Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AA9890

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-02-2001
Datum publicatie
09-02-2001
Zaaknummer
AWB 98/1070 t/m 98/1075
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen 24, geldigheid: 2001-02-06
Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen 25, geldigheid: 2001-02-06
Uitvoeringsregeling administratieve voorschriften S&O-vermindering 2, geldigheid: 2001-02-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 98/1070 tot en met 98/1075 6 februari 2001

27000

Uitspraak in de zaken van:

Claus Partyhouse Hoofddorp B.V., te Hoofddorp,

Claus Partyhouse Haarlem B.V., te Haarlem,

Claus Partyhouse Alkmaar B.V., te Alkmaar,

Claus Vastgoed B.V., te Haarlem,

Mentzhoeve B.V., te Hoofddorp,

Claus Beheer B.V. , te Haarlem,

appellanten,

gemachtigde: mr C.M. Sanders, advocaat te Haarlem,

tegen

de Minister van Economische Zaken, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr I.A.M. van Nieuwkerk en ing. M.G. Koerhuis.

1. De procedure

Op 12 oktober 1998 heeft het College van appellanten beroepschriften ontvangen, waarbij

beroep wordt ingesteld tegen besluiten van verweerder van 1 september 1998.

Bij deze besluiten heeft verweerder beslist op de bezwaren die appellanten hebben gemaakt

tegen de intrekking van de S&O-verklaringen die verweerder heeft afgegeven op grond van

de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen.

Op 13 april 1999 hebben appellanten de gronden van hun beroepen aangevuld.

Verweerder heeft op 7 juli 1999 een verweerschrift ingediend.

Het College heeft de zaken verwezen naar een enkelvoudige kamer, die ter zitting van

24 mei 2000 als getuigen heeft gehoord A, B en C.

Bij beschikking van 9 juni 2000 heeft deze enkelvoudige kamer de zaken naar een

meervoudige kamer verwezen.

Op 14 november 2000 heeft het onderzoek ter zitting door deze meervoudige kamer

plaatsgevonden, alwaar partijen hun standpunten nader hebben doen toelichten.

Op 17 en 20 november 2000 hebben partijen enkele gedingstukken nagezonden.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen

(hierna: de WVA) is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 24

1. Aan een S&O-inhoudingsplichtige die voornemens is in een kalenderjaar

speur- en ontwikkelingswerk te verrichten geeft Onze Minister van

Economische Zaken op verzoek een S&O-verklaring af. In de verklaring wordt

vermeld dat het aangemelde werk is aangemerkt als speur- en

ontwikkelingswerk. Voorts wordt in de verklaring vermeld het bedrag van het

vermoedelijke beloop van het in dat kalenderjaar te genieten loon voor zover

dat betrekking zal hebben op speur- en ontwikkelingswerk en welk gedeelte

daarvan, gelet op het in artikel 22, eerste lid, bedoelde maximum ten hoogste in

aanmerking kan worden genomen bij de toepassing van dat artikel (.).

(.)

7. (.) Een S&O-verklaring kan worden gewijzigd of ingetrokken indien

blijkt dat te harer verkrijging verstrekte gegevens of bescheiden zodanig onjuist

of onvolledig zijn dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn genomen

indien bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend

zouden zijn geweest. Onjuistheid of onvolledigheid van gegevens of

bescheiden die Onze Minister van Economische Zaken bekend was of

redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond opleveren voor

wijziging of intrekking van een verklaring. Een S&O-verklaring kan tevens

worden ingetrokken indien blijkt dat de in artikel 25 bedoelde administratie

niet voldoet aan het bij of krachtens dat artikel bepaalde. De bevoegdheid tot

het wijzigen of intrekken van een verklaring vervalt door verloop van vijf jaren

na de dagtekening van de verklaring.

