Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB0291

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-02-2001
Datum publicatie
30-01-2002
Zaaknummer
AWB 98/100
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB98/100 20 februari 2001

5040

Uitspraak in de zaak van:

Aero Ground Services B.V., te Schiphol-Zuid, appellante,

gemachtigde: mr drs J.Th. Krebbers,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr J. Boomsma.

1. De procedure

Op 28 januari 1998 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij

beroep wordt ingesteld tegen een door de inspecteur Belastingdienst/Douane district

Hoofddorp genomen besluit van 14 januari 1998.

Bij dit besluit is beslist op het bezwaar van appellante tegen een aan haar op grond van

artikelen 203, 204 en 220, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 tot vaststelling van het

communautair douanewetboek (hierna: het CDW) gerichte uitnodiging tot betaling

(hierna: UTB) van 23 april 1997.

Appellante heeft haar beroep nader aangevuld bij schrijven van 22 april 1998.

Verweerder heeft op 9 juli 1998 een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft gerepliceerd bij schrijven van 14 oktober 1998.

Verweerder heeft bij schrijven van 13 januari 2000 zijn standpunt nader uiteengezet.

Op 11 april 2000 heeft het onderzoek ter zitting plaats gevonden, waar partijen bij monde

van hun gemachtigden hun standpunt nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 4, aanhef en onder 10 en 11, van het CDW luidden tot 1 januari 1997 als volgt:

" In de zin van dit wetboek wordt verstaan onder:

10. rechten bij invoer:

- de douanerechten en heffingen van gelijke werking die bij de invoer van

goederen van toepassing zijn;

- de landbouwheffingen en andere belastingen bij invoer die zijn

vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in

het kader van de specifieke regelingen die op bepaalde door verwerking

van landbouwprodukten verkregen goederen van toepassing zijn;

11. rechten bij uitvoer:

- de douanerechten en heffingen van gelijke werking die bij de uitvoer van

goederen van toepassing zijn;

- de landbouwheffingen en andere belastingen bij uitvoer die zijn

vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in

het kader van de specifieke regelingen die op bepaalde door verwerking

van landbouwprodukten verkregen goederen van toepassing zijn;"

Artikel 20, derde lid, van het CDW, aanhef en onder c, luidde tot 1 januari 1997 als volgt:

" Het douanetarief van de Europese Gemeenschappen omvat:

(.)

c. de percentages en andere heffingsgrondslagen die op goederen welke in de

gecombineerde nomenclatuur zijn opgenomen normaal van toepassing zijn met

betrekking tot:

- de douanerechten, en

- de landbouwheffingen en andere belastingen bij invoer die zijn vastgesteld in

het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in het kader van de

specifieke regelingen die op bepaalde door verwerking van

landbouwprodukten verkregen goederen van toepassing zijn;"

Artikel 4, aanhef en onder 10 en 11, van het CDW luiden sinds 1 januari 1997 als volgt:

" In de zin van dit wetboek wordt verstaan onder:

10. rechten bij invoer:

- de douanerechten en heffingen van gelijke werking die bij de invoer van

goederen van toepassing zijn;

- de belastingen bij invoer die zijn vastgesteld in het kader van het

gemeenschappelijk landbouwbeleid of in het kader van de specifieke

regelingen die op bepaalde door verwerking van landbouwprodukten verkregen

goederen van toepassing zijn;

11. rechten bij uitvoer:

- de douanerechten en heffingen van gelijke werking die bij de uitvoer van

goederen van toepassing zijn;

- de andere belastingen bij uitvoer die zijn vastgesteld in het kader van het

gemeenschappelijk landbouwbeleid of in het kader van de specifieke

regelingen die op bepaalde door verwerking van landbouwprodukten verkregen

goederen van toepassing zijn;"

Artikel 20, derde lid, aanhef en onder c, van het CDW luidt sinds 1 januari 1997 als volgt:

" Het douanetarief van de Europese Gemeenschappen omvat:

(.)

c. de percentages en andere heffingsgrondslagen die op goederen welke in de

gecombineerde nomenclatuur zijn opgenomen normaal van toepassing zijn met

betrekking tot :

- de douanerechten, en

- de belastingen bij invoer die zijn vastgesteld in het kader van het

gemeenschappelijk landbouwbeleid of van de specifieke regelingen die op

bepaalde door verwerking van landbouwprodukten verkregen goederen van

toepassing zijn;"

Verordening (EG) nr. 3290/94 van de Raad van 22 december 1994 inzake de aanpassingen

en de overgangsmaatregelen in de landbouwsector voor de tenuitvoerlegging van de

overeenkomsten in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguay-

Ronde, zoals gewijzigd bij de Verordeningen (EG) van 26 juni 1996, nr. 1193/96, van 25

juni 1996, nr. 1161/97, en van 24 juni 1998, nr. 1340/98, houdt onder meer het volgende

in:

" DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

(.)

