Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2000:AA9117

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-12-2000
Datum publicatie
20-12-2000
Zaaknummer
AWB 00/743
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:5, geldigheid: 2000-12-05
Besluit subsidies exportfinancieringsarrangementen 12, geldigheid: 2000-12-05
Besluit subsidies exportfinancieringsarrangementen 9, geldigheid: 2000-12-05
Kaderwet EZ-subsidies, geldigheid: 2000-12-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2001, 99

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 00/743 5 december 2000

27347

Uitspraak in de zaak van:

A, appellante,

gemachtigde: mr A.S.M.L. Prompers, advocaat te 's-Gravenhage,

tegen

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigden: mr J.F.W. Clasie en R. Volkers, werkzaam bij Senter.

1. De procedure

Op 14 september 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 4 augustus 2000, met

het kenmerk JZ/EFI981671/BNE.

Bij dat besluit heeft verweerder afwijzend beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen de afwijzing van haar aanvraag om subsidie op de voet van het Besluit subsidies exportfinancieringsarrangementen (hierna: het Besluit) juncto de Regeling exportfinancieringsarrangement lichte matching (hierna: de Regeling).

Op 10 oktober 2000 heeft appellante een schriftuur ingediend, waarbij zij de gronden van haar beroep nader heeft aangevoerd. Tevens heeft zij op die datum het College verzocht om versnelde behandeling van haar beroep.

Bij beschikking van 18 oktober 2000 heeft het College dat verzoek toegewezen.

Verweerder heeft op 1 november 2000 een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 16 november 2000 heeft appellante een aantal stukken aan het College toegezonden.

Op 28 november 2000 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Partijen hebben aldaar hun standpunt bij monde van hun gemachtigden nader toegelicht. Ter zitting is namens appellante tevens toelichting verstrekt door B, werkzaam bij appellante.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Op grond van het Besluit en de Regeling kon, ten tijde hier van belang, een aanvraag worden ingediend voor het verkrijgen van een subsidie voor het verstrekken of doen verstrekken van een exportkrediet met betrekking tot een te sluiten zeescheepsbouworder.

Hiervoor was ingevolge een krachtens artikel 10 van de Regeling vastgestelde beschikking van 14 december 1999 (Stcrt. van 14 december 1999, nr. 143) voor het jaar 2000 een budget van NLG 22,5 miljoen vastgesteld. Blijkens mededeling van verweerder in de

Staatscourant van 28 april 2000, nr. 83, is dit budget uitgeput.

Volgens artikel 12 van het Besluit, verdeelt de minister van Economische Zaken het beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen. In dit artikel is voorts

bepaald, dat indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en de aanvrager met toepassing van artikel 4:5 van

de Algemene Wet Bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.

Artikel 9 van het Besluit luidt:

" 1. Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld. Onze Minister kan bij ministeri‰le regeling hiervan vrijstelling verlenen.

2. De aanvraag gaat vergezeld van de bescheiden die in het formulier zijn vermeld."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- In een brief, gedateerd 21 december 1999, heeft de directeur-generaal Buitenlandse Economische Betrekkingen van het Ministerie van Economische Zaken (hierna: DG BEB), drs F.A. Engering, aan de Vereniging Nederlandse Scheepsbouwindustrie (VNSI) het volgende bericht:

" Hierbij deel ik u mede dat ik, naar aanleiding van de uitkosten van de Evaluatie Matchingfonds/ROF uitgevoerd door PricewaterhouseCoopers, voornemens ben een tijdelijke generieke exportregeling t.b.v. de scheepsbouwsector in te voeren.

(.)

Aangezien deze regeling ter goedkeuring aan Brussel dient te worden

voorgelegd, zal deze in ieder geval niet eerder dan 1 mei 2000 in werking kunnen treden. Om te voorkomen dat er een gat dreigt te ontstaan voor de scheepsbouwsector tot het van kracht worden van de nieuwe regeling, wordt in 2000 een beperkt budget gepubliceerd voor scheepsbouwaanvragen onder het Matchingfonds van NLG 22,5 mln. Door het beschikbaar stellen van dit budget, kan ook in de tussenliggende periode het level playing field van de Nederlandse scheepsbouwsector t.o.v. buitenlandse overheidsgesteunde concurrenten zoveel mogelijk in stand worden gehouden. Ik zou u willen vragen de scheepsbouwsector van het hiervoor genoemde op de hoogte te

stellen."

- Bij een op 30 december 1999 door verweerder ontvangen aanvraagformulier heeft appellante in verband met de mogelijkheid tot het verkrijgen van een order voor de bouw door haar scheepswerf van vier zeeschepen, een aanvraag ingediend voor subsidie op de voet van de Regeling. Het ging hier om een order, begroot op NLG

28 miljoen per schip. De mogelijk op grond van de Regeling in verband met deze aanvraag te verstrekken subsidie bedraagt 9% van het orderbedrag, derhalve (vier maal 28 miljoen maal 9 % =) NLG 10,08 miljoen, met dien verstande dat de subsidie ingevolge artikel 6 van de Regeling maximaal NLG 10 miljoen kan bedragen.

