Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB0306

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/969
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 99/969 21 februari 2001

5125

Uitspraak in de zaak van:

de maatschap A, B en C, Appellante,

gemachtigde: mr J. van Groningen, advocaat te Middelharnis,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr J.J.H.M. Hanssen, werkzaam bij verweerder

1. De procedure

Op 26 november 1999 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen,

waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 15 oktober 1999.

Bij dat besluit heeft verweerder afwijzend beslist op het bezwaar van appellante tegen zijn

besluit van 17 februari 1999, waarbij de aanvraag van appellante om premie ingevolge

artikel 2.3 van de Regeling dierlijke EG-premies (hierna: de Regeling) is afgewezen.

Verweerder heeft op 9 februari 2000 een verweerschrift ingediend.

Op 10 januari 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. De gemachtigden van

partijen hebben bij die gelegenheid de wederzijdse standpunten nader uiteengezet.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Regeling strekt onder meer tot uitvoering van Verordening (EEG) no. 805/68 houdende

een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, en de ter uitvoering

hiervan vastgestelde Raads- en Commissieverordeningen.

Ingevolge artikel 2.3 van de Regeling kan, voorzover hier van belang, aan producenten die

op hun bedrijf stieren houden onder nader in dit artikel genoemde omstandigheden en

voorwaarden op hun verzoek jaarlijks na afloop van het betrokken verkoopseizoen een

premie worden verleend.

De premie voor runderen wordt begrensd door het voor het bedrijf van de producent

geldende veebezettingsgetal, dat onder meer wordt bepaald door het door het bedrijf in het

kader van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen opgegeven voederareaal.

Indien geen voederareaal is opgegeven geldt een maximum van 15 grootvee-eenheden

(GVE). E‚n stier in de leeftijdscategorie van 6 maanden tot 2 jaar levert op grond van de

toepasselijke communautaire regelgeving 0,6 GVE op.

De Regeling definieert voorts in artikel 1.1, voor zover hier van belang, een bedrijf als het

geheel van de door de producent beheerde of te zijner beschikking gestelde productie-

eenheden waarvan hij de eigenaar, vruchtgebruiker of erfpachter is, dan wel pachter op

basis van een door de grondkamer goedgekeurd of geregistreerd pachtcontract.

De producent wordt ingevolge dit artikel, eveneens voor zover hier van belang,

gedefinieerd als individueel bedrijfshoofd, natuurlijke of rechtspersoon of

samenwerkingsverband van natuurlijke of rechtspersonen die c.q. dat op zijn bedrijf

runderen houdt.

In artikel 1.3 van de Regeling is bepaald, dat een wijziging van de fysieke of financi‰le

structuur van een bedrijf na 30 juni 1992 voor de toepassing van de Regeling buiten

beschouwing wordt gelaten, indien die wijziging hoofdzakelijk het doel heeft de

verplichtingen van de in artikel 1, eerste lid, (het College leest: artikel 1.1, eerste lid)

genoemde verordeningen of deze Regeling te ontgaan.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten

en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante is een sedert 1994 bestaande maatschap van A en C. In juli 1997 is hun

beider zoon B tot de maatschap toegetreden. Appellante heeft zich in het verleden

beziggehouden met de teelt van varkens te Oijen. Daar hield zij ook stieren.

- Het bedrijf te Oijen is in 1996 be‰indigd. In 1997 is een nieuw bedrijf gekocht te

Dreumel. Men is in afwachting van een vergunning om daar de varkensteelt te

hervatten.

- Appellante heeft in november 1997 een aanvraag ingediend om premie ingevolge de

regeling voor 25 stieren in de leeftijdscategorie van 8 tot en met 20 maanden.

- Deze aanvraag is afgewezen, omdat de aangemelde stieren niet op eigen bedrijf

werden aangehouden, maar in de stallen die behoren tot het bedrijf van

A Landbouwbedrijf B.V. (hierna: de B.V.).

- Het College heeft het tegen dit besluit gerichte beroep bij uitspraak van 7 juni 2000,

no. Awb 99/13, afgewezen op grond van de overweging, dat niet staande kon worden

gehouden, dat de B.V. en de maatschap (appellante) als afzonderlijke bedrijven

moeten worden aangemerkt. Aan deze overweging lag met name de feitelijke

vaststelling ten grondslag, dat appellantes stieren tussen de ongeveer 300 stieren van

de B.V. gestald waren, terwijl bovendien voor de ten name van appellante

aangeschafte stieren geen betaling aan de B.V. had plaatsgevonden.

- Voor het verkoopseizoen 1998 heeft appellante wederom een aanvraag om premie

ingevolge de regeling ingediend.

- Genoemde aanvraag is op 17 februari 1999 namens verweerder afgewezen.

- Bij schrijven van 23 februari 1999 heeft appellante tegen dit besluit bezwaar

gemaakt.

- Ter hoorzitting van 27 september 1999 is aangegeven dat appellante de stieren van de

B.V. gekocht heeft. In een telefoongesprek na de hoorzitting is verklaard dat

appellante de stieren, waarop de aanvraag voor 1998 betrekking had, zelf rechtstreeks

in Frankrijk gekocht heeft en dat ze gehouden werden in een apart gedeelte van de

stal van de B.V.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt - samengevat - onder meer het volgende in.

Onder verwijzing naar de jurisprudentie van het College wordt voor beantwoording van de

vraag of hier sprake is van een nieuw bedrijf dat speciaal is opgericht om de beperkende

werking van het veebezettingsgetal te omzeilen, beslissend geacht of sprake is van een

feitelijke wijziging in de gang van zaken na oprichting van het nieuwe bedrijf.

Geconstateerd wordt, dat zodanige wijziging in dit geval niet valt aan te wijzen. De stieren

zijn alleen op papier van de B.V. naar appellantes maatschap verhuisd. Nu ook overigens

niet gebleken is, dat met de wijziging van het onderbrengen van de stieren in de maatschap

enig ander overtuigend belang gemoeid is dan het omzeilen van de beperkende werking

van het veebezettinsgetal, neemt verweerder aan, dat feitelijk sprake is van ‚‚n bedrijf.

Hierbij wordt nog gewezen op het feit, dat het houden van stieren voor appellante van

incidentele aard is.

In het verweerschrift wordt erop gewezen, dat de B.V. voor maximaal 90 stieren premie

kan ontvangen, terwijl zij over meer stieren beschikt. Daarnaast wordt aangegeven, dat de

heer A zowel de dieren van de maatschap als die van de B.V. verzorgt.

Een en ander leidt verweerder tot de conclusie, dat er sprake is van zodanige verwevenheid

dat sprake is van ‚‚n bedrijf in de zin van de Regeling.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - onder meer het volgende

tegen het bestreden besluit aangevoerd.

De maatschap is in 1994 opgericht en in 1997 is B na be‰indiging van zijn studie tot de

maatschap toegetreden. Er is geen enkele reden om aan te nemen, dat de oprichting of

wijziging van de maatschap door oneigenlijke motieven in de zin van artikel 1.3 van de

Regeling zou zijn ingegeven.

Omdat de maatschap in verband met vergunningsperikelen niet kan beschikken over de

door haar aangekochte bedrijfsruimte te Dreumel heeft zij voor haar activiteiten stalruimte

gehuurd bij de B.V. Dit enkele feit rechtvaardigt geenszins de conclusie, dat maatschap en

B.V. tezamen ‚‚n bedrijf zouden vormen of dat sprake zou zijn van ‚‚n producent in de zin

van de regeling.

5. De beoordeling van het geschil

Met appellante constateert het College, dat zich hier niet een situatie als bedoeld in artikel

1.3 van de Regeling voordoet, waarin een maatschap is opgericht of van samenstelling

gewijzigd hoofdzakelijk met het doel de verplichtingen van de in artikel 1.1, eerste lid van

de Regeling genoemde verordeningen of de Regeling te ontgaan.

Wel stelt het College vast, dat hetgeen aangevoerd is over de bedrijfsvoering in Berlicum,

waar 300 stieren gehouden worden in een stal van de B.V., terwijl deze stieren verzorgd

worden door de heer A en gevoederd worden uit de ter plaatse aanwezige algemene

voedselvoorraad, niet de conclusie rechtvaardigt, dat de stieren van appellante, ook al

worden zij in een apart deel van de stal gehouden, in de zin van artikel 2.3 van de

Regeling op haar bedrijf zijn gehouden. Er is immers op het bedrijf in de zn van artikel 1.1

van de Regeling geen sprake van een aparte bedrijfsvoering door de maatschap. Waar

slechts ‚‚n bedrijfsvoering valt aan te wijzen kan daarvoor slechts ‚‚n producent

verantwoordelijk zijn.

In het onderhavige geding kan buiten beschouwing blijven of de bedrijfsvoering ter plaatse

geschiedt door de B.V. dan wel door een samenwerkingsverband van rechtspersonen als

bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling.

Het volstaat om te constateren dat appellante voor wat betreft de hier aan de orde zijnde

bedrijfsvoering in elk geval niet zelfstandig als producente kan worden aangemerkt.

Derhalve kan zij niet voor premie ingevolge de Regeling in aanmerking komen.

Het beroep wordt dan ook ongegrond verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing

van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr M.J. Kuiper en mr W.E. Doolaard in tegenwoordigheid van mr Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2001.

w.g. D. Roemers w.g. Th. J. van Gessel