Artikel 25

De S&O-inhoudingsplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven houdt

een overeenkomstig bij ministeri‰le regeling van Onze Minister van

Economische Zaken vast te stellen regels ingerichte administratie bij met

betrekking tot de aard en de inhoud van het verrichte speur- en

ontwikkelingswerk en de uren welke de daarbij betrokken werknemers hebben

besteed aan het speur- en ontwikkelingswerk. (.)"

Bij de Uitvoeringsregeling administratieve voorschriften Wet bevordering speur-en

ontwikkelingswerk (hierna: de Uitvoeringsregeling) is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 2

De S&O-inhoudingsplichtige of S&O-belastingplichtige aan wie een S&O-

verklaring is afgegeven dient een zodanige administratie bij te houden dat

daaruit uiterlijk twee maanden na afloop van het kalenderkwartaal waarin

werkzaamheden zijn verricht waarop de verklaring betrekking heeft op

eenvoudige en duidelijke wijze zijn af te leiden:

a. de aard en de inhoud van het verrichte speur- en ontwikkelingswerk; b. het

aantal uren dat de betrokken werknemers, dan wel de betrokken S&O-

belastingplichtige aan het verrichte speur- en ontwikkelingswerk per project

hebben besteed."

De toelichting bij de Uitvoeringsregeling luidt onder meer als volgt:

" Om een adequate controle in het kader van de wet mogelijk te maken dient de

S&O-inhoudingsplichtige (.) over de uitvoering van deze projecten in zijn

administratie zodanige gegevens bij te houden dat daarmee inzicht wordt

verschaft in de voortgang van die projecten. (.) Indien twee maanden na

afloop van het kalenderkwartaal waarin werkzaamheden hebben plaats

gevonden geen administratie aanwezig is, is dat een grond voor intrekking van

de afgegeven S&O-verklaring."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten

en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellanten hebben op 9 juni 1997 aanvragen ingediend om S&O-verklaringen als

bedoeld in artikel 24 van de WVA met betrekking tot werkzaamheden in de periode

van 1 juli tot en met 31 december 1997.

- Op 29 augustus 1997 heeft verweerder ter beoordeling van deze aanvragen een

controlebezoek doen afleggen bij de bedrijven van appellanten. Blijkens

desbetreffend evaluatieformulier is bij deze bedrijfscontrole gebleken dat geen

projectadministratie aanwezig was.

- Bij brief van 4 september 1997 heeft verweerder aan appellanten de gevraagde S&O-

verklaringen afgegeven en daarbij onder meer het volgende medegedeeld:

" Ik wijs u er op dat alleen directe uren besteed aan de ontwikkeling van

technisch nieuwe fysieke producten of productieprocessen worden gerekend tot

speur- en ontwikkelingswerk.

Onder meer de volgende werkzaamheden worden niet tot speur- en

ontwikkelingswerk gerekend:

het bouwen of inrichten van apparatuur of progammatuur, bestemd voor

toepassing in de praktijk;

werkzaamheden met betrekking tot het invoeren in een bestaande

bedrijfssituatie en aanpassen van aangekochte technologie, producten,

processen of programmatuur, dan wel onderdelen daarvan.

het bouwen van een pilot-plant op productieschaal, dan wel een prototype met

een produktieve of commerci‰le betekenis;

Verder verwijs ik u naar de Afbakeningsregeling speur- en ontwikkelingswerk

1997.

Bij een controlebezoek zal duidelijk moeten blijken dat de verrichte

werkzaamheden tot speur- en ontwikkelingswerk gerekend kunnen worden."

- Bij brief van 6 april 1998 heeft verweerder appellanten het volgende bericht:

" Hierbij bevestig ik de telefonisch met de heer B van Alta International

Business B.V. gemaakte afspraak. Wij spraken af om op woensdag 15 april

1998 om 10:30 uur uw bedrijf te bezoeken in verband met de door u

ingediende aanvraag in het kader van de Wet vermindering afdracht

loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, hoofdstuk VIII (S&O-

vermindering). Dit bezoek zal ongeveer 1 1/2 uur duren. Het doel van het

bezoek is om inzicht te krijgen in de projecten en om uw uren- en

projectadministratie in te zien. Deze administraties moet u op grond van de bij

deze wet behorende Uitvoeringsregeling administratieve voorschriften

bijhouden.

