Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2000:AU1253

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-05-2000
Datum publicatie
22-08-2005
Zaaknummer
AWB 99/34 en 99/35
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet inkomstenbelasting 2001

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Nrs. AWB 99/34 en 99/35 25 mei 2000

27650 Wet inkomstenbelasting 2001

Uitspraak in de zaken van:

A, te X en B, te Y, appellanten,

gemachtigde: C, belastingadviseur te Z,

tegen

de Minister van Economische Zaken, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr G. Baarsma.

1. De procedure

Bij gelijkluidende beroepschriften, bij het College ontvangen op 12 januari 1999, is namens appellanten beroep ingesteld tegen twee besluiten van 4 december 1998.

Bij deze, gelijkluidende besluiten van 4 december 1998 heeft verweerder - in afwijzende zin - beslist op bezwaarschriften die vanwege appellanten waren ingediend tegen weigeringen van verweerder om aan appellanten, die in maatschapsverband een akkerbouwbedrijf exploiteren, verklaringen af te geven, als bedoeld in artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet IB).

Onder dagtekening 4 mei 1999 heeft verweerder ter zake van beide beroepen gelijkluidende verweerschriften ingediend.

De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van het College, gehouden op 13 april 2000, waar B in persoon is verschenen met bijstand van C die tevens is opgetreden als gemachtigde van A.

Aan de zijde van verweerder zijn tevens verschenen mr I.A.M. van Nieuwkerken, en ing D. Jager, beiden werkzaam bij verweerders agentschap Senter.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij de Wet IB is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 11

1. In geval in een kalenderjaar:

a. (…);

b. in een onderneming die de belastingplichtige voor eigen rekening feitelijk drijft voor een bedrag van meet dan f 3700 wordt geïnvesteerd in niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen met betekking waartoe op een door de belastingplichtige gedaan verzoek door Onze Minister van Economische Zaken is verklaard dat sprake is van investeringen die door Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij ministeriële regeling zijn aangewezen als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie (energie-investeringen), wordt - onverminderd de toepassing van onderdeel a - op verzoek bij de aangifte van de belastingplichtige een in het tweede lid, onderdeel b, aangewezen percentage van het bedrag aan energie-investeringen ten laste gebracht van de winst over dat jaar (energie-investeringsaftrek)."

(…)

11. Het eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, is slechts van toepassing indien de energie-investering is aangemeld binnen een door hem te stellen termijn.

12. Bij ministeriële regeling kunnen:

a. (…);

b. regels worden gesteld met betrekking tot het elfde lid."

Bij de op grond van laatstgenoemd artikellid gegeven Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek (hierna: de Uitvoeringsregeling) is onder meer bepaald:

"Artikel 3

1. De termijn bedoeld in artikel 11, elfde lid, van de wet waarbinnen de aangegane verplichtingen dan wel de gemaakte voortbrengingskosten ter zake van een investering als bedoeld in artikel 2 moeten zijn aangemeld, wordt gesteld op drie maanden. Deze termijn vangt aan:

a. met betrekking tot verplichtingen:

bij het aangaan van de verplichtingen;

Artikel 5

(…)

3. Het verzoek om een verklaring als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan bij de aanmelding bedoeld in artikel 3 en 4."

2.2 Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden komen vast te staan.

- Bij daartoe bestemde formulieren, gedagtekend 29 augustus 1997, zijn namens appellanten aanvragen gedaan om verklaringen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet IB, betreffende een investering in een nader bij die aanvragen omschreven bedrijfsmiddel.

- Bij brieven van 15 september 1997 is appellanten vanwege het Bureau Energie-investeringsaftrek van de Belastingdienst, te Breda, het volgende medegedeeld:

"Het door ons [op 10 september 1997] ontvangen formulier is doorgestuurd naar Senter te Zwolle. Zij zullen na een technische beoordeling van de door u gemelde investering een al dan niet positieve verklaring afgeven Het is waarschijnlijk dat Senter ten behoeve van genoemde technische beoordeling u zal vragen uw verzoek nader toe te lichten."

- Bij brieven van 7 november 1997 heeft Senter appellanten te kennen gegeven dat op de verzoeken om verklaringen nog geen beslissing kon worden genomen en dat de termijn waarbinnen op de verzoeken wordt beslist, was verlengd tot 1 februari 1998.

- Van de zijde van Senter is in de periode, gelegen tussen de verzending van evengenoemde brief en het geven van de primaire besluiten d.d. 12 augustus 1998, enkele malen gevraagd om inlichtingen aangaande het bedrijfsmiddel waarvoor eerderbedoelde verklaringen waren verzocht. Appellanten hebben op die vragen gereageerd.