- Blijkens het aanvraagformulier, onder punt 11, moet de aanvraag gecompleteerd worden met een aantal - in het formulier in het totaal in 11 categorie‰n ondergebrachte - bijlagen. Sommige daarvan behoeven, blijkens de bij de desbetreffende categorie geplaatste voetnoot, alleen in bepaalde gevallen te worden

meegezonden. Appellante heeft op het formulier de categorie‰n 2, 4, 5, 8 en 10 doorgehaald. Niet doorgehaald zijn de categorie 1 (statuten van de onderneming), 3 (jaarrekening), 6 (de uitgebrachte prijsofferte), 7 (recente offerte(s) van de financier(s) voor de onderhavige financiering), 9 (gegevens over de aanwezigheid

van buitenlandse concurrentie) en 11 (specificatie kostenposten vraag 7).

- Bij brief van 17 januari 2000 heeft appellante aan Senter, de door verweerder met de afhandeling van deze aanvraagregeling belaste uitvoeringsinstantie, ter attentie van drs A.G.Jonker, contactpersoon van appellante bij Senter voor de onderhavige

aanvrage (hierna: Jonker) een afschrift gezonden van een aan appellante gezonden faxbericht d.d. 14 januari 2000, waarin de bank van appellante bevestigt appellantes acceptatie d.d. 12 januari 2000 van de beide offertes van deze bank van 27 december 1999 met betrekking tot de twee transacties inzake de levering van de vier schepen, ten behoeve waarvan de onderhavige subsidieaanvraag is gedaan. In deze brief is door appellante het volgende meegedeeld:

" Hierbij doe ik u de bevestiging van de acceptatie van de financiering van bovengenoemd project toekomen."

- Bij brief van 25 januari 2000 heeft verweerder aan appellante het volgende meegedeeld:

" Op 30 december 1999 heb ik uw aanvraag in het kader van het Besluit subsidies exportfinancieringsarrangementen (hierna: het Besluit); Regeling exportfinancieringsarrangement lichte matching (hierna: de Regeling) ontvangen. Uw aanvraag kan echter niet in behandeling worden genomen, omdat deze niet voldoet aan de wettelijke voorschriften voor het in behandeling nemen ervan. Om een voldoende basis voor matching overeenkomstig ook de geest van het matchingfonds te blijven waarborgen, acht ik het, mede in het

licht van het grote aantal subsidieaanvragen waarbij sprake is van hetzelfde concurrerende land en vaak ook dezelfde concurrerende werf, een vereiste voor eventuele subsidieverlening, nadere aanvullende informatie van u te ontvangen ter adstructie van het realiteitsgehalte van de door u in uw aanvraag aangevoerde concurrentie. De volgende essenti‰le gegevens ontbreken:

gegevens over de buitenlandse concurrentie, i.c. een verslag van het gesprek tussen uw agent en de Spaanse concurrent, waaruit de toepassing van de Spaanse rente-steunregeling ten behoeve van de scheepsbouw, conform Royal Decree 1999, voor de bouw van 4 schepen blijkt;

- een schriftelijke verklaring van uw potenti‰le klant, mede op basis van diens kennis van de bedrijfstak, welke concurrent(en) een re‰el tegenbod uitbrengen (tenderlijst);

- een schriftelijke verklaring uwerzijds waarin u gemotiveerd adstrueert dat uw concurrent daadwerkelijk over de capability en ervaring beschikt om een schip als het onderhavige te bouwen.

- acceptatie bankofferte

- bevestiging bank van uw acceptatie.

Indien bovengenoemde gegevens geheel of gedeeltelijk ontbreken, is er geen sprake van een aanvraag in de zin van het Besluit. Ik stel u tot en met 4 weken na dagtekening van deze brief in de gelegenheid de ontbrekende gegevens alsnog te verstrekken."

- Bij brief van 28 februari 2000 heeft appellante door middel van toezending van vijf aan die brief gehechte bijlagen gereageerd op het hiervoor weergegeven verzoek van verweerder.

- Op 26 april 2000 heeft Jonker per faxbericht aan appellante nog enkele aanvullende vragen gesteld, waarop door appellante op 28 april 2000 per fax en brief is gereageerd.

- Bij brief van 9 mei 2000 is, met verwijzing naar de desbetreffende mededeling in de Staatscourant nr. 8, door verweerder aan appellante bericht dat het voor 2000 beschikbare budget voor het verlenen van de gevraagde subsidie is uitgeput. Daarbij is appellante gewezen op de mogelijkheid in het kader van de (op dat moment nog niet in werking getreden) Regeling exportfinancieringsarrangement zeescheepsbouw (EFZ) een aanvraag in te dienen, onder de mededeling dat deze regeling een vaste subsidie van 3,5% van het orderbedrag kent met een maximum van NLG 5 miljoen per transactie.