Om er voor te zorgen dat het bezoek vlot verloopt is het nodig dat ik tijdens het

bezoek de bovenvermelde administraties kan inzien en een technisch-

inhoudelijke toelichting kan krijgen met betrekking tot de S&O-projecten. Uit

de administraties moet op eenvoudige en duidelijke wijze zijn af te leiden wat

de aard en inhoud van het verrichte speur- en ontwikkelingwerk is en het aantal

uren dat de betrokken S&O-medewerkers aan het speur- en ontwikkelingswerk

per project hebben besteed. Voor een effici‰nte controle verzoek ik u tevens dat

ik de controledossiers van de accountant in kan zien van de betreffende

aanvragen.

Als u bent verhinderd dient u zelf voor adequate vervanging te zorgen. De

afspraak wordt in principe niet verzet. Dit in verband met een effici‰nte

uitvoering van deze regeling. De aanvragen waarop het bezoek betrekking heeft

zijn de aanvragen van Claus Partyhouse Hoofddorp B.V., Claus Beheer B.V.,

Claus Partyhouse Alkmaar B.V., Claus Mentzhoeve B.V., Claus Partyhouse

Haarlem B.V. en Claus Vastgoed B.V. betreffende de jaren 1997 en 1998."

- Bij brief van 28 mei 1998 heeft verweerder appellanten medegedeeld deze S&O-

verklaringen in te trekken op grond van het volgende:

" Op 15 april 1998 hebben mijn medewerkers, de heren Middelkamp en Visser,

een bedrijfsonderzoek bij u afgelegd. Daarbij is geconstateerd dat de

projectenadministratie niet voldoet aan de eisen die daaraan worden gesteld.

Volgens artikel 2 van de Uitvoeringsregeling administratieve voorschriften en

de toelichting daarop, die behoort bij deze wet, dient de aanvrager een

administratie bij te houden waaruit op eenduidige en duidelijke wijze de aard

en de inhoud van het verrichte speur- en ontwikkelingswerk is af te leiden.

Omdat uw administratie niet voldoet aan de eisen die in artikel 2, van de

Uitvoeringsregeling administratieve voorschriften bij deze wet worden gesteld,

trek ik de S&O-verklaring in op grond van artikel 25 en artikel 24, zevende

lid."

- Hiertegen hebben appellanten op 9 juni 1998 bezwaar gemaakt met het verzoek om

" een spoedige behandeling van deze bezwaren (streven binnen twee weken) "

en met de volgende redengeving:

" (.) dat door de heren B.G. Middelkamp en G.T. Visser van Senter bij een

door hen verricht bedrijfsonderzoek, waarbij pas na 1,5 maand, schriftelijk

bekend gemaakt werd dat de project administratie niet naar behoren zou zijn.

Wij bestrijden dat, daar in eerste instantie gevraagd werd naar de project

administratie van 1998, alsmede de uren registratie en terloops ook naar 1997

gekeken is. Voorts is het zo dat het een doorlopend project betreft van juli 1997

t/m mei 1998 en de projectadministratie derhalve voor de periode 1997

daardoor uiteraard betrekkelijk bescheiden van omvang, aanwezig was.

De verslagen en samenvattingen waren niet ter plekke, doch werd dat ook niet

gevraagd, of een opmerking daarover geplaatst."

- Bij brief van 25 juni 1998 zijn appellanten uitgenodigd hun bezwaren toe te lichten in

een hoorzitting op 1 juli 1998.

- Op 1 juli 1998 heeft verweerder appellanten ter zake van hun bezwaren gehoord.

