek alle bij AMBI in dienst zijnde werknemers per 1 januari

1993 in dienst treden bij E.

- Bij besluit van 18 mei 1993 heeft verweerder op vermelde premieaanvraag in

positieve beslist. Dit besluit luidt onder meer als volgt:

" De totale investering wordt door u begroot op ? 900.000,00.

Als gevolg van het project zullen 12 arbeidsplaatsen ontstaan, op middellange

termijn oplopend tot 15 arbeidsplaatsen.

Op grond van uw aanvraag zeg ik u een bijdrage toe uit hoofde van

voornoemde premieregeling van ? 25.000,00 per elke met uw project in de

gemeente Lelystad nieuw gecre‰erde arbeidsplaats, met een maximum van

25 % van de premiabele investeringen. De premie kan maximum ? 225.000,00

(.) bedragen.

(.)

Wellicht ten overvloede wijs ik u er op, dat wanneer bij verificatie van uw

project mocht blijken dat minder dan tien arbeidsplaatsen zijn gecre‰erd, ik de

premie op nihil zal stellen. Eventueel verstrekte voorschotten dienen in zo'n

situatie terugbetaald te worden. "

- Bij brief van 24 november 1995 heeft appellante verzocht om vaststelling van het

premiebedrag.

- Hierop heeft verweerder zijn besluit van 22 december 1997 genomen, dat onder meer

als volgt luidt:

" (.) uit de overeenkomst blijkt, dat ten tijde van de behandeling van de

premieaanvraag in onderhevig geval van het cre‰eren van arbeidsplaatsen, als

gevolg van de overname, geen sprake was.

Ook later hebt u niet 10 arbeidsplaatsen extra gecre‰erd met uw investering.

Op grond van art. 10, lid 1 van de regeling zou ik indien ik het voornemen tot

het sluiten van de overname overeenkomst had gekend geen premie hebben

toegezegd vanwege het ontbreken van een gunstig effect op de regionale

arbeidsmarkt. Met deze overname zou namelijk met dit project geen sprake zijn

van additionele werkgelegenheid in de gemeente Lelystad.

Derhalve stel ik voornoemde premie hierbij definitief vast op nihil.

Deze premievaststelling doe ik op grond van art. 13 lid 5c van de regeling

aangaande het verstrekken van onvolledige informatie op grond waarvan ik een

andere beslissing zou hebben genomen indien ik over bepaalde gegevens - i.c.

gegevens met betrekking tot de overname overeenkomst - zou hebben beschikt.

Reeds met brief ES/RBM/RSB/PPB 93092085.b21 d.d. 21-12-1993 heb ik ten

behoeve van de financiering van het project een voorschot verstrekt ad

? 180.000,00.

Ter afwikkeling van deze premie dient, rekening houdend met het verstrekte

voorschot een bedrag ter grootte van ? 180.000,00 te worden gerestitueerd op

rekeningnummer 55.27.10 bij de Postbank ten name van Ministerie van

Economische Zaken onder vermelding van datum en kenmerk van deze brief

alsmede het debiteurennummer 1001565.

Bij betaling later dan 30 dagen na dagtekening van deze brief bent u ingevolge

artikel 6:119 BW de wettelijke rente verschuldigd."

- Op 28 januari 1998 heeft appellante tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

- Op 12 mei 1998 heeft verweerder appellante ter zake van haar bezwaar gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder meer het volgende overwogen en besloten:

" In het geding is derhalve de vraag wat dient te worden verstaan onder "het

cre‰ren van arbeidsplaatsen". De doelstelling van de regeling is het - in sociaal

economische zin - stimuleren van de ontwikkeling van de gemeente Lelystad.

In dit kader dient onder cre‰ren van arbeidsplaatsen te worden verstaan het

cre‰ren van voor de gemeente Lelystad nieuwe arbeidsplaatsen, zoals dat ook

in de toezeggingsbrief van 18 mei 1993 letterlijk is verwoord.

Uit het door de departementale accountantsdienst verrichte verificatie-

onderzoek bleek, dat op het moment waarop u overeenkomstig het bepaalde in

artikel 11, eerste lid, onder b, van de regeling een verzoek indiende om

vaststelling van het premiebedrag, dertien personen bij u in dienst waren. Van

deze personen waren tenminste acht personen afkomstig van B.V. Auto- en

Motorbenodigdheden Import Maatschappij AMBI (B.V. AMBI).

