Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB0292

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/443
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No. AWB 99/443 20 februari 2001

5135

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A, te B, appellante,

gemachtigde: E.W. Lamberts, werkzaam bij NLTO Advies te Assen,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr J.A. Diephuis, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 10 mei 1999 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij

beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 30 maart 1999.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van

27 oktober 1998, waarbij haar aanvraag oppervlakten in het kader van de Regeling EG-

steunverlening akkerbouwgewassen ( hierna: de Regeling) is afgewezen.

Nadat op 29 juni 1999 de gronden voor het beroep zijn ontvangen, heeft verweerder op

23 augustus 1999 een verweerschrift met bijlagen ingediend.

Bij besluit van 9 juni 2000 heeft verweerder het besluit van 30 maart 1999 heroverwogen

en de bezwaren van appellante alsnog gedeeltelijk gegrond verklaard.

Bij brief van 17 juli 2000 heeft appellante meegedeeld het beroep te willen handhaven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2000, waar partijen,

appellante bij monde van A en verweerder bij monde van zijn gemachtigde, hun

standpunten nader hebben toegelicht.

Ter zitting is het onderzoek in deze zaak aangehouden om verweerder in de gelegenheid te

stellen nadere informatie te verstrekken.

Bij brief van 5 december 2000 heeft verweerder de gevraagde informatie gegeven. Naar

aanleiding van deze nadere informatie werd op 28 december 2000 ter griffie een reactie

ontvangen van appellante.

Bij beschikking van 17 januari 2001 heeft het College het onderzoek vervolgens gesloten.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De toepasselijke regelgeving

Ingevolge het bepaalde in artikel 4, tweede lid onderdeel a, van Verordening (EEG) nr.

3887/92, zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 229/95, mag de steunaanvraag

oppervlakten na de uiterste datum voor de indiening ervan worden gewijzigd op

voorwaarde dat de bevoegde autoriteiten de wijzigingen uiterlijk op de data als bedoeld in

de artikelen 10, 11 en 12 van Verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad ontvangen.

Voor de aanvraag oppervlakten 1998 is deze uiterste datum 15 mei 1998.

Ingevolge voormeld artikel is het niet mogelijk om een perceel toe te voegen aan de

percelen die zijn aangegeven voor een braaklegging.

Ingevolge het bepaalde in artikel 5 bis, van Verordening (EEG) nr. 3887/92, kan een

steunaanvraag onverminderd de voorschriften van de artikelen 4 en 5 in geval van een

klaarblijkelijke fout na de indiening op elk moment worden aangepast.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten

en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Door appellante is een formulier aanvraag oppervlakten 1998 algemene regeling en

voederareaal, gedagtekend 14 mei 1998, bij verweerder ingediend en is

akkerbouwsteun gevraagd voor 17.14 ha in productieregio 1, voor 11.63 ha in

productieregio 2 en is voor de braakverplichting 1.45 ha, behorend tot het areaal van

appellante te C en aldaar bekend als perceel 16, opgegeven.

- Verweerder heeft de aanvraag voor steunverlening afgewezen bij besluit van

27 oktober 1998, omdat de opgegeven 1.45 ha braak (perceel 16) niet zou voldoen

aan de voorwaarden voor steunverlening.

- In het kader van de afhandeling van het op 4 december 1998 ingediende

bezwaarschrift heeft appellante bij brief van 15 januari 1999 aan verweerder

verzocht, indien voormeld perceel 16 te C inderdaad niet zou voldoen aan alle

voorwaarden, dit perceel te mogen vervangen door perceel 32 (groot 1.6 ha), dat

behoort tot het areaal van appellante te B. Dit perceel heeft, naar appellante stelt, het

gehele jaar feitelijk braakgelegen en voldeed ook overigens aan alle voorwaarden

voor braakpercelen.

- Op 16 februari 1999 is een hoorzitting gehouden. In het verslag van de hoorzitting

staat onder meer het volgende vermeld:

" De maatschap is inmiddels verhuisd naar een bedrijf in D. Dit

akkerbouwbedrijf is overgenomen van de heer E, te B.

De heer A geeft aan dat perceel 16 voorheen grasland is geweest. Hij zou dit

perceel graag willen vervangen door een deel van perceel 25. Dit perceel in D

ligt braak en voldoet ook verder aan de voorwaarden van de regeling.

Een verklaring van buren dat de grond voldoet aan de definitie akkerland zal

binnenkort worden toegestuurd."

- Bij schrijven van 4 maart 1999 heeft appellante een tweetal verklaringen met

betrekking tot voormeld perceel 32 overgelegd. Een van de vorige eigenaar,

inhoudende dat het perceel in de periode 1987-1991 in gebruik is geweest voor de

akkerbouw en een van de buurman van appellante, inhoudende dat het perceel in

1998 feitelijk braak heeft gelegen.

- Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 30 maart 1999 de bezwaren van

appellante ongegrond verklaard. Tegen dit besluit richt zich het beroep.

- Bij besluit van 9 juni 2000 heeft verweerder het besluit van 30 maart 1999 herzien.

De bezwaren van appellante met betrekking tot perceel 16, dat niet in aanmerking

zou komen voor steun op grond van braaklegging, zijn alsnog gegrond bevonden.

Voor het overige heeft verweerder de eerdere beslissing van 30 maart 1999

gehandhaafd. Bij het herziene besluit heeft verweerder aan appellante een bijdrage

toegekend van fl. 17.538,89.

- Bij brief van 5 december 2000 heeft verweerder een uiteenzetting gegeven over de

wijze waarop dit bedrag is berekend.

- Appellante heeft in een op 28 december 2000 ter griffie ontvangen brief als volgt op

de brief van 5 december 2000 gereageerd:

" Nu rest mij na veel overwegingen nog de vraag waarom laser op 16 Febr. 1999

op de hoorzitting in Deventer na een gesprek mij vroeg om een bewijs dat

perceel 32 te B in 1998 braak heeft gelegen. Zie brieven van GLTO 4 Mrt

1999.

Wij voldoen bij deze aan de vraag waarbij de inleverdatum kennelijk geen

probleem was. Toch word dit braakperceel nu afgekeurd. Hopelijk krijgt u hier

helderheid in."

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit, zoals herzien bij het besluit van 9 juni 2000, houdt - samengevat - in

dat, nu het genoemde perceel 16 alsnog blijkt te voldoen aan de voorwaarden voor een

braakperceel, de aan appellante toekomende compenserende betaling moet worden

vastgesteld op fl. 17.538,89. Met betrekking tot perceel 32 is verweerder van oordeel, dat

appellante in feite wenst dat haar aanvraag voor akkerbouwsteun wordt gewijzigd. De

Regeling en de achterliggende communautaire regelgeving bieden geen mogelijkheid om

de door appellante ingediende aanvraag akkerbouwsteun na 15 mei 1998 te wijzigen en

aldus perceel 32 alsnog als braakperceel op te geven.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft tegen het herziene besluit van 9 juni 2000 aangevoerd hetgeen onder 2.2

van deze uitspraak is aangehaald uit haar op 28 december 2000 ter griffie ontvangen brief.

5. De beoordeling van het geschil

Gesteld noch gebleken is dat de berekening van het aan appellante uiteindelijk toegekende

compenserende bedrag ad fl. 17.538,38 onjuist zou zijn. Gelet hierop, beperkt het geschil

zich tot de vraag of verweerder perceel 32 terecht niet als braakperceel in aanmerking heeft

genomen.

Appellante heeft in haar aanvraag voor steunverlening het eerder vermelde perceel 32 niet

als braakperceel opgegeven. Appellante heeft voor het eerst melding gemaakt van dit

perceel in haar brief van 15 januari 1999, die in het kader van de bezwaarprocedure werd

verzonden. Met verweerder moet het College daarom vaststellen dat appellante eigenlijk

wenst dat verweerder toestaat dat de aanvraag oppervlakten alsnog aangepast wordt.

Dit is evenwel slechts mogelijk, indien sprake is van een klaarblijkelijke fout. Naar vaste

jurisprudentie is sprake van een klaarblijkelijke fout indien vaststaat dat de aanvankelijk

gedane opgave kennelijk fout was. Zulks is het geval wanneer uit de aanvraag oppervlakten

blijkt dat de gedane opgave niet juist kan zijn. Dat is in het geval van appellante niet aan de

orde. Bijgevolg is aanpassing van de aanvraag op grond van het bepaalde bij artikel 5 bis

van Vo. 3887/92 niet mogelijk.

De enkele omstandigheid tenslotte, dat appellante tijdens de hoorzitting op 16 februari

1999 is gevraagd bewijsstukken ter zake van de braaklegging van perceel 32 in B over te

leggen kan er niet toe leiden dat verweerder gehouden zou zijn om, in strijd met de

Regeling en de achterliggende communautaire regelgeving, in te stemmen met een

wijziging van de aanvraag oppervlakten.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten, die tot herziening van het

bestreden besluit hebben geleid, is het College niet gebleken. Wel dient aan appellante het

betaalde griffierecht te worden vergoed.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep ongegrond en

- bepaalt dat aan appellante het door haar betaalde griffierecht ad fl. 450,-- (zegge:

vierhonderdenvijftig gulden) wordt vergoed door de Staat.

Aldus gewezen door mr H.G. Lubberdink, in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2001

w.g. H.G. Lubberdink w.g. F.W. du Marchie Sarvaas