- Op 15 juli 1998 heeft verweerder nog nadere informatie opgevraagd, die door

appellante bij brief van 24 juli 1998 is verstrekt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Verweerder heeft bij het bestreden besluit onder meer het volgende overwogen:

" Uit hetgeen mijn medewerkers, de heren Visser en Middelkamp, aan

projectadministratie van 1997 hebben gezien, zijn geen S&O-werkzaamheden

gebleken. De aard en omvang was van dien aard dat er geen redelijke indruk

kon worden verkregen van de verrichte S&O-werkzaamheden. De notulen van

vergaderingen die u tijdens de hoorzitting heeft overgelegd zijn tijdens het

bedrijfsonderzoek niet overgelegd, ook is door u geen meldcing van het bestaan

hiervan gemaakt. Mijn medewerkers hebben het bestaan van dergelijke

verslagen ook niet kunnen vermoeden, gezien uw uitlatingen tijdens het

bedrijfsonderzoek van 29 augustus 1997, waarin is gesteld dat het project nog

niet was gestart; en gezien de uitlatingen tijdens het bedrijfsbezoek van 15 april

1998 inhoudende dat de opzet van een projectadministratie in het begin

moeizaam verliep en dat, na interventie van de heer B, na december 1997 hier

serieus een start mee is gemaakt.

(.)

Mijn medewerkers, de heren Visser en Middelkamp, hebben volgens hun

verklaring u wel degelijk (meerdere malen) gevraagd naar de

projectadministatie van 1997 en hebben u dan ook voldoende in de gelegenheid

gesteld om de projectadministratie voor te leggen. Wat zij hebben gezien, en

dat wordt door u ook niet bestreden, voldoet niet aan de eisen van de

Uitvoeringsregeling. Ik ben van mening dat het voor rekening en risico van de

inhoudingsplichtige is indien deze niet de projectadministratie voorhanden

heeft.

Uit de op hoorzitting verstrekte stukken kan ik niet vaststellen of deze ten tijde

van het bedrijfsbezoek aanwezig waren. Ook uit uw mededelingen kan ik

daaromtrent geen zekerheid ontlenen.

(.) de eisen welke ik aan een administratie stel zijn kenbaar. Een dergelijke

administratie is voor mij noodzakelijk ter controle van de Wet, zoals ik

hierboven heb aangegeven. Deze controle is voor mij de enige mogelijkheid

om na te gaan of voldaan wordt aan het gestelde in de Wet en of daadwerkelijk

de werkzaamheden waarvoor S&O-vermindering is toegekend zijn uitgevoerd.

(.)

Door het ontbreken van een administratie welke voldoet aan de eisen gesteld in

de Uitvoeringsregeling aan het einde van de twee maanden termijn, kan door

mij niet met zekerheid vastgesteld worden wat de aard en inhoud der

werkzaamheden is geweest, alsmede of deze werkzaamheden de uren hebben

gevergd, zoals bij de aanvraag opgegeven. Indien dit aan het einde van de door

mij gestelde, ruime termijn, hieraan nog niet is voldaan, acht ik een intrekking

gerechtvaardigd."

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben bij aanvullende beroepschrift onder meer het volgende tegen het

bestreden besluit aangevoerd:

" Appellante is van mening, dat de door haar gesignaleerde gebreken en

tekortkomingen, waaronder de te korte termijn voor de oproeping voor de

hoorzitting alsmede het horen van de medewerkers van Senter buiten de zitting

om en het onthouden aan appellante van de gelegenheid om daarop inhoudelijk

te reageren, van dien aard zijn, dat reeds daarom de bestreden beslissing

vernietigd behoort te worden.

(.)

Voorts blijft appellante er onverkort bij, dat:

- De op 15 april 1998 aanwezige project- en urenadministratie over het jaar

1997 voldeed aan de daaraan te stellen eisen en aanwezig was;

- Door de medewerkers van Senter dienaangaande volstrekt geen op- of

aanmerkingen zijn gemaakt;

- Uitdrukkelijk zijdens appellante -herhaaldelijk- is gevraagd of hetgeen

getoond werd genoegzaam werd bevonden en/of eventueel nadere stukken,

welke elders aanwezig waren, opgehaald dienden te worden;

- De medewerkers van Senter zulks niet nodig vonden en het vertrouwen

hebben gewekt, dat de administratie voldeed aan de daaraan te stellen eisen.

