Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB0545

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/96
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 99/96 15 februari 2001

11200

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

gemachtigde: mr R.H.M. Wagemans, advocaat te Maastricht,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,

gemachtigde: mr L.P. de Wit, werkzaam ten departemente.

1. De procedure

Op 25 januari 1999 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij

beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 14 december 1998.

Onder dagtekening 6 april 1999 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 4 januari 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Aldaar heeft verweerder

zijn standpunt nader uiteen doen zetten. Appellante heeft zich, ofschoon behoorlijk

opgeroepen, niet ter zitting doen vertegenwoordigen.

2. De grondslag van het geschil

Bij zijn oordeelsvorming gaat het College uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Appellante exploiteert een transportonderneming, die zich toelegt op het vervoer van

varkens. In verband met het uitbreken van de klassieke varkenspest vond ten tijde

hier in geding het transport van varkens hoofdzakelijk plaats in het kader van de

opkoopregeling van LASER, de overnameregeling van de Rijksdienst voor de

Keuring van Vee en Vlees (hierna: RVV) bij welzijnsproblemen op verdachte

bedrijven en het transport van levende varkens op preventief te ruimen bedrijven.

- Voor het gebied waarin de onderneming van appellante is gevestigd, gold een door

verweerder op grond van artikel 30 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

(hierna: Gwwd) uitgevaardigd vervoersverbod.

- Van dat vervoersverbod kan ingevolge artikel 107 van de Gwwd ontheffing worden

verleend. De verlening van zodanige ontheffingen is gemandateerd aan de directeur

van de Veterinaire Dienst van de RVV.

- Krachtens artikel 7.1 van het Besluit Dierenvervoer 1994 geldt als norm voor de

beladingsdichtheid bij het vervoer van varkens van circa 100 kg een gewicht van ten

hoogste 235 kg per vierkante meter. De overtreding van dit voorschrift is strafbaar

gesteld ingevolge de Wet op de Economische Delicten.

- Ontheffingen van de geldende vervoersverboden werden per individueel transport

verleend. Daartoe meldden de varkenshouders de op te kopen, over te nemen of te

ruimen varkens aan bij handelaren of bemiddelaars, die voor het laten verrichten van

het vervoer konden kiezen uit een aantal op een lijst van de RVV ingeschreven

vervoerders.

- Bij schrijven van 13 mei 1997 heeft verweerder aan - onder meer - de

Samenwerkende Veetransportbedrijven (hierna: SAVEETRA) het volgende te

kennen gegeven:

" Bij het vervoer van slachtvarkens en biggen voor de opkoopregeling, de

overname van dieren van verdachte bedrijven en de afvoer van dieren van

preventief te ruimen bedrijven worden nog steeds gevallen van overbelading

van veewagens geconstateerd.

Dit mag niet meer voorkomen.

Op grond van het Besluit dierenvervoer 1994 is de vervoerder verantwoordelijk

voor de toepassing van de voorschriften voor het vervoer van dieren. Dit is

onverkort voor het hierboven bedoelde vervoer van toepassen. Ook de

volgende situaties ontslaan de vervoerder niet van deze plicht:

- het aantal dieren vermeld op de ritontheffing zou leiden tot overbelading;

- de door het planningsteam RVV opgedragen aantal te vervoeren dieren voor

een rit zou leiden tot overbelading;

- de ritbegeleider, die namens RVV of Laser het vervoer begeleidt, treedt niet

op tegen overbelading of tegen het laden van wrakke dieren.

In al deze en dergelijke gevallen heeft de vervoerder de plicht er zelf voor te

zorgen dat de beladingsgraad correct wordt toegepast en dat wrak vee niet

wordt geladen.