- Bij brief van 16 mei 2000, nader bevestigd bij brief van 30 juni 2000, heeft appellante hierop verweerder bericht dat zij bezwaar aantekent tegen de onderhavige besluitvorming en heeft zij daartoe onder meer het volgende meegedeeld:

" In de aanvraagbehandeling is, ten tijde van het commerci‰le traject met North Coast Shipping, steeds zorgvuldig contact geweest met SENTER Internatonaal rondom deze matching-aanvraag. Daarbij zijn, pas toen SENTER Internationaal ons gemeld had dat de aanvraag en bijbehorende documentatie afdoende was (en derhalve een positief besluit kon worden voorzien terzake deze aanvraag voor 'matching oud'), met North Coast Shipping vier contracten gesloten voor totaal vier schepen. (Daarbij is evenzeer met SENTER Internationaal zorgvuldig afgestemd dat het geen bezwaar was dat op een aantal

detailvragen nog nadere informatie moest worden verstrekt, hetgeen nadien ook is gebeurd).

In deze contractering kon derhalve worden uitgegaan, zoals alle jaren rondom deze regeling gebruikelijk was (anders zou met zo'n regeling natuurlijk ook niet commercieel kunnen worden gewerkt !!), dat een budgetprobleem het contract niet zou kunnen bedreigen. De correctheid van een dergelijke verwachting werd ons, als delegatielid van de branchevereniging, in een bespreking met de

DG-BEB op 14 april jl. nog eens bevestigd.

Thans echter worden wij er als werf ermee geconfronteerd dat een budget-probleem w‚l blokkerend is ingezet. Dit betekent dat wij in de financi‰le (order-) planning van de werf als geheel thans, zelfs rekening houdend met de bovenbedoelde overgangsregeling, met een gat zitten van circa 4 x 5,5% x NLG 28 miljoen = NLG 6,16 miljoen.

U zult begrijpen dat wij, in het contracteren van deze orders (dat, nogmaals, in zorgvuldige afstemming met SENTER Internationaal is gebeurd), gepland hebben m‚t de redelijkerwijs te verwachten Generieke Steun voor onze werf, en m‚t de op dat moment verwachte 9% matching voor deze schepen (Het Generieke Steun budget zou dan op andere bouwnummers worden aangevraagd.).

Het is heel eenvoudig: dit gat is direct bedreigend voor de continu‹teit van onze werf!"

- Bij brief van 17 juli heeft verweerder aan appellante onder meer het volgende meegedeeld:

" In mijn brief van 9 mei 2000 heb ik u in het algemeen meegedeeld dat het budget voor het verlenen van subsidie onder de regeling lichte matching was uitgeput. De consequentie hiervan voor uw aanvraag is dat deze op grond van artikel 12 van het besluit Besluit alsmede artikel 10 van de regeling lichte matching wordt afgewezen. Immers, de toelichting op artikel 12 van het Besluit

stelt dat subsidies mogen worden verleend totdat het subsidieplafond is bereikt en dat aanvragen worden afgewezen voor zover het subsidieplafond door het totaal van de verleende subsidies zou worden overschreden.

Uw aanvraag voldeed aan de wettelijke voorschriften voor het in behandeling nemen van de aanvraag op 24 januari 200, toen het beschikbare subsidieplafond niet meer toereikend was. Daarom ben ik gehouden om afwijzend op uw aanvraag voor lichte matching te beslissen.

Ik heb overigens vernomen dat u inmiddels een bezwaarschrift bij de Afdeling Juridische Zaken heeft ingediend tegen het niet verlenen van subsidie op grond van de regeling voor lichte matching."

- Op 20 juli 2000 heeft verweerder appellante ter zake van het door haar ingediende bezwaarschrift gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

" Bevindingen

(.)

Bij de op 30 december 1999 ontvangen aanvraag ontbrak nog een essentieel stuk. Dit betrof informatie over de acceptatie door de bank van de offerte. Dit heeft u bij uw brief van 17 januari 2000 toegezonden. Op basis hiervan voldeed uw aanvraag op 17 januari 2000 aan de wettelijke vereisten.

In mijn brief van 25 januari 2000 heb ik daarnaast nog verzocht om andere aanvullende gegevens. Deze gegevens heb ik op 29 februari 2000 ontvangen.

Op basis van deze informatie is uw aanvraag beoordeeld. Het budget dat voor 2000 beschikbaar was gesteld is toereikend geweest voor de aanvragen die voor 14 januari 2000 zijn ingediend en voldeden aan de wettelijke voorschriften voor het in behandeling nemen van de aanvraag.

Overwegingen

Omdat het budget is benut door aanvragen die voor 17 januari 2000 aan de wettelijke voorschriften voldeden, kan ik uw aanvraag niet honoreren. De aanvraag moet op grond van artikel 12 van het Besluit worden afgewezen.

(.)

Door u zijn een aantal bezwaren aangevoerd. Naast een klemmend beroep op mij om alsnog subsidie te verstrekken, beroept u zich op het door de heer Engering gewekte vertrouwen dat een oplossing zal worden gevonden.

