Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB0304

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-02-2001
Datum publicatie
28-02-2001
Zaaknummer
AWB 98/519 t/m 98/525
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Nrs. AWB 98/519 t/m 98/525 21 februari 2001

5040

Uitspraak in de zaken van:

A & B B.V., te C, appellante,

gemachtigde: mr H.J. Bronkhorst, advocaat te 's-Gravenhage,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr B.C. Brouwer, werkzaam bij de Belastingdienst/Douane district Arnhem.

1. De procedure

Bij afzonderlijke besluiten van 7 mei 1998 heeft de Belastingdienst/Douane district

Arnhem namens verweerder de bezwaren van appellante tegen de aan haar op

27 november 1995 onderscheidenlijk 27 oktober 1995 gezonden uitnodigingen tot betaling

van fl. 70.307,30, fl. 114.100,--, fl. 74.250,--, fl. 74.250,--, fl. 74.775,--, fl. 74.795,-- en

fl. 74.775,-- aan landbouwheffing, ongegrond verklaard.

Bij afzonderlijke op 17 juni 1998 ter griffie ontvangen beroepschriften heeft appellante

tegen de besluiten van 7 mei 1998 beroep ingesteld bij het College.

Verweerder heeft op 24 september 1998 in de afzonderlijke zaken een verweerschrift

ingediend.

Op 1 oktober 1999 heeft appellante het College een nadere memorie doen toekomen.

Het College heeft de zaken gevoegd behandeld en onderzocht ter zitting van

13 oktober 1999, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten hebben

toegelicht. Voorts zijn daar D en E als getuige gehoord. Vervolgens is het onderzoek

gesloten.

Bij beschikking van 9 februari 2000 heeft het College het onderzoek heropend.

Bij brieven van 7 maart 2000 onderscheidenlijk 31 maart 2000 hebben partijen hun

standpunt nader uiteengezet.

Het onderzoek is voortgezet ter zitting van het College van 12 juli 2000 en is vervolgens

gesloten.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De artikelen 203 en 204 van het Communautair Douanewetboek (hierna: CDW) luiden als

volgt:

" Artikel 203

1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat indien aan rechten bij invoer

onderworpen goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken.

2. De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de goederen aan het

douanetoezicht worden onttrokken.

3. Schuldenaren zijn:

- de persoon die de goederen aan het douanetoezicht heeft onttrokken;

- de personen die aan deze onttrekking hebben deelgenomen terwijl zij wisten

of redelijkerwijze hadden moeten weten dat de goederen aan het

douanetoezicht werden onttrokken;

- de personen die de betrokken goederen hebben verworven of deze onder

zich hebben gehad en die op het ogenblik waarop zij de goederen

verwierven of ontvingen, wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten

dat deze aan het douanetoezicht waren onttrokken;

- alsmede, in voorkomend geval, de persoon die de verplichtingen welke

voortvloeien uit de tijdelijke opslag van de goederen of uit het gebruik van

de douaneregeling waaronder deze waren geplaatst, dient na te komen.

Artikel 204

1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat:

a) indien niet wordt voldaan aan een van de verplichtingen welke ten

aanzien van aan rechten bij invoer onderworpen goederen

voortvloeien uit de tijdelijke opslag van deze goederen of uit het

gebruik van de douaneregeling waaronder zij zijn geplaatst of,

b) indien een van de voorwaarden die voor de plaatsing van de goederen

onder deze regeling of voor de toekenning van een verlaagd recht bij

invoer of van een nulrecht uit hoofde van de bijzondere bestemming

van de goederen zijn gesteld, niet in acht is genomen,

in andere gevallen, dan die bedoeld in artikel 203, tenzij vaststaat dat dit

verzuim zonder werkelijke gevolgen is gebleven voor de juiste werking van

de tijdelijke opslag of de betrokken douaneregeling.

2. De douaneschuld ontstaat, hetzij op het tijdstip waarop niet meer wordt

voldaan aan de verplichting waarvan de niet-nakoming de douaneschuld

doet ontstaan, hetzij op het tijdstip waarop de goederen onder de betrokken

douaneregeling werden geplaatst, wanneer achteraf blijkt dat aan een van de

voorwaarden voor de plaatsing van de genoemde goederen onder deze

regeling of voor de toekenning van een verlaagd recht bij invoer of van een

nulrecht uit hoofde van de bijzondere bestemming van de goederen, niet is

voldaan.