Eerst toen bleek dat u op 11 maart 1993 met terugwerkende kracht tot 1 januari

1993 met B.V. AMBI te Lelystad een overeenkomst had gesloten inzake de

overdracht van het bedrijf van B.V. AMBI aan HPTC B.V. (.)

Ik heb uit ‚‚n en ander de slotsom getrokken dat de arbeidsplaatsen waarop de

overeenkomst betrekking heeft geen voor Lelystad nieuwe arbeidsplaatsen zijn.

Voor zover u wel additionele werkgelegenheid hebt gecre‰erd wordt het

minimum aantal van tien niet bereikt.

U stelt nu dat u, ter voorkoming van het dreigende faillissement van B.V.

AMBI, erin heeft toegestemd de activa en passiva van dit bedrijf voor ? 1,00

over te nemen. (.). Tenslotte beroept u zich er nog op dat de gehele gang van

zaken door u is meegedeeld aan de heer De Vries van de gemeente Lelystad en

aan de heer Holtus van mijn ministerie.

Wat de activa en passiva-transactie betreft ben ik bereid aan te nemen dat het

door u gestelde juist is. Anders is dat waar het gaat om het contract inzake de

bedrijfsovername. Dit is eerst bekend geworden nadat de accountantsdienst van

het ministerie het verificatie-onderzoek had verricht.

(.)

Gelet op het voorgaande kom ik tot de slotsom dat uw bezwaren ongegrond

zijn. Ik handhaaf derhalve mijn besluit van 22 december 1997, met dien

verstande dat het dictum komt te luiden:

Op grond van het bepaalde in artikel 13, vijfde lid, onder a, in verbinding met

artikel 11 en artikel 13, vijfde lid, onder c, van de regeling wijs ik uw verzoek

om vaststelling van het premiebedrag af.

Ik breng u nog in herinnering dat het aan u verstrekte voorschot van

Ÿ 180.000,00, verhoogd met de wettelijke rente ingaande 21 januari 1998, dient

terug te betalen. "

Bij het verweerschrift heeft verweerder onder meer het volgende aangevoerd:

" De regeling zelf en mijn besluit van 18 mei 1993 lieten geen enkele twijfel

over eventuele nadelige gevolgen in het geval dat het project niet zou worden

gerealiseerd overeenkomstig hetgeen bij de aanvraag was opgegeven. (.)

Overigens kan dit punt in het onderhavige geding niet meer aan de orde komen.

Ik ben immers bij de toezegging uitdrukkelijk uitgegaan van de

veronderstelling dat het om nieuwe arbeidsplaatsen ging. Tegen de toezegging

noch de daarin vervatte veronderstelling is door appellante een rechtsmiddel

ingesteld, zodat deze veronderstelling thans geen punt van geschil kan zijn. Ik

vindt voor deze opvatting steun in de uitspraak van uw college van 25 juni

1996 inzake F, te B, uw zaaknummer 95/0399/062/230. "

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft bij het aanvullend beroepschrift onder meer het volgende tegen het

bestreden besluit aangevoerd.

" Ruim nadat de nieuwe vennootschappen waren opgericht, de bouwgrond voor

de nieuwe bedrijfshuisvesting was aangekocht, boot en huis waren verkocht en

de subsidieaanvraag was ingediend, werd H.P.T.C. benaderd (.)

door Ambi. Omdat de financi‰le situatie bij Ambi desastreus was en een

faillisement niet te voorkomen was - de bank dreigde de financiering van

Ambi stop te zetten - werd aan H.P.T.C. de mogelijkheid geboden de

activa/passiva van Ambi voor ? 1,-- over te nemen.

(.)

In een presentatie over de gehele gang van zaken op het gemeentehuis te

Lelystad, waar van de zijde van het Ministerie aanwezig was de heer Holtes, is

door H.P.T.C. de overname van activa/passiva heel stellig besproken.

Bovendien merkt H.P.T.C. op dat tijdens een werkbezoek van de medewerkers

van het Ministerie aan de nieuwbouw van H.P.T.C. de activa/passiva-transactie

zonder enig voorbehoud uit de doeken is gedaan.

(.)

De activa/passiva-transactie door H.P.T.C. vond mitsdien plaats ruim na de

indiening van de subsidieaanvraag en over die transactie is mitsdien meerdere

malen gesproken met de afdeling economische zaken van de gemeente

Lelystad en het Ministerie van Economische Zaken.

(.)

In de eerste plaats merkt H.P.T.C. op dat de Premieregeling Stimulering

Ontwikkeling Lelystad 1988 in geen van haar artikelen en evenmin in haar

toelichting spreekt over het cre‰ren van nieuwe arbeidsplaatsen. Het artikel

spreekt over "premie verlenen terzake van het cre‰ren van arbeidsplaatsen".