Daarnaast bestaat in uw ogen de in het verleden gevolgde handelswijze dat aanvragen nooit worden afgewezen op grond van een budgettekort. In het verleden zijn budgetten immers altijd aangevuld. Op deze eerder gevolgde handelswijze hebt u vertrouwd.

U beroept zich hierbij met andere woorden op opgewekt vertrouwen en het rechtszekerheidsbeginsel. In het vervolg zal ik per onderdeel aangeven, waarom mij dit niet tot een ander standpunt kan brengen.

(.)

Als laatste doet u een klemmend beroep op mij om tot een oplossing te komen.

Hoewel ik begrip heb voor dit dringende beroep en ik voorts de moeilijke situatie die door de budgetuitputting voor uw onderneming is ontstaan betreur, geeft de Regeling mij geen mogelijkheden uw bezwaar te honoreren.

De uitvoering van de onderhavige Regeling dient voor iedere aanvrager te geschieden binnen de kaders die de wet- en regelgeving geeft. Zoals hierboven al uiteengezet is, is de Regeling duidelijk; indien het budget niet toereikend is, dienen aanvragen afgewezen te worden.

Het Besluit en de Regeling geeft geen mogelijkheid van deze bepaling af te wijken. Binnen dit kader is het voor mij niet mogelijk tot een honorering van uw bezwaarschrift te komen. Bovendien zou het buiten de kaders van de Regeling honoreren van uw bezwaarschrift leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van andere aanvragers. Dit acht ik ongewenst.

Juist voor dit soort gevallen heb ik voorzien in een overgangsregeling naar een nieuwe regeling. Deze nieuwe regeling biedt een gedeeltelijke compensatie voor het vervallen van de onderhavige Regeling.

Ondanks uw klemmende en dringende beroep zie ik geen mogelijkheden

binnen het kader van de regelgeving tot een positief besluit op uw

bezwaarschrift te komen.(.)"

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellante heeft de onderhavige order op 24 januari 2000 verworven. De geoffreerde contractsprijs is gebaseerd op het verkrijgen van een volledige subsidie van 10 miljoen gulden. Op 26 januari 2000 zijn de contracten getekend. Appellante heeft dit onverwijld telefonisch aan Senter gemeld.

Appellante heeft Senter bij de indiening van de aanvraag er nadrukkelijk op gewezen dat zij verwachtte in januari 2000 de order te sluiten, hetgeen ook is gebeurd. Wanneer appellante v¢¢r het aangaan van de overeenkomsten enige indicatie had gekregen dat haar

subsidieaanvraag enige kans liep niet te worden toegewezen, had zij de betreffende acquisitie niet doorgezet en g‚‚n overeenkomsten gesloten.

Appellante heeft gehandeld in het vertrouwen dat hetzij het budget voor lichte matching indien dit niet toereikend zou zijn, zou worden verhoogd, hetzij de aanvraag zou worden afgehandeld onder het opvolgend budget, hetgeen sinds jaar en dag vaste praktijk was.

Noch bij de vaststelling van het budget voor de periode januari - mei 2000 noch op enig ander moment is appellante erop gewezen dat deze vaste praktijk zou worden be‰indigd.

Reeds v¢¢r de inwerkingtreding van de subsidiebepalingen van de Awb en de daarop gebaseerde regelgeving, maar ook nadien is het al vaste praktijk geweest om budgetten tussentijds te verhogen indien in de loop van het desbetreffende jaar blijkt dat deze niet toereikend zijn. Deze praktijk geldt niet alleen voor de Regeling voor lichte matching maar ook voor de Regelingen voor zware matching en rente-overbruggingsfaciliteit. En zelfs als achteraf bleek dat, ondanks tussentijdse verhoging van het budget, niet alle aanvragen die

voor subsidietoekenning in aanmerking kwamen (omdat de ermee corresponderende orders werden verworven), konden worden toegewezen dan werden deze aanvragen doorgeschoven naar het komende subsidiejaar/budget. Tengevolge van deze vaste praktijk,

waarvan Senter in haar beschikking op bezwaar ook erkent dat deze tot nog toe heeft bestaan, was een afwijzing van een subsidieaanvraag om redenen van "uitputting" van het

subsidiebudget nimmer aan de orde.

Op basis van deze praktijk blijkt het belangrijkste ijkmoment voor scheepswerven het moment waarop zij hun aanvraag indienen, althans waarop deze voldoet aan alle vereisten van de Regeling lichte matching en dientengevolge door Senter in behandeling wordt

genomen. Vanaf dat moment konden werven er in de praktijk er op vertrouwen dat de subsidie ook daadwerkelijk werd verleend. Dienovereenkomstig is en was het dan ook zeer

gebruikelijk om met het acquireren en sluiten van de contracten niet te wachten totdat daadwerkelijk op de subsidieaanvraag (formeel) was beslist.

Achteraf bezien is gebleken dat deze vaste praktijk per 2000 substantieel is gewijzigd, zonder dat de scheepswerven dan wel hun belangenvertegenwoordigers hierop op voorhand door Economische Zaken, noch vanwege de DG BEB noch door Senter, zijn

gewezen.

