Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2000:AE9938

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-11-2000
Datum publicatie
06-11-2002
Zaaknummer
AWB 00/797
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 00/797 21 november 2000

11236 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Regeling varkensleveringen

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

R, te S, verzoeker,

gemachtigde: mr J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, zetelend te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigden: mr L.P. de Wit en dr A.H.M. Cornelissen,

1. De procedure

Bij besluit van 8 september 2000 heeft de plaatsvervangend directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (hierna: RVV) namens verweerder geweigerd aan verzoeker een tijdelijke ontheffing te verlenen van het vervoersverbod, bedoeld in artikel 7 van de Regeling varkensleveringen.

Tegen deze beslissing heeft verzoeker bij brief van 3 oktober 2000 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Bij brief van 4 oktober 2000 heeft verzoeker zich tot de president van het College gewend met het verzoek bij wege van een voorlopige voorziening het voormelde besluit van verweerder te schorsen en alsnog de ontheffing te verlenen.

Het verzoek om voorlopige voorziening is door de president behandeld ter zitting van

16 november 2000, alwaar partijen, verzoeker bijgestaan door zijn raadsman en verweerder bij gemachtigden, hun standpunten hebben toegelicht. Aan de zijde van verweerder was tevens aanwezig G. Manders, werkzaam bij de RVV.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwwd) luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

" Art.30. - 1.Onze Minister kan het vervoeren van dieren van een door hem te bepalen soort, van deze diersoort afkomstige produkten, diervoeder alsmede andere produkten en voorwerpen welke dragers van smetstof kunnen zijn, uit, naar of binnen Nederland of bepaalde gedeelten van Nederland verbieden dan wel verbieden indien niet wordt voldaan aan door hem te stellen regelen.

(…)

Art. 107. - 1.Onze Minister kan, voor zover het belang van de gezondheid of het welzijn van dieren zich daartegen niet verzet, van het bij of krachtens deze wet bepaalde vrijstelling of ontheffing verlenen.

(…)

De ingevolge de Gwwd vastgestelde Regeling varkensleveringen, Stcrt. nr. 14, 20 januari 2000 (hierna: de Regeling) luidt, voor zover hier van belang:

" Artikel 7

Het is de exploitant van een varkenshouderijbedrijf verboden een of meer varkens te vervoeren van of naar, af te voeren of te doen afvoeren van een varkenshouderijbedrijf of een verzamelcentrum, dan wel te ontvangen of aan te voeren op een varkenshouderijbedrijf.

Artikel 12

1. In afwijking van artikel 7 is het de exploitant van een D-bedrijf toegestaan een of meer varkens naar dat bedrijf te vervoeren of te doen vervoeren en op dat bedrijf aan te voeren en te ontvangen, voorzover in een periode van de zestien weken slechts varkens worden aangevoerd, afkomstig van ten hoogste drie A-bedrijven, B-bedijven, C-bedrijven, varkenshouderijbedrijven buiten Nederland of verzamelcentra gezamenlijk, waarvan ten hoogste één verzamelcentrum.

(…)"

In de toelichting bij de Regeling staat - onder meer - het volgende vermeld:

" In de onderhavige regeling worden de toegestane contacten afhankelijk gesteld van de veterinaire waarborgen die het desbetreffende bedrijf biedt.

Daartoe kunnen de exploitanten van varkenshouderijbedrijven kiezen uit verschillende regimes, de zogenoemde A-bedrijven, B-bedrijven, C-bedrijven en D-bedrijven. Bij elk type bedrijf behoort een specifiek eisenpakket, dat bepalend is voor het toegestaan aantal contacten met andere varkenshouderijbedrijven.

Ondernemers kunnen het type kiezen dat het best bij hun bedrijfsvoering past.

(…)

Teneinde verspreiding van smetstof te voorkomen, is in de onderhavige regeling als uitgangspunt gekozen dat varkens slechts eenmaal in hun leven van varkenshouderij naar varkenshouderij worden vervoerd.

Fokvarkens worden van een fokbedrijf naar een vermeerderaar vervoerd, waarbij de bestaande praktijk van opfok beperkt blijft. Vleesvarkens mogen na aanvoer op het vleesvarkensbedrijf alleen nog naar het slachthuis.