Overwegende dat de Gemeenschap in het kader van de multilaterale

handelsbesprekingen van de Uruguay-Ronde na onderhandeling

overeenstemming heeft bereikt over een aantal overeenkomsten (hierna

"GATT-overeenkomsten" te noemen); dat enkele van deze overeenkomsten,

met name de Overeenkomst inzake de landbouw (hierna "de Overeenkomst" te

noemen), betrekking hebben op de landbouwsector; dat, aangezien de

concessies inzake interne steunverlening kunnen worden nageleefd door de

prijzen en de steunbedragen op een passend niveau vast te stellen,

dienaangaande geen specifieke bepalingen behoeven te worden vastgesteld; dat

de Overeenkomst, gespreid over een periode van zes jaar, voorziet in

vergroting van de toegang van landbouwprodukten uit derde landen tot de

markt van de Gemeenschap enerzijds en geleidelijke verlaging van de steun

van de Gemeenschap voor de uitvoer van landbouwprodukten anderzijds; dat

de landbouwwetgeving inzake het handelsverkeer met derde landen bijgevolg

aangepast moet worden;

Overwegende dat de Overeenkomst met de verplichting om alle maatregelen

die de invoer van landbouwprodukten beperken in douanerechten om te

rekenen (tarificatie) en met het verbod om in de toekomst dergelijke

maatregelen toe te passen, meebrengt dat de variabele heffingen bij invoer en

de andere maatregelen en belastingen bij invoer die momenteel gelden in het

kader van de gemeenschappelijke marktordeningen, moeten worden afgeschaft;

dat de douanerechten volgens de Overeenkomst van toepassing zijn voor

landbouwprodukten, zullen worden vastgesteld in het gemeenschappelijk

douanetarief; dat echter voor bepaalde sectoren, zoals granen, rijst, wijn en

groenten en fruit, met het oog op de invoering van aanvullende of andere

regelingen dan stabiele douanerechten afwijkingsbepalingen in de

basisverordeningen moeten worden opgenomen; dat voorts op grond van de

Overeenkomst de maatregelen ter bescherming van de markt van de

Gemeenschap tegen de invoer van rozijnen en krenten en verwerkte kersen

voor vijf jaar gehandhaafd mogen worden; dat het voorts, om problemen op het

vlak van de voorziening van de markt van de Gemeenschap te voorkomen,

dienstig is toe te staan dat voor bepaalde produkten van de sector suiker de

toepassing van de douanerechten wordt geschorst;

Overwegende dat, met het oog op het behoud van een minimum aan

bescherming tegen de nadelige marktconsequenties die het gevolg kunnen zijn

van bovengenoemde tarificatie, het in de Overeenkomst inzake

vrijwaringsmaatregelen is toegestaan om onder nauwkeurig bepaalde

voorwaarden en uitsluitend voor de produkten waarvoor de tarificatie geldt

aanvullende douanerechten toe te passen; dat derhalve in de betrokken

basisverordeningen een bepaling in bovengenoemde zin moet worden

opgenomen;

(.)

Overwegende dat als gevolg van de bij deze verordening vastgestelde

wijzigingen in de landbouwwetgeving talrijke verordeningen van de Raad die

afgeleid zijn van de basisverordeningen geen zin meer hebben: dat het, met het

oog op juridische duidelijkheid, dienstig is die verordeningen in te trekken; dat

tegelijk ook een aantal bepalingen moet worden ingetrokken die weliswaar niet

rechtstreeks verband houden met de GATT-overeenkomsten, maar die ook

achterhaald zijn; dat hetzelfde geldt voor een aantal verordeningen van de Raad

(zogenaamde verordeningen van de "tweede generatie"), waarvan het

merendeel in de betrokken basisverordeningen kan worden opgenomen;

(.)

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bij deze verordening worden de aanpassingen en overgangsmaatregelen

vastgesteld voor de tenuitvoerlegging in de landbouwsector van de

overeenkomsten die zijn gesloten in het kader van de multilaterale

handelsbesprekingen van de Uruguay-Ronde.

