Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2000:AA9278

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/385
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

AM

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

No. AWB 99/385 21 december 2000

27327

Uitspraak in de zaak van:

A, appellante,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr C. Cromheecke, werkzaam bij Senter.

1. De procedure

Op 15 april 1999 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een

besluit van verweerder van 5 maart 1999.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen de afwijzing van haar aanvraag om

subsidie in het kader van de Subsidieregeling energie- efficiency- en milieuadviezen Schoner Produceren (Stcrt. 1998 nr.173,

hierna: de Regeling).

Verweerder heeft op 12 juli 1999 een verweerschrift ingediend.

Op 7 december 2000 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, alwaar verweerder zijn standpunten heeft toegelicht.

Appellante heeft zich niet ter zitting doen vertegenwoordigen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij artikel 2, eerste lid en vijfde lid, van de Regeling, is voor zover hier van belang het volgende bepaald:

" Artikel 2

1. De Minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een ondernemer, (.), die in zijn opdracht van een extern

adviseur een van de volgende adviezen krijgt:

a. een samenhangend energie-efficiency- en milieuadvies;

b. een energie- efficiencyadvies;

c. een milieuadvies.

(.)

5. Geen subsidie wordt verstrekt:

a. indien de subsidie-ontvanger voor de indiening van de aanvraag ter zake van de activiteiten waarop de aanvraag

betrekking heeft verplichtingen heeft aangegaan;"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College

komen vast te staan.

- Appellante heeft met een daartoe strekkend formulier, gedateerd 27 oktober 1998 en door verweerder ontvangen op 28

oktober 1998, een aanvraag ingediend ter verkrijging van subsidie voor een milieuadvies als bedoeld in de Regeling.

- Op het aanvraagformulier heeft appellante september 1998 vermeld als datum van opdracht waarop reeds verplichtingen

met betrekking tot de advisering waren aangegaan.

- Naar aanleiding van verweerders telefonische verzoek om nadere informatie omtrent deze vermelding op het

aanvraagformulier is van de zijde van appellante bevestigd dat de opdracht aan de externe adviseur van het

desbetreffende milieuadvies, in casu VPGI, is verstrekt voordat de aanvraag om subsidie was ingediend.

- Bij besluit van 22 december 1998 heeft verweerder appellantes aanvraag om subsidie afgewezen.

- Hiertegen heeft appellante bij brief van 28 december 1998 een bezwaarschrift ingediend.

- Na appellante ter zake van haar bezwaren te hebben gehoord heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Verweerder heeft bij het bestreden besluit appellantes aanvraag met inachtneming van de in de bezwaarfase overgelegde

informatie heroverwogen. In hetgeen appellante ter zake heeft aangevoerd heeft verweerder geen aanleiding gevonden voor het

oordeel dat vanwege zeer uitzonderlijke omstandigheden in het onderhavige geval van de Regeling dient te worden afgeweken.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - onder meer het volgende tegen het bestreden besluit

aangevoerd.

Appellantes bedrijf produceert vouwkartonnages voor de verpakkingsindustrie, een branche waarin zij vanwege de enorme

concurrentie en de minimale winstmarges moeite heeft het hoofd boven water te houden. Dit houdt in dat met zo min mogelijk

medewerkers tegen een zo laag mogelijke kostprijs geproduceerd moet worden. Dit betekent echter ook dat soms de

administratieve afhandeling van zaken, zoals in dit geval de subsidieaanvraag, wegens tijdgebrek of andere prioriteiten, wat

langer duurt. Dat wil niet zeggen dat de aangevraagde gelden niet hard nodig zijn. Verweerders afwijzing van haar aanvraag op

grond van de te late indiening druist tegen haar gevoel voor rechtvaardigheid in. Daarmee gaat verweerder haars inziens geheel

voorbij aan de doelstelling van de regeling: het doen van investeringen op het gebied van schoner produceren.

5. De beoordeling van het geschil

Het College dient te beoordelen of het bestreden besluit, dat strekt tot ongegrondverklaring van het bezwaar van appellante

tegen de afwijzing van haar aanvraag om subsidie, in rechte stand kan houden.

Niet in geschil is dat appellantes aanvraag om subsidie bij verweerder is ingediend na het tijdstip waarop door haar reeds

verplichtingen waren aangegaan terzake van het milieu- advies waarop haar aanvraag betrekking had. Om die reden is door

haar niet voldaan aan het vereiste van het hiervoor, onder paragraaf 2 aangehaalde artikel 2, vijfde lid aanhef en onder a, van de

Regeling.

Hetgeen appellante ter zake heeft aangevoerd biedt geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft

kunnen besluiten om voornoemde bepaling van de Regeling toe te passen. Niet kan worden staande gehouden dat in het

onderhavige geval sprake was van zodanige bijzondere omstandigheden, dat van toepassing van genoemd voorschrift had

behoren te worden afgezien.

Naar het oordeel van het College betreft hetgeen appellante heeft aangevoerd, omstandigheden welke binnen haar risicosfeer

zijn gelegen.

Zoals verweerder in het bestreden besluit in aanmerking heeft genomen, is het de verantwoordelijkheid van de aanvrager om

zich op de hoogte te stellen van de voorschriften die bij de Regeling zijn gegeven en deze in acht te nemen.

Appellantes betoog dat zij overigens geheel overeenkomstig de in de Regeling gestelde doelstelling heeft gehandeld kan haar

evenmin baten, nu dat betoog er aan voorbij gaat dat met het oogmerk milieu- of energiemaatregelen te stimuleren bij de

Regeling is voorgeschreven dat geen subsidie wordt verleend, indien reeds voor de indiening van de aanvraag ter zake van de

activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft verplichtingen zijn aangegaan.

Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene

wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, in tegenwoordigheid van mr J.A. Hoovers-Backaert, als griffier, en uitgesproken in het

openbaar op 21 december 2000.

w.g. H.C. Cusell w.g. J.A. Hoovers-Backaert