Met de AID is afgesproken dat vanaf heden streng zal worden opgetreden tegen

overtredingen van de vervoersnormen. Bij constatering van een overtreding zal

de AID proces-verbaal opmaken. Indien dezelfde vervoerder twee keer een

proces-verbaal voor overtreding van het Besluit dierenvervoer 1994 krijgt

aangezegd, dan wordt die vervoerder door de RVV en Laser voor 4 weken

uitgesloten van vervoer voor opkoop- en overnameregeling en voor preventieve

ruiming.

Krijgt dezelfde vervoerder daarna opnieuw een proces-verbaal wegens

overtreding van het Besluit dan wordt hij door de RVV en Laser voor de gehele

varkenspestperiode van zulk transport uitgesloten."

- De Algemene inspectiedienst van verweerder heeft op 15 en 26 mei 1997 proces-

verbaal opgemaakt ter zake van overtredingen door appellante van vorenomschreven

beladingsnorm, gepleegd op 13, 14 en 26 mei 1997. Op 13 en 14 mei 1997 is in het

totaal vier maal de beladingsnorm met meer dan 25 kg overschreden.

- Bij schrijven van 28 mei 1997 is appellante, onder verwijzing naar het aan de

SAVEETRA gericht schrijven van 13 mei 1997, te kennen gegeven dat in verband

met evenvermelde feiten haar bedrijf met onmiddellijke ingang wordt uitgesloten van

het hiervoor genoemde vervoer van varkens, alsmede dat de maatregel geldt tot

25 juni 1997 en betrekking heeft op alle veetransportmiddelen van haar bedrijf.

- Tegen deze uitsluiting is vanwege appellante een bezwaarschrift ingediend. Tevens

heeft appellante met drie anderen verzocht om een voorlopige voorziening, als

bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De

president van het College heeft naar aanleiding daarvan bij uitspraak d.d.

12 juni 1997, nrs. AWB 97/723 t/m 97/726 beslist tot schorsing van genoemde

uitsluiting met ingang van 17 juni 1997. Die beslissing berust onder meer op de

volgende overwegingen:

" Bij het door verweerder gevoerde beleid ter zake van de handhaving van de

onderhavige voorschriften, leidt een herhaalde overtreding van de

beladingsnorm zonder meer tot het opleggen van de uniforme sanctie van

uitsluiting van deelname aan het vervoer van varkens voor een periode van vier

weken. Dit betekent in de huidige omstandigheden het stilleggen van de

onderneming voor die periode. Niet valt in te zien dat verweerder ter

handhaving van de litigieuze norm niet een stringent handhavingsbeleid zou

mogen hanteren. Daarbij dient echter het evenredigheidsbeginsel nauwkeurig

in het oog te worden gehouden. Zonder de belangen van het dierenwelzijn uit

het oog te verliezen zal daarbij ook met de belangen van de vervoerders

rekening gehouden moeten worden. Tegen die achtergrond komt de president

het hier gevolgde beleid te ongenuanceerd voor, nu dit niet voorziet in enige

vorm van individuele beoordeling, waarbij rekening kan worden gehouden met

factoren als de omvang van de onderneming, de mate waarin de norm is

overschreden en dergelijke. Daarbij komt dat van de zijde van verweerder op

geen enkele wijze duidelijk is gemaakt, waarom is gekozen voor een

uitsluitingsperiode van juist vier weken.

De president gaat ervan uit dat verweerder de behandeling van het

bezwaarschrift zal benutten om zich op deze vragen te bezinnen. Hangende die

behandeling behoren naar het oordeel van de president de verzoekende partijen

niet vrij-uit te gaan. Daarbij is van belang dat in alle gevallen, ten tijde van het

opmaken van het tweede procesverbaal nog steeds sprake was van

overtredingen van de norm met meer dan 10%. Bovendien waren de

verzoekende partijen er allen van op de hoogte dat ingeval voor de tweede keer

proces-verbaal ter zake van de beladingsnorm tegen hen werd opgemaakt er

maatregelen zouden volgen. De precieze datum waarop voor de eerste keer

proces-verbaal tegen hen werd opgemaakt doet daarbij niet ter zake. Evenmin

is doorslaggevend dat het bij het laden wellicht moeilijk in te schatten is hoe

het gewicht in het totaal zal uitvallen; dan dienen de vervoerders maar aan de

veilige kant te blijven.