Artikel 2

De in artikel 1 bedoelde aanpassingen zijn opgenomen in de bijlagen.

Artikel 3

1. Als in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid maatregelen

nodig zijn om de overgang te vergemakkelijken van de huidige regeling naar de

regeling die het resultaat is van de aanpassingen aan de eisen die voortvloeien

uit de in artikel 1 bedoelde overeenkomsten, worden deze

overgangsmaatregelen vastgesteld volgens de procedure van artikel 38 van

Verordening nr. 136/66/EEG of, naar gelang van het geval, de daarmee

corresponderende artikelen van de andere verordeningen houdende een

gemeenschappelijke marktordening voor landbouwprodukten of van

Verordening (EG) nr. 3448/93.

Bij de vaststelling van deze maatregelen wordt, met inachtneming van de

verplichtingen op grond van de in artikel 1 bedoelde overeenkomsten, rekening

gehouden met de specifieke omstandigheden in de verschillende sectoren van

de landbouw.

2. De in lid 1 bedoelde maatregelen kunnen worden vastgesteld tot en met

30 juni 1999 en uiterlijk tot die datum worden toegepast. De Raad kan de

betrokken periode op voorstel van de Commissie en met gekwalificeerde

meerderheid van stemmen verlengen.

(.)

Artikel 6

1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 1995.

2. Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 1995.

De bepalingen:

a. van de artikelen 3 en 4, lid 2, zijn echter van toepassing met ingang van

1 januari 1995;

b. die in de bijlagen zijn vastgesteld met betrekking tot de invoerrechten en de

aanvullende invoerrechten voor de in de bijlagen XIII en XVI bedoelde

produkten waarvoor een invoerprijs wordt toegepast, zijn echter in 1995 van

toepassing vanaf het begin van het verkoopseizoen van de betrokken produkten

in 1995;

(.)

d. die zijn vastgesteld in bijlage XV zijn echter van toepassing met ingang van

1 januari 1995;

e. die zijn vastgesteld in bijlage XVI, onderdeel 1, punt 2, zijn echter van

toepassing met ingang van 1 januari 1996.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks

toepasselijk in elke Lid-Staat."

Verordening (EG) nr. 1035/96 van de Commissie van 8 mei 1996 tot wijziging van bijlage

I van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en

statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief houdt onder meer het

volgende in:

" DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

(.)

Overwegende dat bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 een

goederennomenclatuur is vastgesteld, hierna "gecombineerde nomenclatuur"

genoemd, zowel ten behoeve van het gemeenschappelijk douanetarief als ten

behoeve van de statistieken van de buitenlandse handel van de Gemeenschap;

Overwegende dat de gecombineerde nomenclatuur gewijzigd dient te worden

vanwege:

- gewijzigde eisen op het gebied van de statistieken en het handelsbeleid, met

name ingevolge Besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994

betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft

de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de

multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguay-Ronde

(1986-1994) voortvloeiende overeenkomsten, Verordening (EG) nr. 3093/95

van de Raad van 22 december 1995 houdende vaststelling van de uit de

onderhandelingen in het kader van artikel XXIV, lid 6, van de GATT

voortvloeiende rechten die de Gemeenschap dient toe te passen als gevolg

van de toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden tot de Europese Unie

en van andere bepalingen die door de Raad of door de Commissie zijn

vastgesteld;

(.)

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onverminderd de bepalingen van Verordening (EG) nr. 344/96 van de Raad

van 26 februari 1996 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2658/87 met

betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk

douanetarief, wordt bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87

overeenkomstig de bijlagen bij deze verordening gewijzigd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 1996.

(.)

Invoerrecht

GN-code Omschrijving autonoom conventioneel Bijzondere

(%) (%) maatstaf

1 2 3 4 5

0201 Vlees van -

runderen vers

of gekoeld:

(.)

0201 30 00 - zonder been 20 + 474,0 17,6 + 417,1 -

Ecu/ Ecu/

100 kg/net 100 kg/net

(û)

0202 Vlees van

runderen,

bevroren:

(.)

