Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AA9866

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
31-01-2001
Datum publicatie
01-03-2002
Zaaknummer
AWB 94/1922/060/234
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 94/1922/060/234 31 januari 2001

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

gemachtigde: mr A.A.M. van Beek, advocaat te Tilburg,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr M. Nagel, werkzaam bij verweerders ministerie.

1. De procedure

Op 25 mei 1994 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen van

appellante waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van

20 april 1994. Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen het

namens verweerder door de directeur Landbouw, Natuur en Openluchtrecreatie in

Overijssel (hierna: de directeur LNO) genomen besluit op grond van de Beschikking

superheffing zure boerderijzuivelprodukten (hierna: de BZB) van 13 mei 1992 ongegrond

verklaard.

Verweerder heeft bij besluit van 30 november 1995 de bezwaren van appellante tegen

voormeld besluit van de directeur LNO van 13 mei 1992 alsnog gedeeltelijk gegrond

verklaard en besloten aan appellante een extra heffingvrije hoeveelheid toe te wijzen van

8.546 kg melkequivalent.

Appellante heeft bij brieven van 31 januari 1996 en 25 juli 1996 aan het College

medegedeeld haar beroep te handhaven voor zover dit beroep schadevergoeding betreft.

Appellante heeft haar beroep nader aangevuld bij schrijven van 16 oktober 1996.

Verweerder heeft op 4 juni 1997 een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft haar beroep verder aangevuld bij brieven van 7 augustus 1997.

Bij brief van 17 december 1999 heeft appellante het College een schaderapport doen

toekomen.

Bij schrijven van 2 mei 2000 heeft appellante haar beroep nog nader aangevuld.

Verweerder heeft op 6 juni 2000 een nader verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaats gevonden op 20 september 2000. Partijen

hebben bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader toegelicht. Appellante heeft

hierbij haar vordering tot schadevergoeding in zoverre beperkt dat zij geen schade meer

vordert wegens inkomensderving als gevolg van een te geringe quotumtoekenning voor

wat betreft het melkprijsjaar 1991/1992.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter terechtzitting staan in deze zaak de volgende

feiten en omstandigheden vast.

- Appellante heeft op 7 november 1991 bij de districtsbureauhouder te Weerselo een

aanvraag ingediend om toewijzing van een heffingvrije hoeveelheid op grond van de

BZB. Bij deze aanvrage heeft appellante blijkens de gedingstukken (met name stuk

29-5) in ieder geval overgelegd een zogenoemd yoghurtboekje.

- Bij besluit van de directeur LNO van 13 mei 1992 is aan appellante op grond artikel

7 van de BZB een heffingvrije hoeveelheid toegewezen van 49.195 kg. Het besluit

bevat onder meer de volgende passage:

" Voorts wordt t.a.v. eventuele overige toekenningen het volgende medegedeeld;

- er is niet aangetoond dat in de van toepassing zijnde periode zure

boerderijzuivelprodukten rechtstreeks voor consumptie zijn verkocht en/of

geleverd.

De aangetoonde geleverde hoeveelheden melkequivalenten in de

referentieperiode 12 maanden voorafgaand aan de investeringsverplichtingen

die in aanmerking komen voor toekenning van een heffingvrije hoeveelheid

bedragen derhalve 0.kg."

- Bij schrijven van 10 juni 1992 heeft appellante een bezwaarschrift ingediend tegen

het besluit van 13 mei 1992. Zij heeft haar bezwaar aangevuld bij schrijven van

14 augustus 1992. Zij heeft hierbij een groot aantal bescheiden overgelegd waaronder

het yoghurtboekje en een registratieformulier boerderijzuivelbereiders 1988.

- In het yoghurtboekje staat vermeld dat appellante in 1988 6100 kg yoghurt heeft

geproduceerd. In voormeld registratieformulier staat vermeld dat appellante in 1988

6100 kg yoghurt en 1451 kg kwark heeft geproduceerd. Het registratieformulier is

gedateerd 1 maart 1989.

- Bij besluit van 20 april 1994 heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond

verklaard. Hierbij overwoog verweerder onder meer het volgende:

" In Uw bezwaarschrift tracht u aan te tonen dat U in 1988 (12 maanden

voorafgaand aan het aangaan van de investeringsverplichtingen) een

hoeveelheid zure boederderijzuivelprodukten rechtstreeks heeft verkocht aan de

consument. Hiertoe heeft U bij Uw bezwaarschrift enkele - hierboven

weergegeven - stukken overgelegd.

Voorzover deze stukken al dateren van v¢¢r 31 januari 1991, blijkt hier in ieder

geval niet gespecificeerd hoeveel van welk produkt in 1988 is verkocht en/of

geleverd.