(…)

Tot slot zullen vleesvarkensbedrijven in de regel als D-bedrijf in de zin van de regeling worden beschouwd. D-bedrijven is het niet toegestaan om aan andere varkenshouderijbedrijven te leveren."

2.2 Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de president uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Verzoeker exploiteert te S op twee locaties zijn in 1997 gerenoveerde varkenshouderijbedrijf: aan adres T (UBN: *1) en aan adres U (UBN: *2). Op de eerstgenoemde locatie is sinds 1998 een zeugenbedrijf gevestigd dat in het kader van de Regeling de B-status heeft verkregen. De tweede locatie dient voor de opvang van de op het B-bedrijf geproduceerde biggen. Er vindt geen andere aanvoer van dieren plaats. Laatstgenoemd bedrijf heeft de D-status.

- Tengevolge van de vervoersvoorschriften van de op 1 april 2000 van kracht geworden Regeling alsmede de te gering gebleken afmestcapaciteit op het D-bedrijf zijn op verzoekers bedrijf overschotten aan speenbiggen ontstaan waarvoor ingevolge de Regeling geen afzet naar een andere varkenshouderij is toegestaan.

- Bij brief van 3 mei 2000 heeft verzoeker, vooruitlopend op een nog aan te vragen wijziging van de status van het D-bedrijf in een C-bedrijf, ontheffing gevraagd van het verbod om varkens met een lager levend gewicht dan 80 kg af te voeren van een D-bedrijf naar een B-bedrijf.

- Hangende de behandeling van deze aanvraag is aan verzoeker op 3 juni 2000 een ontheffing verleend om, in verband met dreigende welzijnsproblemen, tijdelijk dieren af te voeren naar een ander varkenshouderijbedrijf.

- Bij besluit van 20 juni 2000 heeft verweerder de aanvraag van 3 mei 2000 afgewezen. Hiertegen heeft verzoeker op 25 juli 2000 een bezwaarschrift ingediend.

- Bij besluit van 10 juli 2000 heeft verweerder verzoeker nogmaals wegens dreigende welzijnsproblemen een ontheffing verleend voor tijdelijk vervoer van varkens naar een ander varkenshouderijbedrijf.

- Op 12 juli 2000 is door de RVV bij verzoeker een bedrijfsbezoek afgelegd.

- Op 11 augustus 2000 is verzoeker in het kader van de behandeling van de bezwaarprocedure door verweerder gehoord.

- In een door verweerder aan de stukken toegevoegde interne nota d.d.16 augustus 2000, staat - onder meer - het volgende genoteerd:

" Naar aanleiding van de verscheidene telefoontjes van betrokkene met de RVL-unit en het Directiesecretariaat heeft V hedenochtend overleg gevoerd met de plv-directeur RVV (…)

Danny heeft in het contact met het hoofd van de Afdeling Rechtsbescherming, mr J.C.M. Oudshoorn, aangaande het bezwaar (degene die het bezwaarschrift behandelt, mr.L.P. de Wit, is op vakantie) vernomen dat de beschikking op bezwaar niet op korte termijn verwacht wordt.

Directie heeft aangegeven in de periode tot de beschikking op bezwaar is afgegeven de betrokkene een ontheffing voor zijn welzijnsproblemen te willen verstrekken.

Behandeling van het ontheffingsverzoek start nadat het schriftelijke verzoek is ontvangen.

(…)"

- Bij brief van 17 augustus 2000, heeft verzoeker bij verweerder een verzoek ingediend om een ontheffing voor het vervoer van 300 vleesbiggen van zijn bedrijf (UBN *2) naar derden teneinde problemen in de stal te voorkomen.

- Bij besluit van 8 september 2000 heeft verweerder dit ontheffingsverzoek afgewezen.

3. Het besluit ten aanzien waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en het standpunt van verweerder

Het besluit van verweerder van 8 september 2000 luidt - onder meer - als volgt.