0206 10 95 longhaasjes en 20 + 474 17,6 + 417,1 -

omlopen... Ecu/ Ecu/

100 kg/net 100 kg/net

(ý)"

De artikelen 30c en 30d van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (hierna: de Awb)

luidden ten tijde van belang als volgt:

" Art. 30c

In afwijking van artikel 2, eerste lid, onderdeel b, wordt onder rechter verstaan

de Tariefcommissie indien de uitspraak, bedoeld in artikel 26, betrekking heeft

op een uitnodiging tot betaling met betrekking tot douanerechten, dan wel op

een beschikking die is genomen op grond van wettelijke bepalingen in de zin

van de Douanewet, andere dan die van hoofdstuk 5 van die wet.

Art. 30d

- 1. Tegen een uitnodiging tot betaling ter zake van anti-dumpingheffingen,

compenserende heffingen of landbouwheffingen, onderscheidenlijk een in

artikel 886, eerste lid, van de toepassingsverordening Communautair

douanewetboek bedoelde beschikking tot terugbetaling of kwijtschelding ter

zake van deze heffingen, staat, in afwijking van hetgeen omtrent bezwaar en

beroep in de andere artikelen van dit hoofdstuk is bepaald, beroep open op het

College van Beroep voor het bedrijfsleven.

- 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan degene die een

douaneaangifte heeft gedaan en in verband met de toepassing van de wettelijke

voorschriften inzake anti-dumpingheffingen, compenserende heffingen of

landbouwheffingen bezwaar heeft tegen de door de inspecteur voor die

goederen toegepaste indeling in het douanetarief, bedoeld in artikel 20, derde

lid, van het Communautair douanewetboek, een bezwaarschrift indienen op de

voet van artikel 23.

De Douanewet bevat onder meer de volgende bepalingen:

" Artikel 1

(.)

2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder

rechten bij invoer:

a. douanerechten in de zin van het vierde lid en heffingen van gelijke werking

die bij de invoer van goederen van toepassing zijn;

b. landbouwheffingen en andere belastingen bij invoer die zijn vastgesteld in

het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in dat van de

specifieke regelingen die op bepaalde door verwerking van landbouwprodukten

verkregen goederen van toepassing zijn.

3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder

rechten bij uitvoer:

a. douanerechten en heffingen van gelijke werking die bij de uitvoer van

goederen van toepassing zijn;

b. landbouwheffingen en andere belastingen bij uitvoer die zijn vastgesteld in

het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in dat van de

specifieke regelingen die op bepaalde door verwerking van landbouwprodukten

verkregen goederen van toepassing zijn;

4. Onder de naam 'douanerechten' wordt een belasting geheven overeenkomstig

hetgeen dienaangaande, mede onder de benaming invoerrecht, is bepaald bij of

krachtens het Koninkrijk verbindende verdragen en in al hun onderdelen

verbindende besluiten van bij zodanige verdragen opgerichte volkenrechtelijke

organisaties.

(.)

Artikel 2

(.)

2. In deze wet en de andere wetten inzake de rechten bij invoer en de rechten

bij uitvoer, alsmede de daarop berustende bepalingen, wordt in aanvulling op

de begripsbepalingen van het Communautair douanewetboek verstaan onder:

(.)

c. landbouwheffingen: zowel landbouwheffingen als andere belastingen bij

invoer die zijn vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk

landbouwbeleid of in dat van specifieke regelingen die op bepaalde door

verwerking van landbouwprodukten verkregen goederen van toepassing zijn;

(.)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter terechtzitting zijn - voorzover van belang -

in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden vast komen te staan.

- Op 9 december 1996 is een container met vleesproducten onder airway bill 1142356-

5043 vanuit de Verenigde Staten vervoerd naar Schiphol. De vleesproducten waren

afkomstig van General Meat Corporation te Chicago. De container was bestemd voor

Joegoslavi‰. De zending bestond uit 22 colli met een gewicht van 20.769 kg.

- Voormelde goederen zijn op 9 december 1996 geplaatst onder het stelsel van douane-

entrepot en in de desbetreffende administratie van appellante opgenomen onder nr.

69226. Als luchtvervoerder was opgetreden El Al; als agent in Nederland Blue Water

Shipping (hierna: BWS).

- Vooruitlopend op zending van de goederen naar Joegoslavi‰ heeft BWS een

document T1 opgemaakt.

- Op 10 december 1996 is de container gevisiteerd door de douane. Bij deze visitatie is

gebleken dat de inhoud van de container niet bestond uit slachtafvallen maar uit

ossenhazen en longhazen, hetgeen leidde tot niet-doorlating van de container.

- Appellante beschikte in haar douane-entrepot niet over voldoende koelruimte.