Alles overziende acht de president een effect van de besluiten, neerkomende op

het uitsluiten van vervoer voor een periode van veertien dagen, in

overeenstemming met de aard en ernst van de door verzoekende partijen

begane overtredingen, zonder afbreuk te doen aan het door verweerder

nagestreefde doel om inachtneming van de beladingsnorm te bereiken."

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in.

" Ten aanzien van de inhoud van de besluiten merk ik nog het volgende op. Tot

de regels die het welzijn van dieren beogen te bevorderen behoorden de

beladingsnormen voor veevervoer, die er een bijdrage aan willen leveren dat

vee vanuit welzijnsoogpunt op een verantwoorde wijze wordt vervoerd. (.)

Ten behoeve van het vervoer van varkens in het kader van de opkoopregeling,

de overnameregeling en van de preventieve ruiming van varkensbedrijven

wordt in de gebieden waar een vervoersverbod geldt gebruik gemaakt van de

mogelijkheid die artikel 107 van de Wet biedt om ontheffing te verlenen.

In de protocollen die zijn opgesteld ten behoeve van het vervoer van varkens in

ingesloten gebieden is steeds het voorschrift opgenomen dat de beladingsnorm

van bij het transport betrokken voertuigen niet wordt overschreden. In bedoelde

protocollen is steeds een afzonderlijke passage opgenomen waarin wordt

ingegaan op de beladingsnormen. In de protocollen is eveneens aangegeven dat

het niet naleven van de voorwaarden zal worden aangemerkt als een

overtreding van het vervoersverbod en mee zal brengen dat nieuwe

ontheffingen voor het betrokken vervoermiddel niet zullen worden verleend.

Aan de protocollen is op ruime wijze bekendheid gegeven.

Nadat er in de praktijk herhaaldelijk overtredingen van de beladingsnorm

waren geconstateerd is aan de Samenwerkende Veetransporteurs (Saveetra) bij

brief van 13 mei 1997 onder meer bericht dat de beladingsnorm die volgt uit

het Besluit dierenvervoer 1994 ook geldt voor de transporten van varkens die

met ontheffing worden verricht binnen de ingesloten gebieden.

Daarbij is aangekondigd dat in de toekomst streng zal worden opgetreden tegen

overtreding van de vervoersnormen, waaronder de norm voor belading. De

AID zal van de betreffende overtreding proces-verbaal opmaken. Indien

dezelfde vervoerder twee keer een proces-verbaal voor overtreding van het

Besluit krijdt aangezegd, dan wordt die vervoerder voor vier weken uitgesloten

van vervoer voor de opkoop- en de overnameregeling, alsmede voor het

vervoer in het kader van de preventieve ruiming.

Uit de processen-verbaal blijkt dat u verklaard heeft de protocollen en de brief

van de RVV van 13 mei 1997 te kennen, zodat moet worden aangenomen dat

Saveetra gevolg heeft gegeven aan het verzoek de inhoud van de brief van

13 mei 1997 aan de leden bekend te maken.

Daarnaast geldt dat het niet ongewoon is dat de overheid bij zijn bestuurs- en

privaatrechtelijk handelen het voorkomen van strafbare feiten nastreeft. Dat is

rechtens niet alleen toelaatbaar, maar ook gewenst. In zoverre diende u, ook los

van protocollen en brieven, er rekening mee te houden dat in de toekomst geen

ontheffingen meer zouden worden verleend indien er strafbare feiten worden

geconstateerd. Dit klemt temeer wanneer het strafbare feiten betreft die in

nauwe relatie staan met de ontheffingen die in casu aan de orde zijn.

