Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB0297

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/163
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:73, geldigheid: 2001-02-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB99/163 21 februari 2001

29010

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr W. Mor‚e, advocaat te Barendrecht,

tegen

de burgemeester van Rotterdam, zetelend aldaar, verweerder,

gemachtigde: mr M. Kuipers, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

1. De procedure

Op 22 februari 1999 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij

beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 11 januari 1999.

Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant tegen het besluit van verweerder

van 26 juni 1998 houdende de intrekking van appellants aanwezigheidsvergunning voor

speelautomaten, ongegrond verkaard.

Bij besluit van 31 maart 1999 heeft verweerder de bezwaren van appellant alsnog gegrond

verklaard en heeft hij zijn besluit tot intrekking van de aanwezigheidsvergunning

herroepen.

Appellant heeft zijn beroep gehandhaafd ter fine van schadevergoeding. Op 13 januari

2000 heeft appellant een nadere memorie ter zake ingediend. Verweerder heeft hierop bij

schrijven van 29 juni 2000 gereageerd.

Op 14 juli 2000 heeft appellant het College nog enige nadere stukken doen toekomen.

Op 8 november 2000 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Bij deze gelegenheid

hebben partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij artikel 30b van de Wet op de kansspelen (hierna: de Wet) is, voorzover hier van belang,

het volgende bepaald:

" Het is verboden, behoudens het in deze Titel bepaalde, zonder vergunning van

de burgemeester een of meer speelautomaten aanwezig te hebben

(.)

b. op voor het publiek toegankelijke plaatsen;"

Artikel 30f, eerste lid, van de Wet luidt, voorzover hier van belang:

" De vergunning wordt ingetrokken:

(.)

c. indien de vergunninghouder het in artikel 30t, eerste lid, onder c, of tweede

lid bedoelde verbod heeft overtreden."

Artikel 30t, eerste lid, van de Wet luidt, voorzover hier van belang:

" Het is verboden een of meer speelautomaten, die niet overeenstemmen met het

door Onze Minister van Economische Zaken toegelaten model daarvan en die

niet ten bewijze daarvan zijn voorzien van het ingevolge artikel 30r, eerste lid,

met betrekking tot die toelating vastgestelde merkteken:

(...)

c. aanwezig te hebben op plaatsen of in inrichtingen als bedoeld in artikel 30b."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten

en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant exploiteert een caf‚/bar aan de C, te B.

- Aan appellant was vergunning verleend voor de aanwezigheid van ‚‚n kansspel-

automaat en ‚‚n behendigheidsautomaat in zijn horeca-inrichting, laatstelijk voor de

periode van 1 augustus 1997 tot en met 31 juli 1998.

- Op 18 april 1997 is een controle uitgevoerd in hogervermelde inrichting.

- Blijkens processen-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond is hierbij in de

inrichting van appellant onder meer een speelautomaat aangetroffen van het type

Card Sharp, welke was voorzien van het toelatingsnummer TB 1195-0004.

Geconstateerd werd dat de automaat in de kansspelmode stond. Deze automaat is op

18 april 1997 in beslag genomen en voor nader technisch onderzoek overgebracht

naar het Nederlands Meetinstituut (NMI).

- Blijkens een verklaring onderzoek van 13 mei 1997 van het NMI kwam het software-

programma van de automaat niet overeen met dat van de toegelaten versie. Het

softwareprogramma bleek een geheugencomponent (RAM) te bevatten welke was

voorzien van een kansspelpokerprogramma. Geconcludeerd is dat de wijzigingen aan

het toegelaten model invloed hebben op de goede werking van de automaat,

waardoor deze als kansspel wordt ge‰xploiteerd, hetgeen naar oordeel van het NMI

strijd oplevert met artikel 30t van de Wet.

- Op 25 september 1997 heeft de officier van justitie bericht dat de in beslag genomen

speelautomaat zal worden teruggegeven hetgeen op 3 oktober 1997 is gebeurd.

- Bij brief van 11 juni 1998 heeft verweerder aan appellant, voorzover van belang,

medegedeeld voornemens te zijn de aan appellant verleende aanwezigheids-

vergunning in te trekken.

- Bij besluit van 26 juni 1998 heeft verweerder vervolgens de aan appellant verleende

aanwezigheidsvergunning ingetrokken.