U heeft derhalve geen bewijsstukken overgelegd, daterend van v¢¢r 31 januari

1991, waaruit concreet en ondubbelzinnig is gebleken van een hoeveelheid in

de 12 maanden voorafgaande aan het aangaan van de

investeringsverplichtingen, verkocht en/of geleverde zure

boerderijzuivelprodukten, zodat U reeds hierom niet voldoet aan de vereisten

voor een toewijzing van een extra hoeveelheid op basis van artikel 7, tweede

lid, onder a, eerste en tweede volzin, BZB."

- Bij besluit van 30 november 1995 heeft verweerder de bezwaren van appellante

alsnog gedeeltelijk gegrond verklaard. Hij overwoog hierbij onder meer als volgt:

" Op 15 februari 1995 heeft het College een drietal superheffingszaken

behandeld. (.)

Naar aanleiding van hetgeen te berde is gebracht op de zitting van 15 februari

1995, na hernieuwde bestudering van de onderhavige materie en na intensief

overleg met de Bond van Boerderij-Zuivelbereiders heb ik besloten om in de

gevallen waarin beroep was ingesteld bij het College en waarin de betreffende

melkveehouder in staat is om, uitgesplitst per produktsoort, de hoeveelheden

geproduceerde zure produkten te onderbouwen, alsnog een zuur quotum toe te

wijzen.

Die toewijzing kan geschieden, omdat het mogelijk is gebleken om op basis

van dossieronderzoek op het ministerie en mede op basis van gegevens van de

Bond van Boerderij-Zuivelbereiders te komen tot een forfaitair

verliespercentage.

(.)

In Uw geval is mij, na hernieuwde bestudering van het dossier, het volgende

gebleken. U hebt geclaimd in 1988 yoghurt en kwark te hebben afgezet.

Ter onderbouwing hiervan heb U onder meer een yoghurtboekje overgelegd,

waarin staat vermeld welke hoeveelheid yoghurt door U in 1988 is

geproduceerd. Deze hoeveelheid correspondeert met de door u opgegeven

hoeveelheid op het registratieformulier boerderijzuivelbereiders van 1988, door

U ondertekend op 1 maart 1989, dus deze ondertekening is verricht

ruimschoots voor de inwerkingtreding van de Beschikking superheffing zure

boerderij-zuivelprodukten. Op dit formulier hebt U tevens vermeld dat U 1451

kg kwark hebt geproduceerd. Op basis van bovenstaande gegevens -in

onderlinge samenhang bezien- acht ik voldoende aangetoond dat U 6100 kg

yoghurt en 1451 kg kwark hebt geproduceerd in 1988.

Gelet op het voorgaande heb ik besloten om Uw bezwaar alsnog gedeeltelijk

gegrond te verklaren en U een extra melkquotum op basis van artikel 7 BZB

toe te wijzen."

- Ter zitting heeft appellante verklaard niet meer te weten of het registratieformulier

boerderijzuivelbereiders 1988 door haar reeds is ingeleverd bij haar aanvrage;

verweerder heeft toen verklaard het moment van inlevering niet meer te kunnen

nagaan.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Het besluit van 20 april 1994 moet voor onrechtmatig gehouden worden en komt voor

vernietiging in aanmerking.

Bij het besluit van 30 november 1995 heeft verweerder besloten aan appellante op grond

van de productie 1988 een extra heffingsvrije hoeveelheid toe te kennen van 8.546 kg

melkequivalent. Dit besluit staat niet ter discussie.

Verweerder is bereid aan appellante deswege over het melkprijsjaar 1994/1995 een

schadevergoeding toe te kennen wegens inkomstenderving.

Over de melkprijsjaren 1992/1993 en 1993/1994 is verweerder hiertoe niet bereid omdat

het besluit van de directeur LNO van 13 mei 1992, gelet op de toen overgelegde gegevens,

voor juist gehouden moet worden. De omstandigheid dat verweerder nadien van inzicht is

veranderd maakt niet dat appellante niet zou hebben moeten voldoen aan de op haar

ingevolge artikel 11, tweede lid, van de BZB rustende verplichting om haar aanvraag te

ondersteunen met de nodige bescheiden.

Aan appellante is een extra heffingvrije hoeveelheid in het vooruitzicht gesteld op

30 november 1995. Had appellante voortvarend gehandeld dan had zij binnen twee weken

na 30 november 1995 reeds over deze extra hoeveelheid kunnen beschikken, zodat zij deze

alsnog had kunnen verleasen. Dat zij dit niet heeft gedaan dient voor haar rekening te

komen aangezien appellante tot schadebeperking is gehouden.

Verweerder acht een vergoeding van fl. 0.35 per kg per jaar maximaal aanvaardbaar. Zulks

is in overeenstemming met de gebruikelijke vergoeding in zaken als de onderhavige.