De vraag of de bij een aanvraag verstrekte gegevens voldoende zijn voor het in behandeling nemen van die aanvraag, moet worden onderscheiden van de vraag welke

gegevens nodig zijn om de aanvraag te kunnen toewijzen. Laat men dit onderscheid los, dan zou dat ertoe leiden dat slechts aanvragen die voor inwilliging in aanmerking komen, in behandeling behoeven te worden genomen. Dat kan niet de bedoeling zijn. Na het moment van in behandeling nemen volgt een fase van onderzoek waarin de aanvraag wordt beoordeeld. In die fase kan het heel wel nodig of wenselijk zijn dat het bestuursorgaan nadere gegevens opvraagt bij de aanvrager. Dat volgt alleen al uit artikel 3:2 Awb. Het

behoeft dan niet te gaan om gegevens die al bij de aanvraag hadden moeten worden verstrekt.

Nu uit de wettelijke voorschriften hooguit kan worden afgeleid dat de in het formulier vermelde bescheiden bij de aanvraag moeten worden gevoegd (artikel 9 van het Besluit), geldt de dag van ontvangst van de aanvraag van 30 december 1999 als de dag die bepalend is voor de verdeling van het budget. Nu verweerder de artikelen 4:5 Awb en 12 van het Besluit onjuist heeft toegepast, komt het bestreden besluit reeds om die reden voor vernietiging in aanmerking. Ware de datum van 30 december 1999 in acht genomen dan

had appellantes aanvraag ongetwijfeld tot een toewijzing geleid. Het budget voor de periode januari - mei 2000 was (eerst) op 14 januari 2000 uitgeput.

Anders dan verweerder van oordeel is, wordt in deze zaak het vertrouwen dat niet mag worden beschaamd, niet primair ontleend aan de toezegging van de DG BEB tijdens de bespreking van 14 april 2000 maar aan de vaste praktijk van voordien. Dit neemt echter niet weg dat appellante van oordeel is dat deze toezegging wel meeweegt. Nadat eind februari/maart duidelijk werd dat het budget voor de periode januari-mei 2000 te beperkt was en scheepswerven hierdoor in de problemen waren geraakt, is verweerder gaan zoeken naar een oplossing voor de problemen die verband hielden met reeds gesloten contracten.

Ook dit toont aan dat verweerder zich ervan bewust was dat met een bestaande praktijk werd gebroken en dat vooral de kenbaarheid (informatievoorziening) gebrekkig is geweest.

5. Het nadere standpunt van verweerder

Verweerder heeft in zijn verweerschrift zijn standpunt inzake de vaststelling van de dag waarop de aanvraag - voor de toepassing van artikel 12 van het Besluit - voldeed aan de wettelijke voorschriften als volgt gepreciseerd.

" Gelet op artikel 12 van het Besluit en de bijbehorende toelichting is de vraag of de bij een aanvraag gevoegde gegevens voldoen aan de wettelijke voorschriften een andere, dan de vraag of de bij de aanvraag verstrekte gegevens voldoende zijn om de aanvraag te beoordelen. In zoverre onderschrijf ik het standpunt van

appellante dat de vraag of de bij een aanvraag verstrekte gegevens voldoende zijn voor het in behandeling nemen van die aanvraag, moet worden onderscheiden van de vraag welke gegevens nodig zijn om de aanvraag te kunnen toewijzen. Voor het moment van indiening van de aanvraag die aan alle wettelijke voorschriften voldoet is op grond van de artikelen 9 en 12 van het Besluit van belang dat het aanvraagformulier volledig is ingevuld en dat alle bescheiden die blijkens het aanvraagformulier met de aanvraag moeten worden

meegezonden, bijgevoegd zijn. Op dat moment wordt de aanvraag in de rij geplaatst die ontstaat in verband met de verdeling van het beschikbare budget.

Het aanvraagformulier van appellante is door mij ontvangen op 30 december 1999. Bij de aanvraag van appellante is gevoegd als bijlage 1, de statuten van de onderneming, als bijlage 2, de jaarrekening, als bijlage 6, de door appellante uitgebrachte offerte, als bijlage 9, gegevens over de buitenlandse concurrentie en als bijlage 11, de opbouw van de aanbiedingssom. Wat als essentieel vereiste in de aanvraag die op 30 december 1999 door mij is ontvangen

ontbrak, was een offerte van de financier van appellante voor de financiering van de schepen. Dit is ‚‚n van de "bescheiden" zoals genoemd op het aanvraagformulier.

Dit stuk is door appellante als ‚‚n van de twee bijlagen bij de brief van 17 januari 2000 gevoegd. Daarom heb ik 17 januari 2000 aangemerkt als datum waarop de aanvraag van appellante voldeed aan de wettelijke voorschriften voor het in behandeling nemen van de aanvraag. In mijn beschikking van 4 augustus 2000 heb ik overigens in dit verband abusievelijk gesproken over informatie over de acceptatie van de offerte door de bank. Dit hield verband

met de tekst die is vermeld in de begeleidende brief van appellante van 17 januari 2000.