(.)

Indien verweerder -achteraf- tot het oordeel mocht zijn gekomen, dat

desondanks de administratie van appellante niet voldeed -hetgeen uitdrukkelijk

niet het geval is geweest- had verweerder appellante specifiek dienen op te

geven op welke punten de administratie tekort schoot en appellante de

gelegenheid behoren te bieden eventuele verzuimen te herstellen. Nu

verweerderdit heeft nagelaten kon en mocht hij niet tot de

intrekkingsbeschikking d.d. 28 mei 1998 en de handhaving daarvan na gemaakt

bezwaar besluiten.

(.)

Voorts moge appellante wijzen op het rapport Evaluatie Wet Bevordering

Speur- en Ontwikkelingswerk. Op bladzijde 126 is daarin opgenomen:

" Het bieden van mogelijkheden van herstel aan de organisatie heeft echter

tot op heden hogere prioriteit dan het maximaliseren van intrekkingen. In

een aantal gevallen wordt beslist tot het brengen van een herhaalbezoek."

(.)

(.) verweerder maakt geenszins inzichtelijk op welke wijze hij de betrokken

belangen daadwerkelijk heeft afgewogen en welk gewicht verweerder heeft

toegekend aan het belang van appellante.

Zoals hiervoor uiteengezet is de controlemogelijkheid niet uitsluitend gelegen

in de aanwezigheid van een administratie en voorts had verweerder in de

omstandigheden van dit specifieke geval niet zonder meer tot intrekking van de

beschikking mogen overgaan."

Bij dit aanvullend beroepschrift hebben appellanten een verklaring van de heer B gevoegd,

die hierbij onder meer verklaart:

" aanwezig te zijn geweest op 15 april 1998 te Hoofddorp, bij het

bedrijfsbezoek/controle door Senter,

en

dat de noodzakelijke project administratie voor betreffende S&O vermindering

weliswaar voor 1998 aanwezig was, dat door een misverstand van het 2e

kwartaal 1997 de nog summiere gegevens, wel ter beschikking waren, doch

niet terplekke in Hoofddorp, alwaar het onderzoek plaats vond, dat de heren

G.T. Visser en B.G. Middelkamp niet concreet daar ook naar gevraagd hebben.

Het project startte, conform de aanvraag, medio augustus 1997 en dat de opstart

van het project moeilijk te coordineren en te structueren was, omreden dat in de

vooronderzoekfase, zeer veel diverse problemen naar voren kwamen, alsmede

door personele wijzigingen binnen de Claus organisatie, de verslaglegging

daardoor ook niet adequaat kon zijn en met gevolg dat ook de noodzakelijke

project voorgangs rapportage ook summier was."

Ter zitting op 14 november 2000 hebben appellanten onder meer nog het volgende

aangevoerd:

" Ter gelegenheid van de eerste mondelinge behandeling zijn een drietal getuigen

gehoord. (.) de verklaringen van de drie getuigen stemmen in hoofdlijn met

elkaar overeen en houden in het bijzonder in, dat er een uren- en

projectadministratie aanwezig was ter gelegenheid van het controlebezoeken er

door de controleurs geen nadere stukken werden opgevraagd. Voorts bestond

bij alle getuigen de indruk, dat de administratie, zoals die ter plekke aanwezig

was, accoord werd bevonden.

Bij het verweerschrift onder bijlage 13 bevinden zich de diverse notulen van de

vergaderingen, waaruit blijkt van de S&O-activiteiten en de voorgang daarin.