3. Schuldenaar is de persoon die, naar gelang van het geval, hetzij de

verplichtingen moet nakomen welke ten aanzien van aan rechten bij invoer

onderworpen goederen voortvloeien uit de tijdelijke opslag of uit het

gebruik van de douaneregeling waaronder deze goederen zijn geplaatst,

hetzij de aan de plaatsing van de goederen onder de regeling verbonden

voorwaarden in acht moet nemen."

Artikel 215 van het CDW luidde, voorzover hier van belang:

" 1. De douaneschuld ontstaat op de plaats waar de feiten zich voordoen die tot

het ontstaan van deze schuld leiden.

2. Indien de in lid 1 bedoelde plaats niet kan worden bepaald, wordt de douane-

schuld geacht te zijn ontstaan op de plaats waar de douaneautoriteiten

vaststellen dat de goederen zich in een situatie bevinden die tot het ontstaan

van een douaneschuld heeft geleid.

3. Indien een douaneregeling voor bepaalde goederen niet is be‰indigd, wordt

de douaneschuld geacht te zijn ontstaan:

- op de plaats waar de goederen onder de regeling zijn geplaatst, of

- op de plaats waar de goederen de Gemeenschap onder de betrokken regeling

zijn binnengekomen."

De artikelen 378 en 379 van de Toepassingsverordening van het CDW (hierna: TCDW)

luiden als volgt:

" Artikel 378

1. Wanneer een zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en

de plaats van de overtreding of onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld,

wordt deze overtreding of onregelmatigheid, onverminderd artikel 215 van het

Wetboek, geacht te zijn begaan:

- in de Lid-Staat waaronder het kantoor van vertrek ressorteert, of

- in de Lid-Staat waaronder het kantoor van doorgang bij binnenkomst in de

Gemeenschap ressorteert en waaraan een kennisgeving van doorgang is

afgegeven, tenzij, binnen een nader te bepalen termijn als voorzien in artikel

379, lid 2, ten genoegen van de douaneautoriteiten het bewijs wordt geleverd

van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer of van de plaats

waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan.

- 2. Indien, bij gebreke van een dergelijk bewijs, de overtreding of

onregelmatigheid geacht blijft te zijn begaan in de Lid-Staat van vertrek of in

de Lid-Staat van binnenkomst als bedoeld in lid 1, eerste alinea, tweede

streepje, worden de rechten en andere heffingen op de betrokken goederen door

deze Lid-Staat volgens de communautaire of nationale bepalingen ge‹nd.

- 3. Indien, binnen drie jaar na geldigmaking van de aangifte T1, kan

worden vastgesteld in welke Lid-Staat de overtreding of onregelmatigheid

daadwerkelijk is begaan, gaat deze Lid-Staat overeenkomstig de

communautaire of nationale bepalingen over tot de inning van de rechten en

heffingen op de betrokken goederen (met uitzondering van die welke

overeenkomstig de tweede alinea als eigen middelen van de Gemeenschap

werden ge‹nd). De aanvankelijk ge‹nde rechten en heffingen worden

terugbetaald (met uitzondering van die welke als eigen middelen van de

Gemeenschap werden ge‹nd) zodra het bewijs van deze inning is geleverd.

- 4. De zekerheid die ten behoeve van het communautair douanevervoer

werd gesteld, wordt eerst vrijgegeven na afloop van voornoemde termijn van

drie jaar, of eventueel na betaling van de rechten en heffingen die van

toepassing zijn in de Lid-Staat waar de overtreding of onregelmatigheid

daadwerkelijk is begaan.

De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om overtredingen en

onregelmatigheden te bestrijden en daar doeltreffende sancties op te stellen.

Artikel 379

1. Wanneer een zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en

de plaats van de overtreding of onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld,

deelt het kantoor van vertrek dit zo spoedig mogelijk mede aan de aangever,

doch uiterlijk binnen elf maanden na geldigmaking van de aangifte voor

communautair douanevervoer.

- 2. In de in lid 1 bedoelde kennisgeving wordt onder andere de termijn

vermeld waarbinnen bij het kantoor van vertrek, ten genoegen van de

douaneautoriteiten, het bewijs moet worden geleverd van de regelmatigheid

van het communautair douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of

onregelmatigheid daadwerkelijk werd begaan. Deze termijn bedraagt drie

maanden na de in lid 1 bedoelde kennisgeving. Indien het bewijs na het

verstrijken van deze termijn niet is geleverd, gaat de bevoegde Lid-Staat over

tot de inning van het verschuldigde bedrag aan rechten en andere heffingen. In

de gevallen waarin deze Lid-Staat niet de Lid-Staat is waarin het kantoor van

vertrek is gelegen, stelt het kantoor van vertrek deze Lid-Staat daarvan

onverwijld in kennis."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten

en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante is douane-expediteur.