In mijn brief van 25 januari 2000 heb ik daarnaast verzocht om aanvullende gegevens die ik nodig had voor het beoordelen van de aanvraag. Deze gegevens heb ik op 29 februari 2000 ontvangen. Op basis van deze gegevens is de aanvraag van appellante beoordeeld. Het budget dat voor 2000 beschikbaar is gesteld is toereikend geweest voor de aanvragen die voor 14 januari 2000 zijn

ingediend en voldeden aan de wettelijke voorschriften voor het in behandeling nemen van de aanvraag. Daarom is de aanvraag van appellante afgewezen."

Ter zitting heeft verweerder nog opgemerkt dat in het geval dat hij 30 december 1999 zou hebben aangemerkt als datum waarop de aanvraag voldeed aan de wettelijke voorschriften voor het in behandeling nemen van de aanvraag, het door appellante gevraagde subsidie-

bedrag niet zou zijn toegekend. Door verlening van subsidie ter zake van aanvragen die eerder dan de onderhavige voldeden aan de wettelijke voorschriften voor het in behandeling nemen, was in dat geval van het beschikbare budget nog slechts NLG 4,1 miljoen over geweest.

Met betrekking tot het beroep op het vertrouwensbeginsel heeft verweerder het volgende opgemerkt.

" Door het verstrekken van de opdracht in de periode tussen het indienen van de aanvraag en het ontvangen van de subsidieverleningsbeschikking liep

appellante bewust het risico dat het voor subsidie beschikbare budget reeds zou zijn uitgeput. Een dergelijk risico dient naar mijn mening dan ook voor appellantes eigen rekening te komen.

Ten slotte wil ik vermelden dat het voor mij niet mogelijk was appellante tijdig, dat wil zeggen voor het sluiten van het contract door appellante, te informeren omtrent de uitputting van het budget. Voor het bepalen van de uitputting van het budget was ik afhankelijk van aanvragen die eerder dan de onderhavige voldeden aan de wettelijke voorschriften, maar nog niet verleend of afgewezen waren. Pas in een later stadium kon ik vaststellen dat voor aanvragen die op of na 14 januari voldeden aan de wettelijke voorschriften

voor het in behandeling nemen, geen budget meer was. Overigens merk ik op dat appellante ook niet, voor het sluiten van de opdracht, ge‹nformeerd heeft omtrent de hoogte van het op dat moment nog beschikbare budget."

6. Het nadere standpunt van appellante

Appellante heeft ter zitting, in reactie op het door verweerder in zijn verweerschrift ingenomen standpunt, betoogd - onder meer aan de hand van een bij brief van 16 november 2000 overgelegd afschrift van de door haar ingediende aanvrage met de bijbehorende stukken - dat de aanvraag, zoals die op 30 december 2000 bij verweerder is ingediend, wel degelijk het stuk, bedoeld in punt 7 van onderdeel 11 van het aanvraagformulier, als bijlage bevatte.

Voorts heeft zij, met verwijzing naar onder meer de feitelijke gang van zaken bij de behandeling van de aanvraag van appellante, betoogd dat de in het Besluit voorziene procedure niet adequaat is om tot een correcte vaststelling van de datum van ontvangst van

de aanvraag, als bedoeld in artikel 12 van het Besluit, te komen. Naar haar mening ondersteunt dit haar stelling dat de praktijk van verweerder er een was waarbij een budgetuitputting in feite geen probleem kon vormen voor de aanvragers van de onderhavige subsidie en dat aanvragers daarop konden vertrouwen.

7. De beoordeling van het geschil.

7.1 De in het bestreden besluit neergelegde primaire afwijzingsgrond is dat op 17 januari 2000,

de datum waarop volgens verweerder de aanvraag aan de terzake geldende voorschriften voldeed, het budget uitgeput was.

In het bestreden besluit is het voor het voldoen aan de voorschriften essenti‰le stuk, dat op 17 januari 2000 door appellante zou zijn toegestuurd, nog aangeduid als "informatie over

de acceptatie door de bank van de offerte". Verweerder heeft in zijn verweerschrift gesteld dat deze aanduiding aldaar abusievelijk is geschied. Gedoeld zou zijn op de offerte zelf.

Deze offerte zou niet bij het aanvraagformulier hebben gezeten.

Gelet op hetgeen partijen daarover hebben aangevoerd, is allereerst aan de orde de vraag of verweerder gevolgd kan worden in zijn eerst in het verweerschrift betrokken stelling dat de

bijlage, bedoeld onder punt 7 van onderdeel 11 van het formulier, te weten de offerte van appellantes bank, niet bij het aanvraagformulier was gevoegd, zoals dat op 30 december

1999 bij verweerder werd ingediend.

Het College beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

7.2 Bij de door verweerder overgelegde processtukken bevindt zich het aanvraagformulier, waarachter zijn gevoegd alle bijlagen die volgens de aangifte op het formulier, onder punt

11, zijn meegezonden, met uitzondering van bijlage 7, de offerte van de bank. De door appellante bij brief van 16 november 2000 aan het College overgelegde kopie-set van het formulier met bijlagen stemt geheel overeen met de stukken welke verweerder heeft

ontvangen, behoudens dat de bijlagen ordelijker zijn gerangschikt en - vooral - dat daarin bijlage 7 wel degelijk is opgenomen.