U voert aan dat de overtredingen die zijn begaan voor 15 mei 1997, het

moment waarop het gewijzigde beleid ten aanzien van overbelading bekend is

gemaakt, u niet kunnen worden tegengeworpen. Hierover merk ik het volgende

op. Vast staat dat u in ieder geval op het moment dat de tweede overtreding is

geconstateerd op de hoogte was van het feit dat er maatregelen genomen

zouden worden. De omstandigheid dat het eerste procesverbaal reeds werd

opgemaakt voor 15 mei 1997 maakt dat niet anders. De getroffen maatregelen

werden immers in het vooruitzicht gesteld bij het herhalen van de overtreding.

Op het moment dat de overtreding werd begaan waarop de maatregelen zouden

volgen, was u uitdrukkelijk op de hoogte van de consequenties die dat met zich

mee zou kunnen brengen.

U stelt dat u destijds onder grote druk moest werken en dat het gewicht van de

te laden varkens vaak moeilijk was in te schatten. Daarover merk ik het

volgende op. Gezien de omstandigheden waaronder destijds moest worden

gewerkt is het volstrekt duidelijk dat er regelmatig sprake is geweest van een

hoge werkdruk. Dit neemt naar mijn oordeel echter niet weg dat de

noodzakelijke werkzaamheden op verantwoorde wijze dienden te geschieden.

Dat is een van de redenen waarom is gewerkt met zogenaamde protocollen. De

inhoud van de protocollen is er op gericht te bevorderen dat de werkzaamheden

op een verantwoorde wijze worden verricht. Uiteraard realiseer ik mij dat onder

de gegeven omstandigheden het geen eenvoudige opgave was het gewicht van

de varkens te schatten. Dat is ook de reden geweest dat eerst bij het

overschrijden van de beladingsnorm met meer dan 25 kilogram per vierkante

meter daarvan een proces-verbaal is opgemaakt. In andere gevallen is er door

de Algemene Inspectiedienst alleen gewaarschuwd. Overigens merk ik op dat

het in verband met eventuele moeilijkheden bij het schatten van de gewichten

van de varkens het voor de hand zou liggen aan de veilige kant te blijven. Dit

geldt temeer nadat er door de AID waarschuwingen waren gegeven en er reeds

overtredingen waren geconstateerd.

Met betrekking tot de proportionaliteit van de opgelegde maatregelen merk ik

het volgende op. Naar aanleiding van de uitspraak van de President van het

College van Beroep voor het bedrijfsleven van 12 juni 1997, waarin het

bestreden besluit is geschorst met ingang van 17 juni 1997, heb ik mijn beleid

ten aanzien van de bij geconstateerde overbelading te treffen maatregelen

gewijzigd. Het gewijzigde beleid kwam op het volgende neer. Bij de eerste

geconstateerde overtreding van de beladingsgraad, waarbij de belading groter is

dan 260 kilogram per vierkante meter, ontvangt de eigenaar van het

transportmiddel waarmee de overtreding is begaan een waarschuwing. Bij een

tweede overtreding wordt aan de transporteur gedurende veertien dagen na het

begaan van de overtreding geen ontheffing meer verleend. Bij een derde

overtreding wordt aan de transporteur gedurende vier weken geen ontheffing

meer verleend. Een volgende overtreding leidt ertoe dat aan de transporteur

voor onbepaalde tijd geen ontheffing meer wordt verleend.

Doordat de te nemen maatregelen ingrijpender zijn naarmate het aantal

overtredingen toeneemt en slechts ernstige overtredingen van de beladingsnorm

(met meer dan 25 kg per vierkante meter) in aanmerking worden genomen,

voldoen de beschreven maatregelen naar mijn oordeel aan de eis van

evenredigheid. De doelstelling van het beleid is om door middel van het doen

naleven van de beladingsnormen het dierenwelzijn te bevorderen. Het is

uitdrukkelijk ook de verantwoordelijkheid van de bedrijfsleiding van de

transportonderneming om naleving van de beladingsnorm door haar

werknemers te bevorderen. Gezien het feit dat naleving van de beladingsnorm

slechts steeksproefsgewijs wordt gecontroleerd, acht ik het niet onevenredig dat

de eventueel op te leggen maatregelen betrekking hebben op alle

transportmiddelen van een onderneming.

