Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB0529

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-02-2001
Datum publicatie
08-08-2001
Zaaknummer
AWB 00/674
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2001, 176

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/674 28 februari 2001

14860

Uitspraak in de zaak van:

A en B, te C, appellanten,

gemachtigde: mr I.C.E. Anemaet, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand te Noordwijk aan Zee,

tegen

Het College van burgemeester en wethouders van Leiden, in zijn hoedanigheid van bestuursorgaan van de

centrumgemeente BOS- Leiden, verweerder,

gemachtigde: mr J.M.L. Spannenburg, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 31 maart 2000 heeft de arrondissementsrechtbank te 's- Gravenhage, sector bestuursrecht, van appellanten een beroepschrift

ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een op 24 februari 2000 verzonden besluit van verweerder.

Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellanten tegen verweerders besluit tot vaststelling van de dienstregeling

1999-2000 lokaal openbaar vervoer Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest en Voorschoten, waarbij onder meer de dienstregeling

voor buslijn 30 werd vastgesteld, ongegrond verklaard.

Bij brief van 28 april 2000 hebben appellanten, onder overlegging van een aantal bijlagen, de gronden voor hun beroep

ingediend.

Verweerder heeft op 25 mei 2000 een groot aantal op deze procedure betrekking hebbende stukken toegezonden.

Verweerder heeft op 29 juni 2000 een verweerschrift ingediend.

Bij een op 7 augustus 2000 verzonden brief heeft de griffier van de arrondissementsrechtbank ingevolge artikel 6:15 van de

Algemene wet bestuursrecht

(hierna: Awb) het aldaar inmiddels opgebouwde dossier ter afhandeling doorgezonden aan het College.

Bij griffiersbrief van 6 november 2000 is vervoersonderneming Connexxion B.V. te Rotterdam - gelet op het bepaalde in

artikel 8:26 Awb - in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Daarop is geen reactie ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2000, waarbij partijen hun standpunt nader hebben toegelicht,

appellanten bij monde van mr M. Roelofs, kantoorgenoot van de gemachtigde en verweerder eveneens bij gemachtigde.

Bij faxbericht van 14 december 2000 hebben appellanten gereageerd op het ter zitting verhandelde.

Gelet op de inhoud van dit faxbericht heeft het College bij beschikking van 18 december 2000 het onderzoek in deze zaak

heropend.

Bij griffiersbrief van 18 december 2000 is verweerder gevraagd om nadere informatie te verschaffen. Verweerder heeft deze

informatie verstrekt bij brief van 11 januari 2001.

Nadat appellanten bij griffiersbrief van 1 februari 2001 is gevraagd of zij een nadere behandeling van dit beroep ter zitting

gewenst achtten, is door hen bij faxbericht van

8 februari 2001 meegedeeld dat zij hiervan afzien. In dit bericht hebben zij tevens gereageerd op de door verweerder verstrekte

informatie.

Verweerder heeft bij faxbericht van 7 februari 2001 meegedeeld geen behoefte te hebben aan een nadere behandeling ter

zitting.

Hierop is het onderzoek in deze zaak gesloten.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet personenvervoer (hierna: de Wet) is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 4

Bij de uitvoering van deze wet dient een afweging te worden gemaakt tussen de omvang en het gebruik van goed

functionerend openbaar vervoer, de noodzaak van openbaar vervoervoorzieningen voor degenen die op dit vervoer

zijn aangewezen, het gebruik van particulier personenvervoer per auto, verkeersveiligheid, ruimtelijke ordening,

milieubeheer, energiegebruik en de beschikbare financi‰le middelen.

Artikel 14

Lid 1: Burgemeester en wethouders stellen tenminste eenmaal per jaar de dienstregeling van het lokale

openbaar vervoer vast met inachtneming van het bepaalde bij artikel 4.

Lid 2: Zij stellen belanghebbenden in de gelegenheid wensen kenbaar te maken ten aanzien van de dienstregeling

van het lokale openbaar vervoer.

(.)

Artikel 65

Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van

Beroep voor het bedrijfsleven."

De bevoegdheid tot het vaststellen van de dienstregeling voor interlokaal vervoer is indertijd door de Minister op grond van

artikel 21 van de Wet gedelegeerd aan het Beleidsorgaan Openbaar Vervoer subsidi‰rende gemeenten ( BOS Leiden). Blijkens

de op artikel 21 van de Wet gebaseerde Samenwerkingsovereenkomst Openbaar Vervoer Agglomeratie Leiden 1988 zijn de

bevoegdheden inzake openbaar vervoer binnen de agglomeratie overgedragen. Deze overdracht is, blijkens de

overgangsbepalingen, ook na de inwerkingtreding van de nieuwe wet (Stb. 1997, 559) in stand gebleven.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College

komen vast te staan.

- Appellant A heeft, naar aanleiding van het voornemen van verweerder om bij de vaststelling van de dienstregeling lokaal

openbaar vervoer 1999/2000 de route van buslijn 30 te laten lopen door de straten C en D in de wijk de Coebel te Leiden,

gebruik gemaakt van de mogelijkheid zijn zienswijze kenbaar te maken.