- Op 27 september 1994 heeft appellante aangifte gedaan voor extern communautair

douanevervoer naar Lom‚ (Togo) van twee partijen melkpoeder, elk met een

nettogewicht van 25.000 kg en onder de goederencode 04021019.

- De douanepost Utrecht heeft voor voormelde aangiften van appellante zogenoemde

T1-documenten afgegeven met nummer 2006989 respectievelijk 2007002

- Op 6 oktober 1994 heeft appellante aangifte gedaan voor extern communautair

douanevervoer naar Lom‚ van twee partijen melkpoeder, elk met een nettogewicht

van 25.000 kg en onder de goederencode 04021019. De douanepost Utrecht heeft

voor deze aangiften van appellante T1-documenten afgegeven met nummer 2007210

respectievelijk 2007211.

- Op 19 oktober 1994 heeft appellante aangifte gedaan voor extern communautair

douanevervoer naar Lom‚ van een partij melkpoeder met een nettogewicht van

25.000 kg onder goederencode 04021019. De douanepost Utrecht heeft voor deze

aangifte van appellante een T1-document afgegeven met het nummer 2007594.

- Op 28 oktober 1994 heeft appellante aangifte gedaan voor extern communautair

douanevervoer naar Lom‚ van twee partijen melkpoeder met elk een netto-gewicht

van 25.000 kg onder goederencode 04021019. De douanepost Utrecht heeft voor

deze aangiften T1-documenten afgegeven met nummer 2007913 respectievelijk

2007914.

- Op 27 januari 1995 onderscheidenlijk 2 maart 1995 heeft de douanepost Utrecht

appellante bij afzonderlijke brieven verzocht om inlichtingen te verstrekken over de

bestemming van de goederen in verband met de niet-zuivering van voormelde

T1-documenten. Appellante heeft hierop niet gereageerd. Gelijktijdig is een verzoek

tot nasporing gericht aan het kantoor van bestemming Bordeaux.

- Op 7 juni 1995 is aan appellante met betrekking tot bovenvermelde T1-documenten

een kennisgeving niet-zuivering gedaan en is appellante in de gelegenheid gesteld

om binnen drie maanden alsnog het bewijs te leveren van de regelmatigheid van het

douanevervoer of de plaats mee te delen waar de overtreding of onregelmatigheid

daadwerkelijk is begaan. Hierop is door appellante niet gereageerd.

- Op 27 oktober 1995 onderscheidenlijk 27 november 1995 heeft de douanepost

Utrecht appellante zeven afzonderlijke uitnodigingen tot betaling doen toekomen

wegens niet-zuivering van voormelde T1-documenten. Hiertegen heeft appellante bij

brieven van 2 november 1995 onderscheidenlijk 4 december 1995 bezwaar gemaakt.

In deze bezwaarschriften heeft appellante het volgende vermeld:

" De FIOD te Groningen heeft deze zaak reeds lange tijd in behandeling i.v.m.

mogelijke fraude van de genoemde afzender op het betreffende document.

Derhalve is alle informatie inzake deze kwestie verschaft aan de FIOD

zodat wij op dit moment geen nadere informatie kunnen verschaffen die zou

kunnen leiden tot het aanzuiveren van dit document."

- Bij schrijven van 7 november 1995 heeft de Belastingdienst/Douane district Arnhem

in reactie op het bezwaar van appellante van 2 november 1995 appellante onder meer

als volgt bericht:

" In deze zaak stelt de Belastingdienst/FIOD een onderzoek in. Indien het

onderzoek is afgerond zal ik u van de bevindingen van het onderzoek op de

hoogte stellen, waarna u alsnog uw bezwaar kunt toelichten."

- Bij brief van 19 december 1995 heeft de Belastingdienst/Douane district Arnhem in

reactie op het bezwaar van appellante van 4 december 1995 onder meer als volgt

bericht:

" In deze zaak wordt door de FIOD een onderzoek ingesteld. Indien het

onderzoek is afgerond zal ik u hiervan op de hoogte stellen waarna u alsnog in

de gelegenheid wordt gesteld uw bezwaar nader te motiveren."