In dit kader is van belang, dat de Wet niet voorschrijft, hoe de

projectadministatie inhoudelijk gevoerd dient te worden en aan welke

maatstaven deze dient te voldoen. Evenmin geeft verweerder aan op welke

punten de gevoerde administatie niet zou voldoen. Daar het een meerjarig

project betreft, dat enkele maanden daarvoor (juli 1997) was gestart en het

daaropvolgende jaar doorliep, kunnen geen hogen eisen aan de

projectadministratie gesteld worden en moeten de besprekingsverslagen,

tezamen met het destijds aanwezige foldermateriaal voldoende worden geacht.

(.) de register-accountant heeft onderzocht en vastgesteld, dat de gevoerde

administratie in alle opzichten voldoet aan de wettelijke vereisten. Het

standpunt van verweerder is daarmee onverenigbaar en behoeft minst genomen

nadere verklaring, die echter geheel ontbreekt."

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Aangaande de grieven van appellanten tegen de gevolgde bezwaarprocedure overweegt het

College als volgt.

Appellanten hebben verzocht om een spoedige behandeling van hun bezwaren en daarbij

een termijn van twee weken genoemd.

Verweerder heeft appellanten 16 dagen na ontvangst van hun bezwaarschriften uitgenodigd

voor een hoorzitting die een week na dagtekening van deze uitnodiging is gehouden.

Appellanten hebben niet verzocht om uitstel van de hoorzitting, noch gepoogd een afspraak

te maken om de desbetreffende stukken in te zien. Evenmin hebben appellanten tijdens de

hoorzitting te kennen gegeven door de korte termijnen in hun procespositie te worden

geschaad.

Gesteld noch gebleken is dat bij de confrontatie van de hiervoor genoemde

controleambtenaren Visser en Middelkamp met de lezing die appellanten hadden gegeven

van het bedrijfsbezoek, ter zake belangrijke nieuwe feiten of omstandigheden bekend zijn

geworden. Voor het oordeel dat verweerder ingevolge artikel 7:9 van de Algemene wet

bestuursrecht (hierna ook: de Awb) appellanten na deze confrontatie opnieuw had moeten

horen, ziet het College derhalve geen grondslag.

Tegen de overschrijding door verweerder van de bij artikel 7:10 van de Awb bepaalde

beslistermijn, hebben appellanten niet de hen ten dienste staande rechtsmiddelen gebruikt.

Overigens kan schending van dit vormvoorschrift niet leiden tot vernietiging van de

betrokken beslissing op bezwaarschrift.

De conclusie van het College is dat de grieven van appellanten tegen de gevolgde

bezwaarprocedure geen doel treffen.

5.2 Hetgeen appellanten voorts hebben aangevoerd strekt ten eerste ten betoge dat bij het

bedrijfsbezoek op 15 april 1998 een behoorlijke projectadministratie over het jaar 1997

beschikbaar was. Het College volgt appellanten niet in dit betoog en overweegt hiertoe als

volgt.

Aan appellanten is het bedrijfsbezoek vooraf schriftelijk bevestigd onder vermelding dat

het nodig is tijdens het bezoek onder meer de voorgeschreven projectadministratie in te

zien. Het lag, gelet op artikel 2 van de Uitvoeringsregeling, op de weg van appellanten er

zorg voor te dragen dat de voorgeschreven projectadministratie aanwezig was ten tijde en

ter plekke van het bedrijfsonderzoek.

Dat, naar appellanten hebben aangevoerd, genoemde controleambtenaren tijdens het

bedrijfsbezoek niet nodig vonden dat een beweerde elders aanwezige administratie zou

worden opgehaald, heeft verweerder weersproken en acht het College ook niet aannemelijk

gezien de schriftelijke bevestiging van (het doel van) het bedrijfsbezoek. Hetgeen de

hierboven onder rubriek 1 genoemde getuigen ter zitting van 24 mei 2000 hebben

verklaard, heeft het College niet tot een anders luidende opvatting kunnen brengen.