Ook uit de toelichting bij artikel 10, tweede lid, onder b, volgt geenszins dat de

PSOL- regeling uitsluitend van toepassing is wanneer er nieuwe

arbeidsplaatsen worden gecre‰erd.

(.)

Bovendien merkt H.P.T.C. op dat de voor haar nadelige gevolgen van het

besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Dit geldt in het bijzonder wanneer H.P.T.C. gehouden zou blijven tot restitutie

van de verleende verschotten ad totaal ? 180.000,-- over te moeten gaan.

(.)

Wanneer bekend zou zijn dat het cre‰ren van een artikel 1639aa BW-situatie

door de activa-passiva transactie tot gevolg zou hebben dat de subsidieaanvraag

zou worden ingetrokken en reeds ontvangen voorschotten zouden moeten

worden terugbetaald, in dat geval zouden E (.) gewacht hebben totdat het

personeel van Ambi-oud in het kader van een faillissementssituatie formeel

ontslagen zou zijn, waarna diezelfde werknemers in dienst genomen zouden

zijn door H.P.T.C. . Ook in dat kader is het besluit van de staatssecretaris in

strijd met een behoorlijke belangenafweging, en, gelet op de nadelige gevolgen

van het besluit voor H.P.T.C., onevenredig in verhouding tot het met het

besluit te dienen doel.

(.)

Bovendien is het besluit van de staatssecretaris aangaande de restitutieplicht in

strijd met het vertrouwensbeginsel.

Artikel 13, lid 3 van de Premieregeling stimulering ontwikkeling Lelystad

1988 bepaalt, dat uiterlijk binnen acht maanden na de indiening van het

verzoek tot vaststelling van de premie een besluit moet zijn genomen en aan de

verzoeker moet zijn medegedeeld. Hetzelfde geldt met betrekking tot de

mogelijke restitu- tie. In dat onderhavige geval is het verzoek op 24 januari

1995 gedaan en heeft de staatssecretaris eerst op 22 december 1997, bijna twee

jaar na het verzoek, het besluit genomen.

Deze termijnoverschrijding is dermate groot dat H.P.T.C. het in strijd met het

vertrouwensbeginsel acht wanneer thans tot restitutie van reeds ontvangen

premies moet worden overgegaan. H.P.T.C. mocht erop vertrouwen dat de

premieaanvraag definitief zou worden goedgekeurd en dat mitsdien ook geen

verplichting zou ontstaan tot terugbetaling van reeds ontvangen voorschotten. "

Ter zitting heeft appellante onder meer de volgende toelichting op haar standpunt gegeven:

" Er is op het gemeentehuis in Lelystad, waarbij naast de gemeentelijke

vertegenwoordiger ook een vertegenwoordiger van het ministerie aanwezig

was, een uiteenzetting geweest van de activa/passiva transactie. Er is ook nog

een werkbezoek geweest van vertegenwoordigers van het ministerie tijdens de

nieuwbouw.

Er is noch door de gemeente, noch door het ministerie op enig moment

gewezen op de consequenties die uiteindelijk door de staatssecretaris zijn

getrokken. Sterker nog: door HPTC is uitdrukkelijk aan de overheid gevraagd

of de transactie zou kunnen leiden tot nadelige consequenties, waarop door de

overheidsinstanties ontkennend is geantwoord.

(.)

Door HPTC niet tijdens de bespreking van de voorgenomen plannen in kennis

te stellen van de gevolgen van de activa/passiva transactie voor de

subsidieverlening, acht HPTC het door de staatssecretaris uiteindelijk genomen

litigieuze besluit - intrekking van de subsidie en opleggen van

restitutieverplichting - in strijd met het vertrouwensbeginsel en het

zorgvuldigheidsbeginsel.

Strijdigheid met het vertrouwensbeginsel is tevens aanwezig op formele

gronden, gelet op de termijn die de minister in acht heeft genomen voor zijn

besluit, bijna twee jaar in plaats van de in de regeling zelf opgenomen termijn

van 8 maanden. "

5. De beoordeling van het geschil

5.1 In geschil is of verweerders weigering het premiebedrag vast te stellen, steun vindt in de

Premieregeling.

Appellante heeft daartoe op de eerste plaats aangevoerd dat de Premieregeling niet

voorschrijft dat nieuwe arbeidsplaatsen tot stand worden gebracht. Verweerder meent

daarentegen dat de term "het cre‰ren van nieuwe arbeidsplaatsen" het scheppen van voor

de gemeente Lelystad nieuwe arbeidsplaatsen betekent. Dienaangaande overweegt het

College als volgt.