- Bij schrijven van 15 juli 1998 heeft appellant tegen voormeld besluit bezwaar

gemaakt.

- Bij het bestreden besluit van 11 januari 1999 heeft verweerder in overeenstemming

met het ter zake uitgebrachte advies van de Algemene Beroepscommissie de

bezwaren van appellant ongegrond verklaard en de intrekking van de

aanwezigheidsvergunning gehandhaafd.

- Bij besluit van 31 maart 1999 heeft verweerder het volgende overwogen en besloten:

" Gelezen de uitspraken van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven van

3 februari 1999, inzake de besluiten van het Ministerie van Economische Zaken

tot intrekking van de exploitatievergunning van diverse speelautomaten-

exploitanten;

overwegende

dat het College zich daarbij ten principale heeft uitgesproken over de gevolgen

van het Securitel-arrest, in het bijzonder de niet-notificatie van de voorschriften

op basis van de Wet op de Kansspelen, voor bestuursrechtelijke besluiten op

grond van die wet ten tijde van het niet aangemeld zijn;

dat daaruit moet worden geconcludeerd dat bestuursorganen de niet-

genotificeerde voorschriften van artikel 30t eerste lid van de Wet op de

Kansspelen, juncto de artikelen 14 en 15 van het Speelautomatenbesluit en de

artikelen 5 en 6 van de Speelautomatenregeling, niet mogen toepassen op

derden, en dat derhalve het bestuursrechtelijk optreden tegen betrokkenen ten

onrechte heeft plaatsgevonden;

overwegende voorts

dat hij bij besluit van 11 januari 1999 de bezwaren van de heer J. Bonte tegen

zijn besluit van 26 juni 1998 (kenmerk BHV 115.98u) ongegrond heeft

verklaard en het bestreden besluit, houdende de intrekking van de

aanwezigheidsvergunning voor speelautomaten in het caf‚bedrijf aan de

Hilledijk 208, heeft gehandhaafd;

dat het ervoor moet worden gehouden dat het besluit van 11 januari 1999, gelet

op de uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven, in rechte

geen stand zal kunnen houden;

gelet op de terzake toepasselijke wettelijke voorschriften;

BESLUIT:

1. het besluit van 11 januari 1999, kenmerk ABZ 99/134, tot

ongegrondverklaring van de bezwaren van appellant ambtshalve te herzien;

2. de bezwaren van appellant alsnog gegrond te verklaren en het besluit tot

intrekking van de aanwezigheidsvergunning voor speelautomaten voor het

caf‚bedrijf aan de C te herroepen."

3. Het standpunt van appellant

Appellant heeft zijn beroep tegen het bestreden besluit gehandhaafd, omdat hij als gevolg

van dat besluit schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt. Hij heeft

hiertoe het volgende aangevoerd:

" De schade van cli‰nte bestaat uit vier componenten, te weten:

1. omzetschade;

2. kosten van rechtsbijstand;

3. griffierechten;

4. overige schade.

Ad 1

Op 26 juni 1998 is de aanwezigheidsvergunning voor speelautomaten van

cli‰nt ingetrokken. Na enige weken is met de gemeente overeengekomen, dat

de gemeente gedurende de procedure de aanwezigheid van een speelautomaat,

conform de ingetrokken aanwezigheidsvergunning, zou gedogen.

De omzetschade is derhalve beperkt gebleven tot enkele weken. Deze schade

wordt door cli‰nt begroot op Ÿ 4.000,00.

Ad 2 + 3

In opgemelde procedure heeft de raadsman van cli‰nt naast deze procedure

tevens een voorlopige voorzieningsprocedure gevoerd. De uitspraak van de

President van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven d.d. 3 november

1998 is als productie 7 overgelegd bij het beroepschrift d.d. 19 februari 1999.

Tot op heden worden de kosten van rechtsbijstand begroot op Ÿ 8.500,00, te

vermeerderen met 5% kantoorkosten ad Ÿ 425,00. Cli‰nt vordert terzake

derhalve een totaalbedrag ad Ÿ 8.925,00 (exclusief BTW).