De conclusie is dat, nu ten tijde en ter plekke van het aangekondigde bedrijfsonderzoek

geen projectadministratie aanwezig was, waaruit genoemde controleambtenaren op

eenvoudige en duidelijke wijze de aard en de inhoud van het in 1997 verrichte speur- en

ontwikkelingswerk hebben kunnen afleiden, appellanten niet hebben voldaan aan hun

verplichting uit artikel 2 van de Uitvoeringsregeling. Ook aan deze conclusie vermogen de

verklaringen van evenbedoelde getuigen niet af te doen.

Uit het voorafgaande volgt dat verweerder ingevolge het bepaalde in de laatste volzin van

het hierboven weergegeven artikel 24, zevende lid, van de WVA bevoegd was tot

intrekking van de aan appellanten afgegeven S&O-verklaringen.

5.3 Vervolgens is de vraag aan de orde of verweerder, gezien de omstandigheden van het

onderhavige geval, in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot genoemde intrekking.

Dienaangaande overweegt het College ten eerste dat beweerde elders aanwezige

administratie over 1997 bestond uit nog summiere gegevens, met name een summiere

projectvoortgangsrapportage en een niet adequate verslaglegging, naar blijkt uit de door

appellanten bij hun beroepschriften gevoegde verklaring van de heer B.

Niet gebleken is dat appellanten aansluitend op het bedrijfsonderzoek enige actie hebben

ondernomen om deze beweerde elders aanwezige gegevens alsnog en onverwijld aan

verweerder over te leggen. In de omstandigheden van dit geval komt het voor rekening en

risico van appellanten dat verweerder niet tijdig heeft kunnen vaststellen dat ten tijde van

bedoeld bedrijfsonderzoek toch sprake moet zijn geweest van een behoorlijke

projectadministratie over het jaar 1997.

Het College ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder na genoemd bedrijfsbezoek

appellanten gelegenheid had behoren te bieden bedoeld verzuim te herstellen alvorens tot

de litigieuze intrekkingen te besluiten. Niet alleen het eerdere bedrijfsbezoek op

29 augustus 1997 en verweerders aansluitende brief van 4 september 1997, maar vooral

ook verweerders brief van 6 april 1998 ter bevestiging van het tweede bedrijfsbezoek, had

appellanten aanleiding moeten geven om te zorgen voor de aanwezigheid van een

projectadministratie over met name 1997, die voldoet aan de voorschriften van artikel 2

van de Uitvoeringsregeling.

Dat een verzuim op dit punt grond vormt voor intrekking van een S&O-verklaring, is met

zoveel woorden bepaald bij artikel 24, zevende lid, van de WVA, en uitdrukkelijk vermeld

in de toelichting bij artikel 2 van de Uitvoeringsregeling.

Met tekst en strekking van verweerders mededeling in een rapport van 10 april 1996 over

de toepassing van de destijds geldende Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk dat

in zijn tot dan toe gevoerde beleid hogere prioriteit is gegeven aan het doen herstellen van

administratie dan het maximaliseren van intrekkingen, is geenszins onverenigbaar dat twee

jaar nadien bij toepassing van de WVA verweerder overgaat tot intrekkingen in

omstandigheden als vaststaand in deze zaken.

Gezien voormelde feiten en omstandigheden ziet het College geen grond voor het oordeel

dat de nadelen die appelanten lijden als gevolg van verweerders besluit tot intrekking van

de S&O-verklaringen, onevenredig zijn in verhouding tot het doel van een adequate

controle, dat is vermeld in de toelichting bij de Uitvoeringsregeling.

5.4 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing

van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

7.

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, mr M.J. Kuiper en mr J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr A.J. Medze, en uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2001.

w.g. H.C. Cusell w.g. A.J. Medze

Tegen een uitspraak waarin de begrippen "inhoudingsplichtige", "loontijdvak", "loon, "onderneming",

"fiscale eenheid" en "werknemer" worden toegepast kan beroep in cassatie worden ingesteld. Verwezen

wordt naar de aanbiedingsbrief bij deze uitspraak.