- Bij schrijven van 11 april 1996 heeft de FIOD, vestiging Groningen, aan de

Belastingdienst/Douane district Arnhem een rapport, gedateerd 10 april 1996, inzake

een onderzoek naar de gang van zaken rond voormelde T1-documenten doen

toekomen.

- Op 7 mei 1998 heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.

3. De bestreden besluiten

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder onder meer het volgende overwogen:

" Door belanghebbende ben ik geattendeerd op een door de Fiod

douanerecherche Groningen, onder dossiernummer 294.94GN b, ingesteld

onderzoek. Blijkens het Fiod-rapport, heeft Agri Best te 's-Hertogenbosch

gebruik gemaakt van belanghebbende voor het opmaken van T1-documenten

voor vervoer van melkpoeder. Deze melkpoeder zou vervolgens in Spanje of

Frankrijk onttrokken zijn aan het douanetoezicht.

Thans kan worden vastgesteld dat er in casu sprake is van onttrekking aan het

douanetoezicht. Daarom wordt de bestaande douaneschuld op basis van artikel

204 CDW getransformeerd naar een douaneschuld op basis van 203 CDW.

Vaststelling dat sprake is van onttrekking aan het douanetoezicht in Spanje of

Frankrijk zal evenwel niet eerder plaatsvinden dan na de in artikel 378 TCDW

bedoelde termijn van drie maanden na de datum van de kennisgeving ex artikel

379 TCDW. Artikel 378 lid 3 TCDW geeft hierbij aan, dat de inning van de

communautaire middelen verblijft aan de Lid-Staat die de invordering reeds

ter hand heeft genomen, in casu aan mij. Verleend uitstel van betaling heeft op

deze omstandigheid geen invloed.

(.)

In verband met het hierbovenstaande ben ik van mening, dat de bevoegdheid

tot invordering van de belastingschuld, genoemd in de uitnodiging tot betaling

(.), blijvend aan mij toekomt.

Overigens blijkt uit een ambtsbericht inzake het onderzoek naar mogelijke

onttrekking aan het douanetoezich van de melkpoeder in Frankrijk, dat de

(eerste) onttrekking (-handeling) in Nederland heeft plaatsgevonden. Aan de

goederen werd al in Nederland een andere bestemming gegeven.

Een en ander is in overeenstemming met de uitspraak van de Hoge Raad van

2 oktober 1996, nr. 30.954, waar is bepaald dat voor de omzetbelasting als

plaats van de onttrekking heeft te gelden, de plaats waar de verzegeling is

verbroken en aan de goederen een andere bestemming werd gegeven. Ook op

basis van de uit Frankrijk komende gegevens moet worden geconcludeerd dat

de invorderingsbevoegdheid aan mij toekomt."

In zijn schrijven van 31 maart 2000 heeft verweerder hieraan nog het volgende toegevoegd:

" Nogmaals wil ik er op wijzen en benadrukken dat de onderhavige

douaneschuld door mij geboekt is nadat ik ter zake de volledige niet-

zuiveringsprocedure heb doorlopen. Op het moment van de boeking en de

mededeling aan de schuldenaar (UTB) was mij niets meer en niets minder

bekend dan dat de betreffende T1-documenten niet gezuiverd waren en dat

noch het kantoor van bestemming (naar aanleiding van het verzoek om

inlichtingen), noch appellante (naar aanleiding van zowel een verzoek om

inlichtingen als de mededeling ex artikel 379 TCDW), wisten waar de

onderhavige goederen waren gebleven.

Gezien deze feiten en omstandigheden was ik op dat moment - als zijnde Lid-

Staat (van het kantoor) van vertrek - (.) overeenkomstig de artikelen

215, lid 3, CDW juncto 378, lid 1, TCDW op basis van artikel 378, lid 2,

TCDW bevoegd tot inning (boeking en mededeling aan de schuldenaar) van

een op basis van artikel 204 CDW ontstane douaneschuld.

In artikel 378, lid 3, TCDW staat vervolgens hoe gehandeld dient te worden,

indien later - binnen drie jaar - alsnog kan worden vastgesteld in welke Lid-

Staat de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan. Deze

regeling laat geen andere conclusie dan dat een eenmaal door mij ge‹nde

douaneschuld, in stand gelaten wordt zelfs indien vastgesteld wordt dat een

overtreding of onregelmatigheid zich in een andere Lid-Staat heeft voorgedaan.