- Bij brief van 22 april 1999 heeft appellant B bij verweerder gereageerd op diens voornemen om bij de vaststelling van de

dienstregeling lokaal openbaar vervoer 1999/2000 de route van bus 30 te laten lopen door de wijk de Coebel.

- Bij brief van 20 mei 1999 deelt verweerder appellanten mee besloten te hebben de dienstregeling openbaar vervoer -

onder meer omvattende een gewijzigde route voor buslijn 30 - voor de periode 30 mei 1999 tot en met 27 mei 2000

conform zijn voornemen te hebben vastgesteld. Tevens deelt verweerder mee de reeds eerder aangekondigde

verkeersmaatregelen in de wijk de Coebel te zullen nemen. Openbaarmaking van deze besluiten vindt plaats in de

stadskrant van de gemeente Leiden van 21 mei 1999.

- Bij brief van 24 juni 1999 - door verweerder ontvangen op 30 juni 1999 - maakt appellant A bezwaar tegen de

vaststelling van de dienstregeling en de te treffen verkeersmaatregelen. Door appellant B is op 29 juni 1999 een

bezwaarschrift ingediend.

- Nadat appellanten hun standpunt toegelicht hebben op een op 27 augustus 1999 gehouden hoorzitting adviseert de

commissie voor de bezwaarschriften verweerder op 10 december 2000 de bezwaren ongegrond te verklaren. Bij een op

24 december 2000 verzonden besluit verklaart verweerder, onder overneming van het advies van de commissie, de

bezwaren ongegrond. Onder dit besluit vermeldt verweerder dat beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank te 's-

Gravenhage, sector bestuursrecht.

- Vervolgens stellen appellanten op 31 maart 2000 beroep in bij de arrondissementsrechtbank, sector bestuursrecht.

- Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting hebben appellanten bij faxbericht van 14 december 2000 het volgende

meegedeeld:

" Ter zitting heeft de gemeente aangevoerd dat appellanten geen bezwaar hebben ingediend tegen het besluit

dienstregeling 2000/2001 van lijn 30.

Na de zitting is mij gebleken dat mijn kantoorgenoot, mr I.C.E. Anemaet, destijds heeft ge‹nformeerd bij

Connexxion naar het besluit dienstregeling 2000/2001. Connexxion heeft desgevraagd medegedeeld dat een besluit

dienstregeling slechts wordt genomen indien er wijzigingen in de dienstregeling worden doorgevoerd.

De dienstregeling 2000/2001 heeft geen wijzigingen ondergaan ten opzichte van de onderhavige dienstregeling

1999/2000 zodat de gemeente geen nieuw besluit heeft genomen. Dat is de achterliggende reden waarom

appellanten geen bezwaar hebben ingediend tegen de dienstregeling 2000/2001.

Gelet op het vorenstaande hebben appellanten dus wel degelijk belang bij de gevoerde procedure."

- Bij brief van 11 januari 2001 heeft verweerder stukken overgelegd, waaruit blijkt dat de dienstregeling openbaar vervoer

2000/2001 (ingaande 2 juli 2000 en eindigend op 27 mei 2001) ter inzage heeft gelegen van 16 juni 2000 tot 30 juni

2000. Daarnaast is de dienstregeling gepubliceerd in de Stadskrant van de gemeente Leiden van

9 juni 2000. De dienstregeling van buslijn 30 is ten opzichte van de dienstregeling 1999/2000 niet gewijzigd.

- Bij faxbericht van 8 februari 2001 hebben appellanten nog het volgende meegedeeld:

" Naar aanleiding van de door u bij brief van 25 januari jl. toegezonden stukken van de gemeente bericht ik u als

volgt. Appellanten moeten erkennen dat de vaststelling van de dienstregeling 2000-2001 is gepubliceerd in de

Stadskrant Leiden. Wel merken zij op dat het hun op grond van de advertentietekst onvoldoende kenbaar was dat

de invoering van de dienstregeling 1999-2000 van lijn 30 zeer omstreden is terwijl de gemeente geen reden had om

te veronderstellen dat de dienstregeling 2000-2001 van lijn 30 wordt geaccepteerd door belanghebbenden.

Voorts wordt door de gemeente niet weersproken dat de dienstregeling 2000-2001 van lijn 30 niet is gewijzigd ten

opzichte van 1999-2000.

Gelet op het vorenstaande zijn appellanten van mening dat het hen niet kan worden verweten dat zij geen bezwaar

hebben aangetekend tegen de dienstregeling 2000-2001. Nu de dienstregeling niet is gewijzigd, gelden de

bezwaren en het beroepschrift zoals ingesteld tegen de dienstregeling 1999-2000 onverkort voor de dienstregeling

2000-2001."

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt - kort samengevat - onder meer het volgende in.