Volgens de door verweerder overgelegde stukken zou deze bijlage 7 pas bij de brief van appellante van 17 januari 2000 zijn overgelegd. De bijlage is - in die stukken - gevoegd

tussen de aanbiedingsbrief van appellante en de bevestiging van de bank van de acceptatie van de offerte. Appellante heeft ontkend dat bijlage 7 met genoemde brief is meegezonden.

Op grond van de beschikbare gegevens acht het College het niet aannemelijk dat deze bijlage 7 bij die brief is meegezonden. Daartoe overweegt het College allereerst dat de aanbiedingsbrief zelf spreekt over de toezending van genoemde bevestiging van de

acceptatie en de offerte niet noemt. De toezending is voorts geschied op een daartoe strekkend telefonisch verzoek, dat, naar tussen partijen niet in geschil is, ten hoogste enkele dagen eerder door Senter is gedaan. Een schriftelijke verslaglegging van het desbetreffende telefoongesprek is niet gemaakt, althans niet overgelegd.

Het komt het College niet als waarschijnlijk voor dat pas na twee weken, via een telefonisch verzoek, door Senter bijlage 7 is opgevraagd. Het gaat hier immers om een stuk waarvan het ontbreken direct bij ontvangst van de aanvraag opgemerkt kon worden; een

stuk voorts dat volgens appellantes duidelijke opgave op het aanvraagformulier deel had moeten uitmaken van de bijlagen en dat verweerder essentieel acht voor het bepalen van de volgorde van binnenkomst van aanvragen.

Uit de gang van zaken lijkt veeleer te moeten worden afgeleid dat verweerder, reeds in het bezit van de offerte, als aanvullende, niet volgens het aanvraagformulier vereiste, informatie ook de bevestiging van de acceptatie van diezelfde offerte wilde ontvangen.

Ook de brief van 25 januari 2000 van Senter aan appellante vormt een aanwijzing dat de ontkenning van verweerder van de ontvangst van bijlage 7 niet als voldoende geloofwaardig kan worden gekwalificeerd om te kunnen worden gevolgd. De logische verklaring waarom verweerder in die brief wel onder meer de acceptatie van de bankofferte en (opnieuw) de - reeds bij brief van 17 januari 2000 door appellante toegestuurde - bevestiging van die acceptatie door de bank heeft opgevraagd, maar niet de offerte zelf is

immers dat, bij de administratieve verwerking bij Senter, de inkomende brief van appellante van 17 januari en de uitgaande brief van Senter van 24 januari elkaar gekruist hebben. Bij die verklaring - enige verklaring door verweerder zelf voor het opnieuw

opvragen van de reeds toegestuurde acceptatiebevestiging kon niet worden gegeven - vormt het niet opvragen van de bijlage 7 in de brief van 25 januari een bevestiging dat deze

bijlage in elk geval voor 17 januari 2000 reeds in het bezit van verweerder moet zijn geweest.

Het komt het College aannemelijk voor dat bijlage 7 bij het aanvraagformulier heeft gezeten, daaruit - ten behoeve van het opvragen van de aanvullende informatie daarover - is verwijderd en vervolgens, in verband met de samenhang van de bij brief van 17 januari ontvangen bevestiging van de acceptatie, aan laatstbedoeld document is toegevoegd. Bij gebreke van andersluidende aanwijzingen moet het er derhalve voor worden gehouden dat bij de aanvraag van appellante op het tijdstip van indiening bij verweerder - 30 december 1999 - de offerte, bedoeld in punt 7 van onderdeel 11 van het aanvraagformulier, was gevoegd.

Verweerder heeft zelf in zijn verweerschrift het standpunt ingenomen dat de bevestiging van de acceptatie van de offerte, waarvan niet in geschil is dat die op 17 januari 2000 aan

verweerder is toegestuurd, niet aangemerkt wordt als essenti‰le informatie waarvan de ontvangst bepalend is voor de rangorde van de aanvrage. De grieven van appellante tegen het aanvankelijk andersluidende standpunt van verweerder behoeven dus geen bespreking

meer.

7.3 De conclusie moet dan ook luiden dat verweerder ten onrechte de datum 17 januari 2000 heeft aangemerkt als datum waarop de aanvrage van appellante voldeed aan de voorschriften voor het in behandeling nemen ervan en dat de aanvraag op 30 december 1999 voldeed aan de wettelijke voorschriften, zoals die volgens verweerder dienen te gelden voor het in behandeling nemen van die aanvragen. De in het bestreden besluit gegeven en in het verweerschrift aangevulde motivering voor de afwijzing van

appellantes aanvraag berust derhalve op een onjuiste feitelijke grondslag, zodat dit besluit reeds op deze grond niet in stand kan blijven.