Daarbij merk ik nog op dat in casu zelfs nimmer is vastgesteld waar (dus in

welke Lid-Staat) de goederen zijn onttrokken aan het douanetoezicht. Reeds op

basis hiervan blijf ik - zelfs zonder de specifieke regeling van artikel 378, lid 3,

TCDW - de tot inning bevoegde instantie op basis van artikel 215, lid 3, CDW.

Conclusie.

Ik heb de douaneschuld terecht geboekt op basis van artikel 204 CDW. De

feiten en omstandigheden die bekend zijn geworden nadat de mededeling aan

de schuldenaar is gedaan, hebben geen invloed op de bevoegdelijk door mij

ge‹nde douaneschuld."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van haar beroep in haar beroepschrift het volgende

aangevoerd:

" a) Verzoekster is een relatief klein bedrijf dat de activiteit van douane-

expediteur uitoefent. Zij doet dit met de grootst mogelijke

correctheid en precisie, dit maal in opdracht van een relatie waarmee

zij sinds lang contact heeft, de te goeder naam en faam bekend

staande firma Agri-Best B.V. te 's-Hertogenbosch. Er kunnen haar in

deze zaak geen feiten worden aangewreven op grond waarvan zou

kunnen worden gesteld dat zij op enigerlei manier direct of indirect

schuldig zou kunnen zijn aan de frauduleuze handelingen waarvan

kennelijk in deze zaak sprake is.

De zaak van de fraude wordt in principe behandeld door de Franse

autoriteiten. De Belastingdienst is van de omstandigheid op de

hoogte. Niettegenstaande acht zij het gepast om zich de bevoegdheid

aan te meten tot het invorderen van de douaneschuld, zonder zich te

willen realiseren dat de plaatsen van de overtreding of de

onregelmatigheid gelegen is in Frankrijk of Spanje en dus de Franse

of Spaanse belastingdienst ter zake competent zijn. Daarenboven

ziet de Belastingdienst de zaak alsof er alleen sprake kan zijn van de

aansprakelijkheid van de firma A & B in deze zaak, voorbijgaand

aan de daden van haar bekende personen in Frankrijk en Spanje.

b) In deze zaak heeft verzoekster zich alle moeite getroost om in

verband met haar bewijspositie in het bezit te komen van de in deze

zaak door de Franse autoriteiten opgestelde processen-verbaal en

andere documenten. Dit is haar door de Belastingdienst en de FIOD

geweigerd.(.)

Wat dit punt betreft, voelt verzoekster zich in de positie van

gemakkelijk door verweerder te treffen slachtoffer, dat niet in de

positie mag komen om zich met de juiste middelen te verdedigen.

Bij gebreke van het mogen kennisnemen van de relevante stukken,

gaat verzoekster ervan uit dat zij zich mag baseren op de feiten zoals

die weergegeven zijn in de niet-offici‰le vertalingen van de twee

Franse rapporten, alsmede in het FIOD-rapport.

(.)

In de beschikking wordt verzoekster ten onrechte als schuldenaar aangemerkt.

Art. 203 CDW geeft aan welke de schuldenaren zijn in het geval goederen aan

het douanetoezicht worden onttrokken

(.)

Verweerder laat na aan te geven welke van de bovengenoemde bepalingen hij

toepasselijk acht en tot welke categorie personen verzoekster zou behoren. Zij

behoort tot geen van bovengenoemde categorie‰n personen.

a) In de beschikking wordt een verkeerde toepassing gegeven aan art. 378

TCDW.

(.)

In onderhavig geval heeft de Belastingdienst ten onrechte een nadere

termijn bepaald als voorzien in art. 379, lid 2 aangezien er geen sprake is

bij de Belastingdienst van het niet kunnen vaststellen van de plaats van

de overtreding of de onregelmatigheid.

Immers, verweerder was op de hoogte, althans had op de hoogte kunnen

zijn van de plaats waar de overtreding of de onregelmatigheid was

begaan. In dit verband dient te worden vermeld dat verzoekster zelf bij

brief van 2 november 1995 de Belastingdienst op de hoogte heeft gesteld

van het onderzoek dat in dit verband werd ondernomen door de FIOD.