Appellante heeft geen bewijs naar voren gebracht op grond waarvan zou moeten worden

geconcludeerd tot hogere vergoedingen

Appellante heeft haar schadeclaim eerst op 17 december 1999 geconcretiseerd hoewel

verweerder reeds in het verweerschrift van 28 mei 1997 had aangegeven tot

schadevergoeding bereid te zijn. Nu appellante aldus niet heeft voldaan aan haar

verplichting tot schadebeperking, komt zij slechts in aanmerking voor vergoeding van

wettelijke rente vanaf 18 december 1999 tot aan de dag der betaling. Verweerder merkt op

dat de wettelijke rente hoger is dan de gebruikelijke uit te keren rente over spaartegoeden.

Appellante heeft recht op een schadevergoeding ad fl. 2.991,10, vermeerderd met de

wettelijke rente vanaf 18 december 1999 tot aan de dag van betaling.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van haar verzoek om schadevergoeding - voor zover

thans nog van belang - het volgende betoogd.

Het besluit van 13 mei 1992 moet voor onrechtmatig gehouden worden nu verweerder bij

besluit van 30 november 1995 aan appellante alsnog een extra heffingvrije hoeveelheid

heeft toegekend in verband met de door appellante reeds bij aanvraag gestelde huisverkoop

van yoghurt en kwark in 1988. Voorts moet het besluit van 20 april 1994 voor

onrechtmatig gehouden worden.

Appellante komt derhalve schadevergoeding wegens gederfde inkomsten toe over de

melkprijsjaren 1992/1993, 1993/1994 en 1994/1995. Voorts komt appellante

schadevergoeding toe over 1995/1996 nu zij eerst in de loop van 1996 daadwerkelijk over

het bij het besluit van 30 november 1995 toegekende quotum heeft kunnen beschikken.

Benutting in dit heffingsjaar was toen niet meer mogelijk.

Appellante heeft zich in de loop van de litigieuze melkprijsjaren steeds minder toegelegd

op het zelf verzuivelen van haar heffingvrije hoeveelheid. In plaats hiervan is zij in

toenemende mate overgegaan tot het verleasen van quotum.

Bij berekening van de schade dient er vanuit te worden gegaan dat appellante in 1992/1993

en 1993/1994 het quotum zelf volgemolken zou hebben en in 1994/1995 en 1995/1996 het

quotum verleased zou hebben.

Gelet op de berekeningen van appellantes accountant is het gederfde saldo per kg per jaar

in 1992/1993 en 1993/1994 fl. 0,377; de gemiddelde leaseopbrengst in 1994/1995 en

1995/1996 bedroeg fl. 0.463.

Appellante heeft geen bescheiden overgelegd welke aan deze schadeberekening ten

grondslag liggen.

Appellante komt de wettelijke rente toe over de verschuldigde bedragen.

Voorts vordert appellante vergoeding van de proceskosten, alsmede vergoeding van de

kosten voor de deskundige die de schadeberekening heeft opgesteld.

5. De beoordeling van het geschil

Het geschil tussen partijen betreft nog uitsluitend de hoogte van de uit te keren

schadevergoeding. Niet in geschil is dat het besluit van 20 april 1994 voor onrechtmatig

gehouden moet worden. Ook het College is dit van oordeel. Dit betekent dat verweerder

deswege schadeplichtig is. Zoals tussen partijen vaststaat betreft deze schadeplichtigheid in

ieder geval het melkprijsjaar 1994/1995. Het besluit van 20 april 1994 is op

30 november 1995 vervangen door een besluit waarbij appellante is medegedeeld dat zij

recht kon doen gelden op een extra heffingvrije hoeveelheid. Met verweerder is het College

van oordeel dat appellante, gelet op haar verplichting tot schadebeperking, voortvarend had

moeten handelen teneinde het haar toekomende quotum in het melkprijsjaar 1995/1996

alsnog te kunnen benutten. Nu appellante blijkens eigen schadeopstelling in het jaar

1995/1996 het quotum verleased zou hebben moet zij in staat worden geacht het haar

toekomende geringe extra-quotum in 1995/1996 alsnog te hebben kunnen verleasen. Haar

komt derhalve over 1995/1996 geen schadevergoeding toe.

Blijkens het besluit van 30 november 1995 zijn voor verweerder het yoghurtboekje en het

registratieformulier boerderij-zuivelbereiders 1988 beslissend geweest voor de toekenning

van het quotum. Van het yoghurtboekje staat vast dat dit reeds is overgelegd bij de

aanvraag; van het registratieformulier staat dit niet vast. Het College is niet gebleken dat

twijfel met betrekking tot de volgens dit boekje geproduceerde hoeveelheid yoghurt

verweerder heeft gebracht tot zijn afwijzend besluit van 13 mei 1992. In tegendeel :

verweerder neemt blijkens het besluit van 30 november 1995 mede op grond van dit boekje

aan dat de gestelde hoeveelheid yoghurt ook is geproduceerd.