Verweerder erkent dat de inspraakronde voorafgaande aan de vaststelling van de besluiten niet altijd even correct is verlopen.

Niettemin ziet verweerder geen aanleiding tot heroverweging van de besluiten waarvan bezwaar.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben ter ondersteuning van het beroep uitvoerig gemotiveerd aangegeven waarom de besluiten zowel op

formele als op materi‰le gronden niet in stand kunnen blijven.

Gelet op de hierna volgende beslissing ziet het College er van af het standpunt van appellanten hier verder weer te geven.

5. De bevoegdheid van verweerder

Het College stelt - onder verwijzing naar hetgeen onder 2.1 van deze uitspraak is opgemerkt - vast dat verweerder, in zijn

hoedanigheid van bestuursorgaan van de Centrumgemeente BOS-Leiden bevoegd is de dienstregeling voor openbaar vervoer

binnen de agglomeratie vast te stellen.

6. De beoordeling van de bevoegdheid van het College en de ontvankelijkheid van het beroep

Het beroep is allereerst gericht tegen het besluit van verweerder met betrekking tot de dienstregeling 1999/2000 van buslijn 30.

Het College is op grond van artikel 65 van de Wet bevoegd van dit beroep kennis te nemen.

Het beroep is echter ook gericht tegen een besluit van verweerder als bestuursorgaan van de gemeente Leiden om bepaalde

verkeersmaatregelen te nemen in de wijk "de Coebel". Met betrekking tot dit deel van het beroep is er geen wettelijk

voorschrift aan te wijzen dat het College bevoegd verklaart van een dergelijk beroep kennis te nemen. Ter zake van dit beroep

tegen de verkeersmaatregelen moet het College zich onbevoegd verklaren daarvan kennis te nemen.

Met betrekking tot het beroep gericht tegen het besluit omtrent de dienstregeling dient het College allereerst in te gaan op het

processueel belang dat belanghebbenden thans nog hebben bij een uitspraak op hun beroep tegen een dienstregeling die op 27

mei 2000 eindigde.

Ter zitting hebben appellanten verklaard dat door hen geen bezwaar is gemaakt tegen de nieuwe dienstregeling 2000/2001 die

door verweerder ingaande 2 juli is vastgesteld. Deze nieuwe dienstregeling, die geen wijzigingen omvat ten opzichte van de

dienstregeling voor buslijn 30 in de periode tot 28 mei 2000, is door appellanten niet aangevochten en vervolgens rechtens

onaantastbaar geworden. Desgevraagd hebben appellanten ter zitting verklaard geen schade te hebben geleden ten gevolge van

de door verweerder vastgestelde dienstregeling 1999/2000. Daarmee staat vast dat thans van enig rechtens te honoreren belang

bij een uitspraak op het beroep tegen de dienstregeling 1999/2000 geen sprake is.

Appellanten hebben betoogd dat navraag bij busmaatschappij Connexxion hen had geleerd dat er alleen een nieuwe

dienstregeling wordt vastgesteld als deze gewijzigd is ten opzichte van de vorige.

Voorts hebben zij betoogd dat zij uit de advertentietekst omtrent de invoering van de dienstregeling 2000/2001 niet konden

begrijpen dat daarbij ook een nieuwe dienstregeling voor buslijn 30 werd vastgesteld.

Dienaangaande overweegt het College, dat een en ander niet wegneemt dat appellanten geen bezwaar gemaakt hebben zodat de

dienstregeling 2000-2001 rechtens onaantastbaar geworden is. De waarde van de aangevoerde argumenten kan in de huidige

procedure niet gewogen worden. Slechts als appellanten alsnog bezwaar gemaakt zou hebben, zou beoordeeld zijn, of deze

argumenten het te laat indienen van een bezwaarschrift konden verontschuldigen. Nu dat niet gebeurd is, moet het College van

het rechtens vaststaan van de dienstregeling 2000-2001 uitgaan.

Tenslotte voeren appellanten aan dat hun bezwaren tegen de dienstregeling 1999/2000 ook gelden tegen de nieuwe

dienstregeling 2000/2001, nu deze ten aanzien van eerstgenoemde niet gewijzigd is. Het College begrijpt dit aldus, dat

appellanten de verwachting hebben dat verweerder in een uitspraak over de dienstregeling 1999/2000 aanleiding zal vinden de

dienstregeling 2000/2001 aan te passen. Deze niet op enige juridische grondslag gebaseerde gedachte maakt niet dat

appellanten daardoor alsnog belang hebben bij de een uitspraak op hun beroep.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het beroep, voor zover gericht tegen de dienstregeling wegens verval van procesbelang

niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene

wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart zich onbevoegd van het beroep kennis te nemen voor zover gericht tegen het besluit tot het treffen van

verkeersmaatregelen in de wijk "de Coebel";

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen de vaststelling van de dienstregeling niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr W.E. Doolaard en mr F.W. du Marchie Sarvaas in tegenwoordigheid van mr Th. J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2001.

w.g. D. Roemers w.g. Th. J van Gessel