Cli‰nt heeft in het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure Ÿ 210,00

betaald aan griffierecht (productie 12). Ten onrechte is cli‰nt in vorenbedoelde

procedure niet in het gelijk gesteld. De griffierechten zijn derhalve niet

vergoed. In het kader van deze procedure heeft cli‰nt een bedrag ad. Ÿ 420,00

aan griffierecht betaald (productie 13). Cli‰nt vordert vergoeding van de door

hem betaalde griffierechten ad Ÿ 630,00.

Ad 4

De onderhavige speelautomaat is op 16 september 1996 door De Roock

Automaten B.V. van Delta Automaten B.V. gekocht en ontvangen

(productie 14). Op 18 april 1997 (zie productie 3 bij beroepschrift d.d.

19 februari 1999) is de speelautomaat in beslag genomen. Vervolgens is op

29 september 1997 aan De Roock Automaten B.V. medegedeeld, dat de

speelautomaat op vrijdag 3 oktober 1997 kon worden opgehaald.

Speelautomaten zijn slechts gedurende een bepaalde periode commercieel

rendabel. Na verloop van tijd (in principe 5 jaren) worden de oude machines

vervangen door nieuw uitgebrachte machines met nieuwe mogelijkheden. In

het algemeen betekent dit dat een speelautomaat in 5 jaar wordt afgeschreven.

Indien met betrekking tot een machine problemen zijn ontstaan ten aanzien van

de toelating, wordt de gehele machine in zijn geheel direct afgeschreven,

aangezien de mede-exploitant, in casu de horeca-ondernemer, de

desbetreffende machine weigert.

Het in beslag nemen van een speelautomaat door de politie is een

omstandigheid, op grond waarvan de desbetreffende machine ineens niet meer

bruikbaar is en de restwaarde derhalve terstond volledig afgeschreven dient te

worden.

De Roock Automaten B.V. houdt cli‰nt aansprakelijk voor de schade ten

gevolge van de beslaglegging in zijn caf‚. De schade bedraagt de

aankoopwaarde minus de reeds gedane afschrijvingen op basis van 5 jaren.

De aankoopprijs van de speelautomaat bedroeg Ÿ 5.750,00 exclusief BTW. De

speelautomaat was gedurende de periode 16 september 1996 tot 17 april 1997

bruikbaar (214 dagen), terwijl de machine in principe 5 jaren (1825 dagen)

gebruikt had kunnen worden.

De schade terzake laat zich als volgt berekenen:

1825 dagen - 214 dagen = 1611 dagen : 1825 dagen x Ÿ 5.750,00 = Ÿ 5.075,75.

Cli‰nt heeft reeds aan de Roock Automaten B.V. aangegeven de schade te

zullen vergoeden. Terzake vordert cli‰nt vergoeding van deze schade ad

Ÿ 5.075,75."

Ter zitting heeft appellant met betrekking tot de gevorderde omzetschade van fl. 4000,--

nog gesteld dat een minimale derving van inkomsten van fl. 26,00 per dag zeer realistisch

is te achten en hieraan het volgende toegevoegd:

" Er wordt een bedrag van f 20,00 per dag over 200 dagen gevorderd, derhalve

een totaalbedrag van f 4.000,00. Dit bedrag mag alleszins redelijk worden

genoemd."

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft zich met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding op het volgende

standpunt gesteld:

" Ad 1)

Appellant dient de hoogte van geleden schade te staven aan de hand van

bewijsstukken en omzetgegevens. Tot op heden is hij nalatig gebleven

verweerder hierin inzicht te geven.

Ad 2+3)

Voor vergoeding van in rechte gemaakte kosten zijn speciale

vergoedingsregelingen met normering ontworpen.

Het door appellant geclaimde bedrag ad fl 8925,= exclusief BTW is exorbitant.

Verweerder verzoekt het college het rechtens geldende bedrag toe te passen.

Ad 4)

Zelfs in de redenering van appellant dat een apparaat slechts 5 jaar economisch

rendabel is het volstrekt onbegrijpelijk dat het bewuste apparaat, na ruim een

half jaar gebruikt te zijn en na een in beslagname periode daaraansluitend van

51/2 maand in zijn geheel zou moeten worden afgeschreven. Dat het apparaat

eventueel, wat verweerder overigens betwist, door de inbeslagneming ineens

onbruikbaar zou zijn geworden, is kennelijk een subjectieve, niet aan

verweerder toe te rekenen omstandigheid.