(.)

Gezien het voorgaande is uw bezwaar gegrond voorzover het zich richt tegen

de maatregel om uw bedrijf voor vier weken uit te sluiten van ontheffingen van

het vervoersverbod. Overeenkomstig het naar aanleiding van de uitspraak van

de President van het College van Beroep voor het bedrijfsleven gewijzigde

beleid had die periode geen vier weken, maar twee weken moeten zijn. Als

gevolg van de door de President getroffen voorziening is de opgelegde

maatregel feitelijk maar twee weken effectief geweest, te weten van 28 mei tot

13 juni 1997. Derhalve is geen aanleiding u te compenseren voor het feit dat u

ten onrechte voor de periode van vier weken in plaats van voor twee bent

uitgesloten van een ontheffing van het vervoersverbod.

Conclusie

Op grond van het bovenstaande en overeenkomstig het advies van de

Commissie voor de bezwaarschriften, verklaar ik Uw bezwaarschrift gegrond

voorzover het zich richt tegen de tijdsduur van de tegen u getroffen

maatregelen. Voor het overige zijn uw bezwaren ongegrond."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft in beroep het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

" In de beslissing op de bezwaarschriften wordt door de Minister impliciet

erkend dat het schrijven d.d. 13 mei 1997 van de Minister van het Bedrijfschap

voor Handel en Vee en aan Saveetra appellanten eerst op 15 mei 1997 heeft

bereikt. In dat schrijven staat bovendien het strafstelsel aangekondigd indien

dezelfde vervoerder tweemaal een procesverbaal voor overtreding van het

Besluit Dierenvervoer 1994 krijgt aangezegd, omdat de vervoerder eerst dan

door de RVV en Laser voor vier weken wordt uitgestoten van vervoer voor

opkoop- en overnameregeling en voor preventieve ruiming. Bij een derde

proces-verbaal terzake volgt algehele uitsluiting.

Naar het oordeel van appellanten staat daarmee vast, dat de uitsluiting voor vier

weken, later door uw College en in bezwaar teruggebracht naar twee weken,

eerst als sanctie optreedt bij het tweede proces-verbaal. Naar het oordeel van

appellanten kan niemand onder een normering- c.q. strafstelsel worden

gebracht waarvan hij de inhoud niet kon kennen. Het schrijven d.d. 13 mei

1997 van de Minister met daarin de aankondiging van het strafstelsel is eerst

bij appellanten en overige branchegenoten binnengekomen op 15 mei 1997

(vide produktie Saveetra).

Een en ander brengt met zich dat overtredingen van v¢¢r die datum niet kunnen

worden geteld als sanctie voor volgende overtredingen. De eerste overtreding

ten aanzien van appellant C heeft plaatsgevonden op 13 mei 1997 en aldus kan

die niet worden meegeteld.

Vervolgens volgt de eerstvolgende overtreding op 20 mei 1997 en de derde op

22 mei 1997.

Een eventuele sanctie voor een sluitingsperiode van twee weken had eerst dan

kunnen ingaan, met als gevolg dat de overige overtredingen niet zouden hebben

kunnen plaatsvinden, omdat deze zouden zijn gevallen binnen de

sanctietermijn van de eerste twee weken.

Daarnaast geldt in beginsel voor het sanctiestelsel met betrekking tot de

overige appellanten, met in het bijzonder Gebr. Govers Varkensbedrijven,

welke de facto slechts twee overtredingen hebben begaan op 20 mei 1997 en

aldus zelfs in het aangekondigde stelsel nimmer tot algehele uitsluiting had

kunnen worden gekomen, nu zij immers het sanctiestelsel eerst kenen op

15 mei 1997.