- BWS heeft vervolgens in overleg met de douane gekozen voor opslag van het vlees

in een zich op het terrein van appellante bevindende koeltrailer.

- Deze koeltrailer is afgekoppeld geplaatst op het terrein van appellante.

- Op 12 december 1996 was de trailer verdwenen.

- Op 1 april 1997 is appellante door de douane in kennis gesteld van een minder-

bevinding in haar entrepot.

- Op 23 april 1997 heeft de inspecteur op grond van de artikelen 203, 214 en 220 van

het CDW een UTB naar appellante doen uitgaan, waarop onder meer een bedrag van

f 209.029,40 voor "landbouwheffing" was vermeld.

- Appellante heeft bij schrijven van 15 mei 1997 bezwaar gemaakt tegen voormelde

UTB.

- Hierop heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

In zijn schrijven van 13 januari 2000 heeft verweerder medegedeeld dat onder de codes 77

en 78 douanerechten zijn nagevorderd, die zijn ingesteld op basis van WTO-tarief-

contingenten en niet op basis van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Deze rechten

zijn abusievelijk als "landbouwheffing" omschreven. De juiste omschrijving, aldus

verweerder, had behoren te zijn "douanerechten". Voor douanerechten is de

Tariefcommissie bevoegd.

4. Het standpunt van appellante

Voorzover thans van belang heeft appellante het volgende aangevoerd

Aangaande de bevoegdheid tot de beoordeling van het geschil refereert appellante zich aan

het oordeel van het College.

Volgens de UTB van 23 april 1997 is aan douanerechten nihil geheven. Wel zijn geheven

landbouwheffingen. Aan de UTB ontbreekt een rechtsbasis nu de landbouwheffingen ten

tijde van het opleggen van de UTB niet meer aanwezig waren. De UTB dient derhalve te

vervallen. De wettelijke systematiek erkent geen conversie van zonder rechtsgrond

geheven heffingen in heffingen die wel een rechtsbasis hebben.

5. De beoordeling van het geschil

Bij verordening (EG) nr. 3290/94 zijn aanpassingen en overgangsmaatregelen in de

landbouwsector vastgesteld om uitvoering te geven aan de overeenkomsten die zijn

gesloten in het kader van de Uruguay-ronde. De aanpassingen zijn opgenomen in de

bijlagen van deze verordening. De overeenkomst inzake de landbouw is in werking

getreden op 1 januari 1995. Behoudens een aantal hier niet ter zake doende uitzonderingen

is deze verordening van toepassing vanaf 1 juli 1995.

Ingevolge deze verordening worden - voorzover hier van belang - landbouwheffingen

omgerekend in douanerechten (tarificatie).

Vaststaat dat in het onderhavige geval zodanige omgerekende rechten zijn geheven, en dat

derhalve de op de UTB van 23 april 1997 gebezigde terminologie "landbouwheffing" toen

had moeten luiden: "douanerechten". De term "landbouwheffing" komt immers sinds

1 januari 1997 in het CDW niet meer voor.

Deze omstandigheid brengt met zich mee dat, gelet op de bevoegdheidsverdeling tussen

het College en de Tariefcommissie in de artikelen 30c en 30d van de AWR, wat betreft

vanaf 1 januari 1997 geheven douanerechten de Tariefcommissie exclusief bevoegd is ook

indien deze - per abuis - onder de benaming "landbouwheffing" aan belanghebbende

bekend zijn gemaakt.

Het beroepschrift zal met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht

(hierna: Awb) worden doorgezonden aan de Tariefcommissie.

Het College zal de beslissing omtrent de proceskosten reserveren tot de einduitspraak van

de Tariefcommissie.

Een redelijke toepassing van artikel 8:74, lid 2, van de Awb brengt met zich dat aan

appellante het door haar gestorte griffiegeld door de griffier van het College wordt

vergoed.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep;

- stelt de door appellante in verband met de behandeling van het beroep bij het College gemaakte proceskosten vast op fl. 2130,--;

- draagt de griffier op het door appellante voor de behandeling van het beroep betaalde griffiegeld ad fl. 420,-- aan appellante te vergoeden;

- draagt de griffier op het dossier van deze zaak door te zenden aan de Tariefcommissie.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr H.G. Lubberdink en mr F.H.M. Possen, in tegenwoordigheid van mr A. Bruining, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2001.

w.g. D. Roemers w.g. A. Bruining