Niet valt in te zien waarom de bewuste machine niet gewoon de resterende

economische periode gebruikt had kunnen worden, afgezien van het later

inmiddels wel van kracht worden van de bewuste toelatingsbepalingen.

Appellant wist, althans had kunnen weten dat hij door een machine aan te

schaffen, die onder op korte termijn bij de Europese Unie te melden

toelatingsbepalingen zou zijn verboden, een groot risico liep dat deze machine

niet de kennelijk gebruikelijke economische termijn van 5 jaar zou kunnen

volmaken.

Onder overige schade kan verweerder daarom niet meer schade voor

vergoeding in aanmerking brengen, dan voor de duur van de

inbeslagnemingsperiode op basis van een evenredig deel van de economische

looptijd van de machine, zijnde maximaal ongeveer een tiende deel van de

aanschafprijs (een half jaar op 5 jaar)."

5. De beoordeling

Nu verweerder het bestreden besluit niet langer handhaaft, dient het beroep met toepassing

van het bepaalde bij artikel 6:19, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in

aanmerking genomen de omstandigheid dat appellant hierbij, gelet op de door hem

gevorderde schadevergoeding, belang heeft, gegrond te worden verklaard en dient het

bestreden besluit te worden vernietigd.

Met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding overweegt het College als volgt.

Met betrekking tot de omzetschade heeft appellant aanvankelijk betoogd dat appellant in de

periode van 26 juni 1998 tot 1 augustus 1998 - de periode waarin de aanwezigheid van een

speelautomaat door verweerder nog niet werd gedoogd - een omzetschade van fl. 4.000,--

zou hebben geleden. Ter zitting daarentegen heeft hij zich op het standpunt gesteld dat deze

schade gedurende een tijdsbestek van 200 dagen zou zijn ontstaan. Daarnaast is door

A ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat in zijn inrichting ook in voormelde periode van 26

juni 1998 tot 1 augustus 1998 een speelautomaat in bedrijf was. Gelet op deze

tegenstrijdige verklaringen en stellingnames van de zijde van appellant acht het College

onvoldoende aannemelijk geworden dat appellant omzetschade als gevolg van het bij het

bestreden besluit gehandhaafde besluit tot intrekking van de aanwezigheidsvergunning

heeft geleden.

Ter zake van de geclaimde proceskosten in de zaak ten gronde volstaat het om op te

merken dat de Algemene wet bestuursrecht voorziet in een forfaitair stelsel van

vergoedingen, terwijl ook met betrekking tot de vergoeding van het griffierecht een

afzonderlijke regeling is getroffen.

Wat de proceskosten van de voorlopige voorziening en het hiervoor verschuldigde

griffierecht betreft, is het College van oordeel dat terzake uitsluitend de president bevoegd

is een uitspraak te doen. In de onderhavige procedure zijn deze kosten dus niet in geding.

Met betrekking tot de schade die geleden zou zijn als gevolg van de gedwongen versnelde

afschrijving van de in beslag genomen speelautomaat, stelt het College vast dat deze

schade het gevolg is van de inbeslagname op 18 april 1997. Deze schade moet derhalve in

het kader van de onderhavige zaak buiten beschouwing blijven omdat er geen causaal

verband is tussen deze schade en het intrekkingsbesluit van 26 juni 1998, dat bij het

bestreden besluit is gehandhaafd.

Gelet op het vorenoverwogene komt het verzoek om schadevergoeding niet voor

honorering in aanmerking.

Het College merkt tenslotte nog op geconstateerd te hebben, dat aan appellant terzake van

het onderhavige beroep een hoger bedrag aan griffierecht in rekening is gebracht, dan hij

ingevolge de Algemene wet bestuursrecht was verschuldigd. Het College zal de griffier

opdragen het onverschuldigd betaalde bedrag aan appellant te retourneren.

Beslist wordt als volgt.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure aan de zijde van appellant vastgesteld op fl. 1.420,-- (zegge: veertienhonderdentwintig gulden) en te vergoeden

aan appellant door de gemeente Rotterdam;

- bepaalt dat het door appellant verschuldigde griffierecht van fl. 210,--(zegge: tweehonderdentien gulden) aan hem wordt vergoed door de gemeente Rotterdam en

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr H.G. Lubberdink, mr M.A. van der Ham en mr W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2001.

w.g. H.G. Lubberdink w.g. F.W. du Marchie Sarvaas