Uit de resultaten van dat onderzoek kan worden afgeleid dat zoals

verweerder stelt art. 374 TCDW in dit geval niet leidt tot

inningsbevoegdheid van verzoekster. In het bijzonder is de constatering,

gedaan in de tweede zin van de tweede alinea van blz. 2 van de

beschikking, dat de vaststelling dat sprake is van onttrekking aan het

douanetoezicht in Spanje of Frankrijk niet eerder zal plaatsvinden dan na

de in art. 378 TCDW bedoelde termijn van drie maanden na de datum

van de kennisgeving ex art. 379 TCDW onjuist, aangezien verweerder

zoals gemeld reeds voor die datum van de toedracht der zaken op de

hoogte was.

(.)

a) Aan de Inspecteur komt geen inningsbevoegdheid toe van de

communautaire middelen op grond van art. 378, lid 3 TCDW.

(.)

Zoals hierboven aangegeven is de overtreding of de onregelmatigheid in

Frankrijk, dan wel Spanje begaan. Een dergelijke vaststelling is gedaan binnen

drie jaar na geldig maken van de aangifte T1 (18 oktober 1994).

Toepassing van deze bepaling brengt derhalve met zich mee dat Frankrijk, dan

wel Spanje overgaat tot de inning van de desbetreffende rechten. Zulks is,

afgaande op de niet-offici‰le vertalingen van de twee Franse rapporten, ook

geschied waardoor aan de (potenti‰le) competentie van de Nederlandse

Belastingdienst/Douane een einde is gekomen.

Nu de Belastingdienst nog geen aanvang heeft gemaakt met het innen van deze

rechten dient op grond van het feit dat de plaats van het ontstaan van de

belastingschuld kan worden vastgesteld van deze inning te worden afgezien.

Nog meer subsidiair

In onderhavig geval is de Belastingdienst nog niet met de inning van de

douaneschuld begonnen en verblijft de bevoegdheid zoals hierboven gesteld op

grond van art. 378, lid 3 bij de Franse of de Spaanse douane.

Indien - hetgeen door verzoekster wordt betwist - zou moeten worden

aangenomen dat de Nederlandse Belastingdienst reeds met de inning is

begonnen door het uitvaardigen van een uitnodiging tot betaling, brengt het

zorgvuldigheidsbeginsel met zich mee dat de beslissing op bezwaar niet zonder

meer ongegrondverklaring van het bezwaar van verzoekster had mogen

inhouden, doch tevens in ieder geval hebben moeten inhouden dat inning zou

worden gestaakt, totdat de Franse of Spaanse douanedienst de inningsprocedure

zou hebben vervolgd.

Nog meer subsidiair

De beschikking is in strijd genomen met het zorgvuldigheidsbeginsel, nu

nagelaten is om de schuld neer te leggen bij de personen die daartoe onder art.

203, lid 3 CDW in de eerste plaats kwalificeren door hun actieve gedrag en

schuld aan de zaak.

Aldus heeft de Belastingdienst nagelaten om de schuld neer te leggen bij

Europe Alimentaire en haar directeuren, alsmede bij de transporteurs van

goederen, zulks terwijl de Belastingdienst stelt inlichtingen te hebben over het

verwijtbare gedrag van deze ondernemingen en personen en zulks terwijl

verzoekster, en in haar kielzog haar opdrachtgeefster Agri-Best B.V., in geen

andere rol in deze zaak verkeren dan die van slachtoffers."

In haar schrijven van 1 oktober 1999 heeft appellante nog het volgende doen betogen:

" Zoals opgemerkt in de aanvullende verzoekschriften voelt A & B B.V. zich in

de eerste plaats het slachtoffer van het moeten leveren van een ongelijke strijd

tussen haar en de Belastingdienst/Douane. In deze zaak beschikt deze dienst

namelijk over een groot aantal documenten waarvan aan verzoekster

kennisname is geweigerd, maar die onmiskenbaar van belang zijn voor de

bewijsrechtelijke positie van verzoekster. Het gaat om negen processenverbaal

en 33 documenten die alle aanwijzingen geven over de toedracht van de

gebeurtenissen. Verzoekster is noch bekend met de datum waarop deze stukken

zijn opgesteld noch met hun inhoud daarvan, maar het is duidelijk, dat deze

stukken verzoekster op beslissende wijze zouden kunnen helpen met

betrekking tot het bewijzen van haar stellingen. Zoals bekend heeft verzoekster

getracht om kennisname te verkrijgen via verzoeken gebaseerd op de wet

WOB. Dat is geweigerd en verzoekster is zelfs genoodzaakt geweest om in

beroep te gaan bij de rechtbank Den Bosch van deze weigering. Deze

procedure is nog steeds aanhangig. Artikel 6 EVRM dat het recht op een eerlijk

proces garandeert impliceert in het bijzonder het in acht nemen van het vereiste

van "gelijkheid van wapens" in de zin van "fair balance" tussen partijen.