Hiervan uitgaande was een voor verweerder blijkens zijn besluit van 30 november 1995

beslissend stuk reeds bij de beoordeling van de aanvrage aanwezig. Dit had verweerder -zo

hij al aan de juistheid van dit stuk zou hebben getwijfeld - er in dit geval toe moeten

brengen nadere inlichtingen te vragen met betrekking tot de geproduceerde hoeveelheid

yoghurt. Nu dit niet is gebeurd is het College is op grond van het vorenoverwogene van

oordeel dat het besluit van 13 mei 1992 voor onrechtmatig dient te worden gehouden

omdat geen quotum is toegekend in verband met de yoghurtproductie van appellante. Op

grond van het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat appellante ook

schadevergoeding toekomt over de melkprijsjaren 1992/1993 en 1993/1994, voorzover

appellante niet kon beschikken over het haar op grond van haar yoghurtproductie

toekomende quotum van 5.359 kg melkequivalent.

Appellante heeft geen bescheiden overgelegd die haar schadeberekening ondersteunen. Nu

echter wel vaststaat dat schade is geleden, zal het College aan appellante een

schadevergoeding toekennen met als basis de bij verweerder voor gevallen als het

onderhavige gebruikelijke grondslag van een leasevergoeding van fl 0,35 per kg per jaar.

Aan appellante komt derhalve over de melkprijsjaren 1992/1993 en 1993/994 een

vergoeding toe van 2 maal 5.359 maal fl 0,35, zijnde fl 3.751,30 en over 1994/1995 een

bedrag van fl. 2.991,10.

De kosten van appellante in verband met de berekening van de schade acht het College niet

voor toewijzing vatbaar. Hoewel appellante op zich zelve niet onredelijk handelt door de

schadeberekening uit te besteden aan een deskundige instantie moet diens desbetreffend

rapport wel voldoen aan minimum-eisen om voor vergoeding in aanmerking te komen. In

de onderhavige zaak is dit niet het geval nu bij de berekening geen bescheiden waaruit de

juistheid van de gekozen uitgangspunten valt af te leiden, zijn overgelegd.

Appellante vordert blijkens haar schadeopstelling wettelijke rente vanaf het moment dat zij

ten onrechte niet van het haar toekomende extra-quotum gebruik heeft kunnen maken. Nu

het besluit van 13 mei 1992 reeds voor onrechtmatig moet worden gehouden is het College

van oordeel dat verweerder met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in boek 6,

artikel 83 van het Burgerlijk Wetboek vanaf dit tijdstip in verzuim is geweest en rente is

verschuldigd. Het College is voorts van oordeel dat bij de berekening van de rente het

bepaalde in boek 6, artikelen 119 en 120 van het Burgerlijk Wetboek overeenkomstig dient

te worden toegepast. Verder dient bij gebreke van in andere richting wijzende gegevens

ervan uitgegaan te worden dat appellante de haar toekomende vergoeding jaarlijks in

maandelijkse gedeelten zou hebben uitgekeerd gekregen. Tevens dient bij de berekening

telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover wettelijke rente wordt berekend te

worden vermeerderd met de over dit jaar verschuldigde rente. De ingangsdatum over de

volgende termijnen dient telkens te worden gesteld op de eerste dag na afloop van de

desbetreffende termijn, en ook voor die termijnen geldt dat telkens na afloop van een jaar

het bedrag waarover wettelijke rente wordt berekend, moet worden vermeerderd met de

over dit jaar verschuldigde rente.

Op grond van artikel 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient aan

appellante het door haar betaalde griffierecht te worden vergoed.

Met toepassing van artikel 8:75 van de Awb zal verweerder werden veroordeeld in de

proceskosten.

Een en ander leidt tot de volgende uitspraak.

6. De uitspraak

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 20 april 1994;

- veroordeelt verweerder tot betaling aan appellante van fl. 6742,40

- veroordeelt verweerder tot betaling van rente als in de uitspraak aangeduid, en wel

tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verweerder in de aan de zijde van appellant gemaakte proceskosten,

welke worden vastgesteld op fl. 2.840,--;

- bepaalt dat aan appellante het door haar betaalde griffierecht ad fl. 200,-- wordt

vergoed;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die boven vermelde bedragen

dient te voldoen;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr M.A. van der Ham en dr B. Hessel, in tegenwoordigheid van mr A. Bruining ,als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2001.

w.g. D. Roemers w.g. A. Bruining