- Genoemde primaire besluiten, waarbij verweerder heeft geweigerd zodanige verklaringen af te geven, berusten op de grond dat, aangezien voormelde aanvragen zijn ontvangen op 10 september 1997 en de verplichting betreffende de aanschaf van het onderhavige bedrijfsmiddel hetzij op 27 mei 1997 hetzij op 6 juni 1997 is aangegaan, geconcludeerd moet worden dat de verplichting te laat - dat wil zeggen niet binnen de termijn van drie maanden, genoemd in artikel 3 van de Uitvoeringsregeling - is gemeld.

- Bij de bestreden besluiten heeft verweerder, beslissende op de bezwaren van appellanten tegen voormelde besluiten van 12 augustus 1997, die besluiten gehandhaafd.

4. Het standpunt van appellanten

Namens appellanten is betoogd dat de weigering van verweerder om de gevraagde verklaringen te verstrekken onrechtmatig moet worden geacht, daar bij hen door mededelingen aan de zijde verweerder gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt inzake de afgifte door verweerder van meerbedoelde verklaringen. Daartoe is, samengevat weergegeven, het volgende naar voren gebracht.

De hiervoor genoemde brieven van de Belastingdienst d.d. 15 september 1997 hebben het vertrouwen gewekt dat aan de formele vereisten voor het verkrijgen van verklaringen was voldaan, nu daarin was gesteld dat de aanvraagformulieren waren doorgezonden naar Senter, welke dienst na een technische beoordeling van de gemelde investering al dan niet positieve verklaringen zou afgeven. De indruk dat slechts een inhoudelijke, technische - en nadien een fiscale - beoordeling van de investering zou plaatsvinden, is versterkt door de inhoud van de verzoeken om inlichtingen die door Senter zijn gedaan.

Voorts heeft degene die namens Senter de aanvragen van appellanten heeft begeleid, op 9 april 1998 aan de toenmalige gemachtigde van appellanten in een telefoongesprek te kennen gegeven dat de verklaringen op grond van de verstrekte gegevens zouden worden afgegeven, zij het in verband met de technische toetsing van het project niet voor het gevraagde maar voor een iets verlaagd bedrag.

5. De beoordeling van het geschil

In deze zaken is aan de orde de beantwoording van de vraag of door toezeggingen dan wel mededelingen die aan verweerder kunnen worden toegerekend, bij appellanten gerechtvaardigd te achten verwachtingen zijn gewekt die verweerder in dier voege had behoren te honoreren, dat hij aan appellanten verklaringen had behoren af te geven, als bedoeld in artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet IB.

Het College oordeelt in de eerste plaats, op gelijke gronden als door verweerder aangevoerd en hiervoor weergegeven, dat nu krachtens de ter zake geldende algemeen verbindende voorschriften niet de Belastingdienst doch verweerder bevoegd is te beslissen inzake de afgifte van meergenoemde verklaringen, niet kan worden staande gehouden dat appellanten aan eerdergenoemde brieven van de Belastingdienst d.d. 15 september 1997 het gerechtvaardigde vertrouwen konden ontlenen dat de besluitvorming namens verweerder geen toetsing zou inhouden van de - tevens aan verweerders oordeel onderworpen - meer formele aspecten van de aanvragen, zoals het in acht nemen van voormelde indieningstermijn, doch slechts zou zijn toegespitst op de inhoudelijke, technische beoordeling van de investering.

Het College is voorts van oordeel dat hetgeen namens appellanten naar voren is gebracht omtrent mededelingen die een ambtenaar van Senter zou hebben gedaan omtrent de afgifte van verklaringen, geen grond kan bieden aan de opvatting dat daardoor bij hen rechtens te eerbiedigen verwachtingen zijn gewekt. Immers, in verband met hetgeen appellanten naar voren hebben gebracht, moet worden geconcludeerd dat zij geen rekening hielden met een beoordeling door Senter ter zake van het in acht nemen van de indieningstermijn en zij mededelingen van bedoelde ambtenaar - zulks gezien de beschikbare gegevens naar het oordeel van het College terecht - hebben opgevat als betrekking hebbende op de materiële aspecten van de investering.

Derhalve kan worden voorbij gegaan aan de eerst ter zitting namens verweerder opgeworpen stelling dat niet is gebleken dat de door appellanten genoemde ambtenaar heeft medegedeeld dat verklaringen zouden worden afgegeven.

Het College komt reeds in verband met het voorafgaande tot een ontkennende beantwoording van de hiervoor geformuleerde vraag en acht het beroep van appellanten op het vertrouwensbeginsel temeer ongegrond, nu ter zitting van de zijde van appellanten desgevraagd is medegedeeld dat het door hen vermeende vertrouwen op het verkrijgen van de verklaringen niet heeft geleid tot gedragingen waaruit kosten zijn voortgevloeid die niet te hunnen laste zouden zijn gebleven ingeval van afgifte van de verklaringen.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Het College acht tenslotte geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr H.C. Cusell en mr M.J. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr drs J.J.P. Bosman, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2000.

w.g. B. Verwayen w.g. J.J.P. Bosman