(.)

Het niet kunnen beschikken over bovengenoemde informatie levert strijd met

bovengenoemd beginsel van "gelijkheid van wapens" op.

Hierbij dient te worden bedacht, dat de "fair balance" in

adminstratiefrechtelijke en strafzaken anders ligt in civiel rechterlijke zaken. In

de laatstgenoemde typen zaken spelen in principe de belangen van burgers

onderling, terwijl in eerstgenoemd categorie‰n zaken de overheid is die

maatregelen wenst te nemen of heeft genomen tegen haar burgers. De burger

moet op zijn minst kunnen controleren of die maatregel jegens hem terecht

wordt genomen.

2) Schending van de artikelen 6 EVRM en artikel een Eerste Protocol EVRM

Zoals bekend beschermt artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM het

recht op het ongestoord genot van eigendom dat aan niemand mag worden

ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien

in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.

De bescherming die het Verdrag al aan het eigendomsrecht toekent gaat zover,

dat nagenoeg elk bestuurshandelen dat raakt aan een vermogensrechtelijk

belang onder deze bepaling valt.

(.)

In de beslissing op bezwaar wordt geconcludeerd, dat de bevoegdheid om over

te gaan tot het opleggen van de douaneschuld hoe dan ook bij de Nederlandse

douane-autoriteiten blijkt berusten omdat er sprake zou zijn van verandering

van vervoersdocumenten bij vertrek uit Nederland hetgeen als resultaat zou

hebben gehad de onttrekking, in Nederland. De douane-autoriteiten hebben niet

louter op grond van een vage zinsnede in een rapport dat vervoersdocumenten

(misschien in Nederland) zouden zijn veranderd met recht uitnodigingen tot

betaling hebben mogen doen uitgaan. Het aannemen dat daardoor een

overtreding-onregelmatigheid zou zijn begaan in de zin van art. 215 CDW zou

in strijd zijn met een fair balance die op grond van art 1 Eerste Protocol in acht

te nemen is bij iedere interferentie in de eigendom van personen."

Tenslotte heeft appellante in haar schrijven van 7 maart 2000 onder meer nog het volgende

doen betogen:

" Onttrekking aan het douanetoezicht

1. Verweerder baseert zijn beschikkingen op artikel 203 CDW wegens

onttrekking aan het douanetoezicht.

Verweerder heeft zich daarbij steeds op het standpunt gesteld dat al in

Nederland aan de goederen een andere bestemming werd gegeven

(‚‚nnalaatste alinea van de beslissingen op bezwaar).

Verzoekster heeft zich voor het standpunt gesteld dat er geen sprake was

van onttrekking in Nederland doch in Frankrijk of Spanje.

Zoals blijkt uit de uitlating van de Inspecteur tijdens de mondelinge

behandeling van de corresponderende beroepen bij de Belastingkamer

van het Gerechtshof te Arnhem op 23 november 1999, weergegeven in de

arresten van het Hof van 31 januari jl., deelt deze thans het standpunt van

verzoekster.

De desbetreffende passages uit de arresten zijn hierin volkomen duidelijk

en vormen ook een correcte weergave van het door de Inspecteur

betoogde."

5. De beoordeling van het geschil

Aan appellante zijn uitnodigingen tot betaling gericht wegens de niet-zuivering van de

desbetreffende T1-documenten. De uitnodigingen tot betaling vinden hun grondslag in de

omstandigheid dat niet is voldaan aan een van de verplichtingen welke ten aanzien van aan

rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit het gebruik van de

douaneregeling waaronder zij zijn geplaatst. De onderhavige uitnodigingen tot betaling zijn

derhalve gebaseerd op artikel 204 van het CDW. De omstandigheid dat verweerder zich bij

het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat de bestaande douaneschuld op

basis van artikel 204 CDW wordt getransformeerd naar een douaneschuld op basis van

artikel 203, een standpunt waaraan door verweerder generlei consequentie is verbonden en

dat nadien overigens door verweerder weer is verlaten, kan hieraan niet afdoen. De grieven

van appellante voorzover deze uitgaan van toepassing van artikel 203 CDW door

verweerder, missen derhalve feitelijke grondslag.