Artikel 2 van de Premieregeling dient naar zijn tekst, gezien het woord "cre‰ren", aldus te

worden uitgelegd dat premie wordt verleend ter zake van nieuwe arbeidsplaatsen die met

het project tot stand worden gebracht. Zodanige uitleg is ook in overeenstemming met het

met de Premieregeling beoogde doel, te weten de stimulering van de sociaal-economische

ontwikkeling van Lelystad.

Blijkens het bestreden besluit begrijpt verweerder bovendien in het kader van deze

stimulering niet onder zodanige nieuwe arbeidsplaatsen, de arbeidsplaatsen die in fysieke

zin tot stand zijn gebracht met de investeringen in grond, een nieuw bedrijfsgebouw en

nieuwe bedrijfsuitrusting, en die vervolgens worden bezet door werknemers van een

overgenomen bedrijf dat eveneens in Lelystad was gevestigd. Naar het oordeel van het

College is deze uitleg verenigbaar met doel en strekking van de Premieregeling.

5.2.1 Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 13, vijfde lid, van de

Premieregeling, en met name op onderdeel c, dat ziet op het geval dat de ondernemer

zodanig onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, dat verweerder op de aanvraag

een andere beslissing zou hebben genomen, indien hem de juiste gegevens bekend waren

gemaakt. Verweerder acht weliswaar aannemelijk dat appellante tegenover onder meer een

ambtenaar van verweerders ministerie de bedoelde activa- en passivatransactie heeft

uiteengezet, maar stelt dat het contract inzake de bedrijfsovername hem eerst nadien

bekend is geworden.

Het College overweegt dienaangaande dat verweerder niet duidelijk heeft gemaakt en dat

ook overigens niet duidelijk is kunnen worden welke ter zake relevante informatie hij uit

dit contract heeft verkregen, waarover hij niet reeds ten tijde van zijn premietoezegging

van 18 mei 1993 beschikte na de uiteenzetting die hij had gekregen over de overgang van

(de) activa en passiva van de in moeilijkheden geraakte vennootschap AMBI. Met name

heeft verweerder niet aangegeven waarom deze overgang door hem niet is begrepen als

overgang van de onderneming van AMBI of een deel van deze onderneming in de zin van

het toenmalige artikel 1639 aa, eerste lid onder b, van het Vierde Boek van het Burgerlijk

Wetboek, waardoor de rechten en verplichtingen uit arbeidsovereenkomst jegens de bij

AMBI werkzame werknemers zijn overgegaan op appellante ingevolge het toenmalige

artikel 1639 bb van dit wetboek.

Evenmin valt derhalve in te zien waarom verweerder op de aanvraag om premie een andere

beslissing zou hebben genomen dan hij bij zijn besluit van 18 mei 1993 heeft gedaan,

indien hem bij bedoelde uiteenzetting over de overgang van activa en passiva van AMBI

het contract dat aan deze overgang ten grondslag ligt, zou zijn overgelegd.

Derhalve heeft verweerder voor het bestreden besluit tevergeefs een grondslag gezocht in

artikel 13, vijfde lid, aanhef en onder c, van de Premieregeling.

5.2.2 Verweerder heeft het bestreden besluit voorts doen steunen op artikel 13, vijfde lid, aanhef

en onder a, van de Premieregeling. Dienaangaande overweegt het College dat uit hetgeen

verweerder heeft gesteld en overigens is gebleken, niet valt af te leiden dat appellante niet

heeft voldaan aan de bij of krachtens artikel 11 gestelde voorwaarden.

Immers, tussen partijen is niet in geschil dat appellante binnen de termijn, bepaald in

genoemd artikelonderdeel, de betrokken grond, bedrijfsgebouwen en duurzame

bedrijfsmiddelen heeft verworven en in gebruik gesteld, waarmee in fysieke zin tenminste

tien arbeidsplaatsen zijn tot stand gebracht. Niet gebleken is dat deze verwerving en

ingebruikstelling niet is geschied overeenkomstig hetgeen bij de aanvraag is opgegeven en

nadien tegenover verweerder is uiteengezet over bedoelde activa- en passivatransactie met

AMBI.

Verweerder heeft niet gesteld, dat aan ‚‚n der andere bij of krachtens artikel 11 gestelde en

toepasselijke voorwaarden niet door appellante is voldaan.