Met betrekking tot appellant A was geen enkele maatregel mogelijk geweest,

aangezien er na 13 mei slechts ‚‚n overtreding heeft plaatsgevonden, welke

overtreding ook volgens het op dat moment kenbare beleid slechts had kunnen

leiden tot geen maatregel. Hetzelfde geldt overigens met betrekking tot E.

Naast de omstandigheid dat eerst sancties hadden mogen volgen als

aangekondigd nadat de sanctiemaatregelen bekend waren gemaakt omdat het

immers het moment was waarop appellanten daarmede rekening hadden

kunnen houden, is ook het toegepaste sanctiebeleid te grofmazig, nu immers op

geen enkele wijze rekening is gehouden met de omvang van de onderneming

van appellanten, en de mate waarin de norm door appellanten is overschreden.

Het gehanteerde beleid voorziet niet in enige vorm van individuele

beoordeling, doch kent slechts een uniforme indicatie toegepaste uitsluiting van

uiteindelijk na uitspraak van de President van uw College van twee weken,

welke uitsluiting voor de gehele onderneming geldt, waardoor een

onderneming met bijvoorbeeld maar ‚‚n vrachtwagen. In het ene geval staan er

vijftien combinaties stil met dito schade, en in het andere geval slechts ‚‚n. Op

deze wijze kan een sanctiebeleid niet worden toegepast. Het beleid is

onvoldoende ge‹ndividualiseerd."

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College ziet zich in dit geding allereerst geplaatst voor de vraag of eerdergenoemde

uitsluiting, waarvan appellante kennis is gegeven bij schrijven van 3 juni 1997, kan worden

aangemerkt als een besluit in de betekenis van artikel 1:3 van de Awb, zijnde een

schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke

rechtshandeling.

Blijkens hetgeen van de zijde van verweerder naar voren is gebracht, konden vervoerders

die wilden deelnemen aan het transport van varkens in zogenoemde ingesloten gebieden en

voldeden aan de ter zake geldende vereisten, zich laten registreren met het oog op de

plaatsing op een lijst van de RVV, welke plaatsing betekende dat de betrokken transporteur

voor iedere uit te voeren rit ontheffing verkreeg, als bedoeld in artikel 107, eerste lid, van

de Gwwd, van het destijds geldende vervoersverbod. Voor het transport van varkens in het

gebied waar een vervoersverbod gold, werden bedrijven ingeschakeld, die voorkwamen op

deze lijst. De werkwijze die in dat verband werd gevolgd, is neergelegd in protocollen van

de RVV.

Een uitsluiting als thans in het geding, hield in dat de betrokken onderneming (voor een

bepaalde periode) werd geschrapt van voormelde lijst van bedrijven die voor het vervoer

van varkens in het gebied waar een vervoersverbod gold, verzekerd waren van

ontheffingen. In feite betekende zulk een uitsluiting dat de betrokken onderneming voor de

duur van de schrapping van de lijst verstoken was van vervoersopdrachten als

vorenomschreven. Toepassing van genoemd artikel 107, eerste lid, kon in een dergelijke

situatie derhalve niet aan de orde komen.

Het College is in verband met vorenomschreven stelsel van toewijzing van

varkenstransporten en de daaraan verbonden toepassing van evengenoemd artikellid, van

oordeel dat een uitsluiting van dergelijke transporten als thans in het geding, een op

rechtsgevolg gerichte handeling betreft, strekkende tot uitoefening van een

publiekrechtelijke taak. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat verweerder bij

het treffen van sancties als hier in geding, het belang van het in genoemd artikellid

vermelde welzijn van dieren als maatstaf hanteerde.

In verband met het voorafgaande komt het College tot een bevestigende beantwoording

van de hiervoor geformuleerde vraag.