Vast staat dat de goederen op 7 juni 1995 niet bij het kantoor van bestemming waren

aangekomen en dat toen evenmin duidelijk was waar de overtreding of onregelmatigheid

had plaatsgevonden. Zelfs thans lijkt nog niet vast te staan of de onttrekking van de

goederen in Frankrijk, Spanje of Nederland heeft plaatsgevonden. Derhalve is de

inspecteur op voormelde datum terecht tot toepassing van de procedure op grond van

artikel 379 van de TCDW overgegaan. Toen appellante niet binnen de bij artikel 379,

tweede lid, van de TCDW bepaalde termijn van drie maanden reageerde, laat staan het

bewijs leverde van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer dan wel van

de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk werd begaan, heeft de

inspecteur op 27 oktober 1995 en 27 november 1995 de UTB's ter zake aan appellante

gezonden. Anders dan appellante heeft betoogd, heeft verweerder geen op hem rustende

onderzoeksplicht geschonden. Weliswaar behoort de inspecteur na te gaan of de plaats

waar de onregelmatigheid c.q. overtreding heeft plaatsgevonden kan worden vastgesteld,

maar naar het oordeel van het College heeft de inspecteur aan zijn onderzoeksplicht

voldaan door, zoals in dit soort zaken gebruikelijk is, een verzoek tot nasporing te zenden

aan het kantoor van bestemming. Deze beperkte onderzoeksplicht grondt het College op de

artikelen 378 e.v. van de TCDW. Hieruit blijkt dat het aan appellante is om het bewijs te

leveren dat het communautair vervoer regelmatig heeft plaatsgevonden dan wel bewijs te

leveren van de plaats waar de onregelmatigheid of de overtreding daadwerkelijk is begaan.

Dit is ook in overeenstemming met het feit dat op de titularis van het douanedocument de

verantwoordelijkheid rust dat een en ander conform de communautaire regels wordt

afgehandeld. Appellante heeft binnen de termijn van drie maanden noch aangetoond dat het

vervoer regelmatig heeft plaats gevonden noch het bewijs geleverd van de plaats waar de

overtreding of onregelmatigheid heeft plaatsgevonden en zelfs niet binnen die termijn de

inspecteur gemeld dat wellicht de FIOD nadere informatie zou hebben. Derhalve was

verweerder gehouden de heffingen op te leggen, zoals hij bij de onderhavige UTB's heeft

gedaan en zoals hij deze bij de bestreden besluiten heeft gehandhaafd.

De grieven van appellante, dat de FIOD geen medewerking heeft willen verlenen bij het

lenigen van haar bewijsnood, kunnen - wat hiervan overigens ook zij - buiten verdere

bespreking blijven, reeds omdat gesteld noch gebleken is dat appellante gedurende

voormelde periode van drie maanden na de kennisgeving niet-zuivering enigerlei actie

heeft ondernomen en met name de inspecteur toen niet op het spoor van de FIOD heeft

gezet. Daarmee heeft zij haar kansen verspeeld om aan de heffingen wegens niet-zuivering

te ontkomen.

De stelling dat verweerder gelet op het bepaalde bij artikel 378, derde lid, van de TCDW

niet meer bevoegd zou zijn de niet-zuiveringsprocedure verder af te wikkelen, is naar het

oordeel van het College onjuist. Ingevolge voormeld artikellid gaat, indien binnen drie jaar

na geldigmaking van de aangifte T1 duidelijk is geworden in welke Lid-Staat de

onregelmatigheid is begaan, deze Lid-Staat over tot heffing van de rechten en heffingen op

de betrokken goederen, met uitzondering van die welke als eigen middelen van de

Gemeenschap werden ge‹nd. Zulks betekent evenwel niet dat de Lid-Staat die een UTB

wegens niet-zuivering heeft doen uitgaan, deze zou moeten intrekken dan wel dat deze

UTB zonder verder gevolg zou moeten blijven. Artikel 378 TCDW biedt voor zodanige

opvatting geen aanknopingspunt.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de grieven van appellante voorzover deze zich richten

tegen de subsidiaire aanname in de bestreden besluiten dat de onttrekking in Nederland zou

hebben plaatsgevonden, geen bespreking behoeven.

Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat de beroepen ongegrond moeten worden verklaard.

6. De beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr H.G. Lubberdink en mr C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr A. Bruining, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2001.

w.g. D. Roemers w.g. A. Bruining