Verweerder heeft derhalve ook onderdeel a van artikel 13, vijfde lid van de Premieregeling

niet aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen leggen.

5.2.3 Verweerder heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van het College in de zaak no.

95/0399/062/230, F, voorts betoogd dat de veronderstelling waarvan bij zijn

premietoezegging uitdrukkelijk is uitgegaan, namelijk dat het project van appellante was

gericht op nieuwe arbeidsplaatsen, thans geen punt van geschil kan zijn.

Dienaangaande stelt het College voorop dat in beide zaken bij de besluitvorming over de

vaststelling van de premie, het besluit tot toezegging daarvan een gegeven is. De afwijzing

van een verzoek om vaststelling van de premie dient evenwel gedragen te kunnen worden

door de daartoe door verweerder aan artikel 13 ontleende gronden.

In de zaak F had verweerder bij zijn premietoezegging uitdrukkelijk overwogen dat hij uit

de stukken en de mondelinge toelichting, verstrekt door aanvrager, heeft opgemaakt dat

alleen materi‰le activa van de voormalige, in Lelystad gevestigde eenmanszaak F waren

overgenomen. Voorts had verweerder bij zijn premietoezegging het voorbehoud gemaakt

de premie op nihil te zullen vaststellen, indien mocht blijken dat de aanvrager naast

voornoemde activatransactie op enigerlei wijze in de rechten en verplichtingen van de

voormalige eenmanszaak is getreden.

Anders dan in genoemde zaak is in de onderhavige zaak tijdens de aanvraagprocedure

informatie verstrekt over een transactie van appellante met een andere ondernemer, die niet

alleen materi‰le activa maar ook rechten en verplichtingen van die ondernemer betrof. In

deze informatie heeft verweerder geen aanleiding gezien tot een voorbehoud als hij eerder

in zijn toezegging aan F had gemaakt, maar verweerder heeft volstaan met een voorbehoud

voor het geval mocht blijken "dat minder dan tien arbeidsplaatsen zijn gecre‰erd". Uit de

tekst van dit voorbehoud, dat gelijkluidende is aan die van artikel 10, eerste lid, aanhef en

onder a, van de Premieregeling, volgt niet zonder meer en ondubbelzinnig dat appellante

de door haar beoogde premie alsnog zou mislopen in geval zij de arbeidsplaatsen die zij in

fysieke zin realiseerde, zou doen bezetten door werknemers die zij ingevolge bedoelde

activa- en passivatransactie gehouden was over te nemen.

Ook in hetgeen verweerder overigens heeft aangevoerd, heeft het College geen grondslag

gevonden voor verweerders stelling dat geen enkele twijfel kon bestaan over zodanige

nadelige gevolgen.

5.2.4 De slotsom is dat het bestreden besluit voor zover hierbij het verzoek om vaststelling van

de premie is afgewezen, niet berust op een deugdelijke motivering, in strijd met artikel

7:12 van de Algemene wet bestuursrecht is genomen en derhalve niet in stand kan blijven.

5.3 Reeds daarom ontbeert ook het bestreden besluit voor zover hierbij is beslist op het

bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen terugbetaling van het haar verleende voorschot,

een deugdelijke grondslag.

Ten overvloede overweegt het College voorts dat een besluit tot terugvordering als regel is

te baseren op onder meer onderzoek naar de financi‰le situatie van betrokkene, weging van

zijn kredietwaardigheid op korte termijn en wenselijkheid en aanvaardbaarheid van een

afbetalingsregeling.

5.4 De slotsom is dat het beroep gegrond dient te worden verklaard.

Het College acht voorts termen aanwezig voor nadere beslissingen als hierna in het dictum

van deze uitspraak vermeld. Verweerder is te veroordelen in de kosten van appellante in

verband met de behandeling van het beroep, die op de voet van het Besluit proceskosten

bestuursrecht bestaan uit kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand

(1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor verschijnen ter zitting).

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 3 juli 1998;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaarschrift van appellante beslist met in acht nemen van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure aan de zijde van appellante, vastgesteld op Ÿ 1.420,-- (zegge: eenduizend-vierhonderd-en-twintig gulden) en te

vergoeden aan appellante door de Staat der Nederlanden;

- bepaalt dat aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van Ÿ 420,-- (zegge: vierhonderd-en-twintig gulden) wordt vergoed door de Staat der Nederlanden;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, mr M.J. Kuiper en mr M. Vlasblom, in tegenwoordigheid van mr A.J. Medze, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2001.

w.g. H.C. Cusell w.g. A.J. Medze