7.4 Voorts is het volgende gebleken.

In het verweerschrift werd nog uitgegaan van een mate van uitputting van het budget op 30 december 1999, welke slechts tot een toewijzing van subsidie zou leiden die lager zou

zijn dan het bedrag waarop appellante aanspraak kan maken in het kader van de EFZ. Ter zitting is door verweerder gesteld dat nieuwe berekeningen zouden hebben geleid tot de conclusie dat een subsidie in dat geval hoger zou uitkomen dan de EFZ-bijdrage.

Daarenboven valt niet uit te sluiten, dat door de andere feitelijke grondslag, waarvan bij het nieuw te nemen besluit moet worden uitgegaan, zich ook andere mogelijkheden aandienen

voor de toepassing ten aanzien van appellante van de diverse subsidieregelingen op het onderhavige terrein, bijvoorbeeld de mogelijkheid om voor de onderhavige order deels gebruik te maken van de onderhavige subsidiemogelijkheid en deels van die van het EFZ.

Van de zijde van verweerder is ter zitting bevestigd dat de bereidheid om dergelijke mogelijkheden te onderzoeken en in de besluitvorming te betrekken bij verweerder bestaat.

Bij die stand van zaken ziet het College in de door appellant gewenste spoed termen om mede gelet op het feit dat daartoe nader onderzoek geboden zou zijn naar onder meer de uitlatingen welke, naar appellante stelt door Jonker tijdens de aanvraagprocedure zijn

gedaan - thans de vraag of appellantes beroep op het vertrouwensbeginsel en de rechts-zekerheid slaagt, onbeantwoord te laten.

7.5 Ter voorlichting van partijen, mede opdat verweerder daarmee rekening houdt bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar, merkt het College nog het volgende op.

De gevolgen van een besluit om, vooruitlopend op de ontvangst van een beslissing van verweerder op een subsidieaanvraag, contracten af te sluiten waarin wordt uitgegaan van

een positieve beslissing van verweerder ter zake, moeten in beginsel voor rekening en risico van de betrokken ondernemer blijven. Slechts indien sprake is van een samenstel van zeer bijzondere, de rechtszekerheid betreffende, omstandigheden zal de conclusie kunnen

luiden dat van dat uitgangspunt moet worden afgeweken. Naar het oordeel van het College is in het kader van een dergelijke beoordeling niet zonder betekenis de omstandigheid dat

verweerder de aanvraagprocedure zo heeft ingericht dat - zoals blijkt uit de onderhavige casus - het niet in de laatste plaats van de snelheid van verweerders verzoeken om nadere informatie en van verweerders interpretatie - welke, blijkens de stukken in het onderhavige geval, kennelijk wisselend is geweest - van het vereiste dat moet zijn voldaan aan de voorschriften voor het in behandeling nemen, afhangt in welke volgorde van ontvangst een aanvraag wordt geplaatst. Niet zonder betekenis in dit verband is evenzeer de omstandig-heid dat verweerder voordien een praktijk van budgetaanvulling heeft gehanteerd en de omstandigheid dat, zoals blijkt uit de overgelegde stukken, verweerder gemeend heeft voor

gevallen, zoals van appellante, waarin reeds contracten waren afgesloten terwijl achteraf bleek dat het budget niet toereikend was voor subsidietoekenning, een bijzondere voorziening te moeten treffen wat betreft de mogelijkheden om van de EFZ-regeling

gebruik te maken. Dit lijkt te duiden op een bekendheid met en wellicht zelfs aanvaarding van een praktijk van het afsluiten van contracten door de betrokken aanvragers, nadat informatie van Senter was verkregen over het in behandeling nemen van de aanvraag, maar

voordat er een formele beslissing op de aanvraag was genomen.

7.6 Gelet op het onder 7.3 overwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit te worden vernietigd, met bepaling dat verweerder opnieuw op het bezwaarschrift van appellante beslist met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene. Het College acht de zaak voldoende spoedeisend om, met toepassing van het bepaalde bij artikel 8:72, vijfde lid, Awb te bepalen dat verweerder voor 20 december 2000 een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellante.

Het College acht voorts termen aanwezig voor een veroordeling, met toepassing van artikel 8:75 van de Awb, van verweerder in de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in deze procedure aan de zijde van appellante, welke worden begroot op

fl. 710,-- voor het indienen van een beroepschrift, de helft van genoemd bedrag voor het indienen van nadere schriftelijke stukken en fl. 710,-- voor het verschijnen ter zitting.

8. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- gelast dat verweerder v¢¢r 20 december 2000 opnieuw op het bezwaar van appellante

beslist met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;

- bepaalt dat verweerder aan appellante het door haar betaalde griffierecht ad fl. 450,--(zegge vierhonderdvijftig gulden) vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de kosten van de onderhavige procedure, die aan de zijde van appellante zijn gemaakt, welke worden vastgesteld op fl. 1775,-- (zegge:

zeventienhonderdvijfenzeventig gulden);

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr H.C. Cusell en mr J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 december 2000.

w.g. B. Verwayen w.g. W.F. Claessens