5.2 Met betrekking tot de vraag of het bestreden besluit, waarbij de bezwaren van appellante

voor zover gericht tegen de tijdsduur van de uitsluiting, gegrond zijn verklaard en de

bezwaren voor het overige ongegrond zijn verklaard, de rechterlijke toetsing kan doorstaan,

overweegt het College in de eerste plaats dat appellante de redelijkheid van de nadere

normering die verweerder naar aanleiding van de hierboven genoemde uitspraak van de

president van het College d.d. 12 juni 1997 heeft gegeven aan de toepassing van het middel

van uitsluiting, wat de duur van de sanctie betreft niet heeft betwist.

Wel heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het opleggen van een uitsluiting van twee

weken op de grond dat zij eerst op 15 mei 1997 op de hoogte is geraakt van voornoemde

brief aan de SAVREETA d.d. 13 mei 1997 en dat er na 15 mei 1997 sprake is geweest van

‚‚n overtreding. Derhalve had in verband met het in het bestreden besluit geformuleerde

sanctiebeleid moeten worden volstaan met het geven van een waarschuwing.

Voorts acht appellante het onjuist dat in het kader van genoemd beleid, dat in geval van

uitsluiting betekent dat de maatregel van toepassing is op alle transportmiddelen van de

betrokken onderneming, niet is voorzien in een individuele bejegening waarbij rekening

wordt gehouden met de situatie van die onderneming.

Met betrekking tot eerstgenoemde grief overweegt het College dat weliswaar ten tijde van

de eerste twee door appellante - op 13 en 14 mei 1997 - gepleegde overtredingen ter zake

waarvan proces-verbaal is opgemaakt, het stringente in meergenoemde brief van 13 mei

1997 geformuleerde beleid niet aan haar bekend was, doch dat zodanige overtredingen

destijds wel strafbare feiten opleverden ingevolge de Wet op de Economische Delicten.

Voorts was appellante - zoals van de zijde van verweerder naar voren is gebracht - op

15 mei 1997, dus v¢¢r het begaan van de overtreding op 26 mei 1997, op de hoogte van de

maatregelen die waren aangekondigd in meergenoemd schrijven van 13 mei 1997, en kon

zij derhalve tijdig haar handelwijze daarop afstemmen.

In verband met het voorafgaande is het College van oordeel dat verweerder niet onjuist

heeft gehandeld door bij de hantering van het thans aan de orde zijnde sanctiebeleid het

proces-verbaal van 26 mei 1997 aan te merken als het tweede proces-verbaal ter zake van

overtreding van de beladingsnormen.

Met betrekking tot de bezwaren inzake het uitsluiten van alle transportmiddelen van een

onderneming onderschrijft het College de zienswijze van verweerder dat het beperken van

de maatregel tot het voertuig waarmee de overtreding is begaan, een aantal minder

gewenste effecten heeft. Daartoe is vanwege verweerder gesteld dat een transporteur die de

beschikking heeft over betrekkelijk veel transportmiddelen, de maatregelen gedeeltelijk

zou kunnen ontgaan door slechts die transportmiddelen waarmee reeds een overtreding is

begaan, niet meer te zwaar te beladen, en dat een ondernemer die slechts ‚‚n of enkele

transportmiddelen heeft, relatief zwaar wordt getroffen in zijn bedrijfsvoering.

Het College ziet, in verband met het voorafgaande en gelet op de belangen die worden

gediend met een zo uniform en effectief mogelijk sanctiebeleid, dat strekt ter voorkoming

van overtreding van eerdergenoemde beladingsnormen, geen grond voor het oordeel dat

verweerder door een uitsluiting van toepassing te doen zijn op alle transportmiddelen van

de betrokken onderneming, de grenzen van een redelijke beleidsbepaling heeft

overschreden.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep niet kan slagen.

Het College acht ten slotte geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met

toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, mr H.C. Cusell en mr J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2001.

w.g. C.M. Wolters w.g. W.F. Claessens