" Tot op heden heeft R er nog steeds geen blijk van gegeven dat hij concrete en structurele stappen heeft gezet in de richting van een bedrijfsvoering die aansluiting vindt bij de Regeling. Van belang is voorts dat R de mogelijkheid heeft welzijnsproblemen te voorkomen door middel van het afvoeren ten behoeve van de slacht. Door het steeds verlenen van een ontheffing, ten behoeve van het vervoer van het D-bedrijf van R naar een ander D-bedrijf, worden vervoersstromen gecreëerd die de Regeling juist wil voorkomen. Voorts is niet gebleken van acute welzijnsproblemen op het bedrijf van R. Immers, u heeft aangegeven, bij brief van 29 augustus 2000, dat R nog steeds geen afvoeradres heeft opgegeven.

Gelet op het bovenstaande, de inhoud en de bedoeling van de Regeling in overweging nemende, zie ik geen aanleiding om voor R een uitzondering op de Regeling te maken en heb ik besloten uw verzoek tot ontheffing af te wijzen."

Bij verweerschrift heeft verweerder hieraan onder meer het volgende toegevoegd:

" Een ontheffing zoals gevraagd door verzoeker vormt dus een veterinair risico dat de Regeling wil voorkomen. Door een tweede vervoer tijdens de levenscyclus van een varken bestaat er immers een extra kans op verspreiding van smetstof. Gezien de grote veterinaire belangen die verbonden zijn aan de Regeling hanteert verweerder een zeer strikt ontheffingenbeleid.

Bij besluiten van 3 juni en 10 juli 2000 heeft verweerder met het oog op het (gestelde grote) bedrijfsbelang van verzoeker een veterinair risico genomen en is hij afgeweken van de Regeling.

Deze ontheffingen zijn echter verleend onder de duidelijke voorwaarde dat verzoeker werkt aan een structurele oplossing voor zijn probleem die past binnen de voorwaarden van de Regeling. Zolang verzoeker daaraan werkte, was verweerder bereid de grootste problemen op te lossen door het verlenen van een (eenmalige) ontheffing. De eenmalige ontheffingen zijn dus verleend ter overbrugging van de periode dat verzoeker zijn bedrijf aanpast of in ieder geval een structurele oplossing aandraagt.

Na de tweede ontheffing van 10 juli 2000 was het voor verzoeker duidelijk dat de oplossing die hij had voorgesteld in zijn brief van 3 mei 2000 voor verweerder niet aanvaardbaar was. Sindsdien heeft hij echter geen andere oplossing naar voren gebracht. De ontheffing waar verzoeker in zijn brief van 22 augustus om heeft gevraagd, dient derhalve niet ter overbrugging van een periode waarin het bedrijf van verzoeker wordt aangepast. Ee redelijke periode waarbinnen het bedrijf aangepast zou moeten zijn aan de Regeling is naar de mening van verweerder (indicatief) maximaal 6 tot 8 maanden.

Nu verzoeker blijkbaar geen mogelijkheid ziet om zijn bedrijfsvoering aan te passen is er geen aanleiding om een ontheffing ter overbrugging van een aanpassingsperiode te verlenen.(…)"

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder, gevraagd naar de stand van zaken in de lopende bezwaarprocedure in het kader van verzoekers ontheffingsaanvraag d.d. 3 mei 2000, meegedeeld op het oordeel in deze onderliggende zaak niet te willen vooruitlopen maar als zijn verwachting uitgesproken dat op korte termijn daarover een beslissing kan worden genomen.

4. Het standpunt van verzoeker

Verzoeker heeft - samengevat - het volgende aangevoerd.

Verzoeker heeft in 1997 reeds investeringen gedaan om zijn bedrijf grondig te renoveren en heeft daarbij geen rekening kunnen noch hoeven houden met de latere, naar aanleiding van de uitbraak van de klassieke varkenspest gevormde, regelgeving. De grenzen van zijn financiële mogelijkheden om de bedrijfsvoering opnieuw geheel om te schakelen zijn daardoor bereikt.

Pas op het moment dat hij zekerheid heeft omtrent de statuswijziging zoals door hem aan verweerder in het kader van de ontheffingsaanvraag van 3 mei 2000 is voorgesteld, kan hij investeringen doen om de benodigde aanpassingen aan zijn bedrijf te laten verrichten en de eventueel benodigde vergunningen aanvragen. Op de door hem aangedragen oplossing in bedoelde aanvraag moet echter door verweerder nog in bezwaar worden beslist. Hij staat uitdrukkelijk open voor alternatieve oplossingen van de zijde van verweerder.

In afwachting van een mogelijke oplossing dient verweerder hem nu in elk geval de gevraagde ontheffing voor eenmalige afvoer van zijn biggen vanwege de reeds bestaande en dreigende welzijnsproblemen te verlenen.

5. De beoordeling van het geschil

Ingevolge het bepaalde bij artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) juncto artikel 19 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij het College, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd overweegt de president als volgt.

Verweerder heeft de afwijzing van de door verzoeker gevraagde tijdelijke ontheffing met name gebaseerd op zijn oordeel dat geen aanleiding meer is om nogmaals een ontheffing te verlenen nu deze niet dient ter overbrugging van een periode waarin verzoeker zijn bedrijf aanpast of in ieder geval een structurele oplossing voor een dergelijke aanpassing aandraagt.

De president verstaat verweerders standpunt aldus dat ingeval er wel vooruitzicht zou bestaan op een zodanige oplossing, de gevraagde ontheffing zou kunnen worden verleend. De interne nota van verweerder, zoals in rubriek 2.2 van deze uitspraak weergegeven biedt steun aan dit oordeel.

Verzoeker heeft op 3 mei 2000 een structurele oplossing voor zijn problemen aangedragen die door verweerder bij zijn besluit van 20 juni 2000 is afgewezen. Op het daartegen ingediende bezwaarschrift van verzoeker had verweerder evenwel, hoewel de hoorzitting reeds op 11 augustus 2000 heeft plaatsgevonden, ten tijde van de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening nog immer niet beslist. Door het uitblijven van een beslissing te dezen is onzekerheid blijven bestaan omtrent de aanvaardbaarheid van de door verzoeker voorgestelde structurele oplossing en daarmede ook over de vraag of hem in het kader van het door verweerder gevoerde beleid nog een ontheffing van het vervoersverbod kon worden verleend. Onder die omstandigheden moet worden geoordeeld dat het voortbestaan van een uit oogpunt van het welzijn van de dieren ongewenste situatie niet geheel aan verzoeker is toe te rekenen. In verband daarmede is er naar het oordeel van de president thans een voldoende spoedeisend belang bij het verbeteren van die situatie door het treffen van een voorlopige voorziening. Daaraan doet niet af dat namens verweerder ter zitting is verklaard dat op korte termijn op het bezwaar kan worden beslist. Zodra dit is gebeurd kan verweerder, aan de hand van de alsdan bekende gegevens, bepalen in hoeverre het wederom verlenen van ontheffingen past in zijn beleid.

Dit betekent dat er aanleiding is tot het treffen van een voorlopige voorziening in voege als na te melden.

De president acht tenslotte termen aanwezig artikel 8:75 van de Awb toe te passen.

6. De beslissing

De president:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe in dier voege dat verzoeker wordt behandeld als ware hem onder de

gebruikelijke voorwaarden een tijdelijke ontheffing verleend van het verbod, vervat in artikel 7 van de Regeling

varkensleveringen, voor het eenmalig vervoeren in week 47 of 48 van ten hoogste 300 biggen in maximaal één levering

vanaf het bedrijf UBN *2 naar een varkenshouderijbedrijf dat ingevolge de Regeling varkensleveringen geldt als D-bedrijf;

- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure aan de zijde van verzoeker, vastgesteld op fl. 1.420,-- (zegge:

eenduizendvierhonderdtwintig gulden) en aan verzoeker te vergoeden door de Staat;

- verstaat dat aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van fl. 225,--

(zegge: tweehonderdvijfentwintig gulden) wordt vergoed door de Staat;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, fungerend president, in tegenwoordigheid van

mr J.A. Hoovers-Backaert, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 november 2000.

w.g. C.M. Wolters w.g. J.A. Hoovers-Backaert

Verzonden op: