Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2000:AA7920

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/731
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 2:3
Subsidieregeling energievoorzieningen in de non-profit en bijzondere sectoren 2
Subsidieregeling energievoorzieningen in de non-profit en bijzondere sectoren 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2001, 26 met annotatie van J.H. van der Veen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 99/731 19 oktober 2000

27366

Uitspraak in de zaak van:

de Bestuurscommissie van de Regionale Scholengemeenschap "'t Rijks", te

Bergen op Zoom, appellante,

gemachtigde: drs A. Petermeijer, rector van de school,

tegen

de Minister van Economische Zaken, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr J.W.F. Clasie, werkzaam bij Senter.

1. De procedure

Op 6 september 1999 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 5 augustus 1999.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen de afwijzing van haar aanvraag om subsidie in het kader van de Subsidieregeling energievoorzieningen in de non-profit en bijzondere sectoren (Stcrt. 1998 nr. 46, hierna: de Regeling).

Verweerder heeft op 30 november 1999 een verweerschrift ingediend.

Op 4 april 2000 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben toegelicht. Aan de zijde van appellante was tevens ter zitting aanwezig R.A.A. Bodar.

Bij beslissing van 7 juni 2000 heeft het College, oordelend dat het onderzoek in de zaak niet volledig is geweest, het onderzoek heropend teneinde verweerder de gelegenheid te bieden enkele vragen, gesteld in een brief van de griffier van het College d.d. 7 juni 2000, te beantwoorden.

Verweerder heeft op genoemde brief gereageerd bij schrijven van 19 juni 2000.

Bij brief van 22 juni 2000 is appellante door het College in de gelegenheid gesteld op verweerders brief van 19 juni 2000 te reageren. Appellante heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Bij schrijven van 13 september 2000 is partijen vanwege het College medegedeeld dat het onderzoek in de zaak is gesloten en dat uitspraak wordt gedaan binnen 6 weken.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij artikel 2, vierde lid aanhef en onder a, van de Regeling, is het volgende bepaald:

" Artikel 2

4. Geen subsidie wordt verstrekt:

a. indien de aanvrager voor de indiening van de aanvraag ter zake van de koop van de voorzieningen waarop de aanvraag betrekking heeft verplichtingen heeft aangegaan;"

Artikel 6, eerste lid van de Regeling luidt:

" 1. Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 1."

In de toelichting bij bedoeld aanvraagformulier staat onder meer het volgende vermeld:

" Om voor de Subsidieregeling energie-voorzieningen in de non-profit- en bijzondere sectoren in aanmerking te komen moet u het aanvraagformulier indienen voordat u aan een leverancier opdracht geeft de voorziening, waarvoor u subsidie aanvraagt, te leveren.

Binnen enkele dagen na ontvangst van uw aanvraag ontvangt u van Senter een ontvangstbevestiging. Als Senter constateert dat u het aanvraagformulier niet volledig heeft ingevuld, wordt u in de gelegenheid gesteld de aanvraag binnen een bep. termijn aan te vullen.

Als datum van uw aanvraag geldt dan de datum waarop Senter het alsnog volledig ingevulde formulier van u ontvangt.

(...)

Voor meer informatie over de subsidieregeling energie-voorzieningen in de non-profit- en bijzondere sectoren kunt u terecht bij de helpdesk van Senter in Zwolle, telefoon (...)."

Op het aanvraagformulier staat voorts vermeld dat dit formulier is verstrekt door en moet worden ingediend bij Senter.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante is blijkens de door haar overgelegde Verordening bestuursstatus RSS

"t Rijks" Bergen op Zoom 1997 van de raad der gemeente Bergen op Zoom onder meer bevoegd tot het instellen van het onderhavige beroep.

- Appellante heeft met een daartoe strekkend formulier, ondertekend op

14 september 1998, een aanvraag bij verweerder ingediend ter verkrijging van subsidie in het kader van de Regeling. Deze aanvraag met begeleidende brief, is door verweerder ontvangen op 17 september 1998. De begeleidende brief luidt als volgt:

" Hierbij ontvangt u het aanvraagformulier voor de subsidieregeling energie-voorzieningen in de non-profit- en bijzondere sectoren (EINP).

Er is bovendien een aanvraag ingediend bij het energiebedrijf PNEM, die ook positief hebben beslist (hiervan is een kopie bijgevoegd)."

- Bij brief van 14 oktober 1998 heeft verweerder appellante meegedeeld dat de termijn waarbinnen op de aanvraag dient te worden beslist was verlengd. De reden hiervoor luidde:

" (...) dat het budget inmiddels is uitgeput door voorafgaande aanvragen.

De mogelijkheid bestaat echter dat uw aanvraag alsnog kan worden gehonoreerd, indien eerder ingediende aanvragen de verleende subsidie niet zullen benutten, of dat er een aanvullend budget door het Ministerie van Economische zaken beschikbaar wordt gesteld.

De termijn waarbinnen op uw aanvraag moet worden beslist, is daarom verlengd tot 31 december 1998. Mocht er op kortere termijn meer duidelijkheid ontstaan over uw subsidiemogelijkheden dan zal ik u dit zo spoedig mogelijk laten weten."

- Naar aanleiding van een verzoek d.d. 20 januari 1999 om nadere informatie betreffende haar aanvraag heeft verweerder appellante bij brief van

10 februari 1999 om aanvullende gegevens verzocht. Vervolgens zijn aan verweerder de gevraagde gegevens verstrekt.

- Verweerder heeft bij besluit van 20 mei 1999 appellantes aanvraag om subsidie afgewezen.

- Tegen deze afwijzing heeft appellante op 22 juni 1999 bij verweerder een bezwaarschrift ingediend.

- Na appellante ter zake van haar bezwaren te hebben gehoord heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn eerdere afwijzing gehandhaafd en dit onder meer als volgt gemotiveerd:

" Op 17 september 1998 heb ik uw aanvraagformulier ontvangen. Als bijlage bij de aanvraag hebt u een kopie van het kostenoverzicht gevoegd en een brief van het energiebedrijf PNEM, waarin u een PNEM Bespaarkrediet wordt toegezegd. Daar de verstrekte gegevens mij geen inzicht verschaffen in het moment waarop u verplichtingen bent aangegaan, verzoek ik u middels mijn schrijven van 10 februari 1999 om nadere informatie. Op 16 februari 1999 ontvang ik een offerte en de opdrachtbevestiging. Uit de stukken blijkt dat u op of voor 14 mei 1999 reeds verplichtingen bent aangegaan.

Op grond van deze opdrachtbevestiging kwam ik tot de conclusie dat u ter zake van de aanschaf van de voorzieningen waarvoor u subsidie aanvraagt, op uiterlijk 14 mei 1998 verplichtingen bent aangegaan. Daarop heb ik uw aanvraag op grond van artikel 2, lid 4 onder a van de Regeling afgewezen, hetgeen ik u door middel van mijn beschikking van 20 mei 1999 heb meegedeeld. Tegen deze beschikking is uw bezwaarschrift gericht.

(...)

In aanvulling op de mondelinge toelichting die u tijdens de hoorzitting heeft gegeven, heb ik op 23 juli 1999 een schrijven van u ontvangen. In uw brief geeft u aan dat u de PNEM heeft verzocht om een schriftelijke bevestiging van het feit dat alle aanvraagformulieren naar de PNEM zijn gestuurd.

Voorts merkt u op dat de lange periode tussen het foutief indienen van de formulieren en het herstel van de vergissing, mede veroorzaakt werden door een ernstige ziekte van de conrector. De conrector had de subsidie-aanvragen volledig onder zijn beheer. Voorafgaand aan de ziekteperiode zijn tal van zaken overgedragen aan de directeur van de school. Deze heeft zich, als gevolg van de toenemende werkdruk, uitsluitend bezig gehouden met urgente zaken. Hij kon naar uw mening niet weten dat er in het dossier 'subsidie-aanvragen' een probleem van deze omvang zou zitten.

Overwegingen

Op grond van deze informatie kan ik niet anders dan concluderen dat de opdracht op 14 mei 1999 is verstrekt. Nu uw aanvraag op 17 september 1998 door mij is ontvangen, betekent dit dat de opdracht is verleend voordat de aanvraag bij mij werd ingediend. In een dergelijk geval dien ik op grond van artikel 2, vierde lid onder a van de Subsidieregeling afwijzend te beslissen op uw aanvraag.

Zoals in de toelichting op de regeling reeds is aangegeven, is het niet toegestaan om voorafgaand aan de indiening van de aanvraag verplichtingen aan te gaan. Zo wordt het stimuleringskarakter van de Regeling gewaarborgd.

Tijdens de hoorzitting van 21 juli 1999 bent u in de gelegenheid gesteld om uw bezwaren toe te lichten. Door mij is aangegeven dat het voor een wezenlijk deel de verantwoordelijkheid van de aanvrager is, om een aanvraag op de juiste wijze in te dienen. Het door u gestelde dat door onbekendheid met de regelgeving wellicht een en ander is misgelopen, vormt voor mij geen aanleiding alsnog een bijdrage te verstrekken. Ik mag van de aanvrager die in aanmerking wenst te komen voor een subsidie verwachten, dat deze zich vooraf op de hoogte stelt van de in acht te nemen bepalingen. Nu dit kennelijk niet is gebeurd, komen de gevolgen hiervan voor uw rekening en risico.

Door u is aangevoerd dat abusievelijk een EINP-aanvraag is ingediend bij het energiebedrijf PNEM. U verzoekt mij om de door de PNEM afgegeven ontvangstbevestiging van 10 april 1998 te accepteren en deze datum aan te houden als datum van indiening voor uw aanvraag. Ik kan niet aan uw verzoek tegemoet komen. De in de Subsidieregeling opgenomen bepalingen zijn voor iedere aanvrager duidelijk kenbaar gemaakt. Om de rechtsgeldigheid te waarborgen wens ik deze regeling ook conform de in de Subsidieregeling opgenomen bepalingen uit te voeren.

Hoewel met de Regeling beoogd wordt energie-investeringen te stimuleren, wil ik tevens het beleid uitvoeren zoals dat in de Regeling staat omschreven. Op grond van het voorgaande kan ik niet anders dan concluderen dat u de verplichting aangaande de door u aangemelde bedrijfsmiddelen op of voor 14 mei 1998 hebt aangegaan. Aangezien ik uw aanvraag op 17 september 1998 ontving, betekent dit dat niet is voldaan aan de bepaling van artikel 2, lid 2, aanhef en onder a van de Regeling. Ik kan daarom geen subsidie verlenen. Ik handhaaf derhalve mijn beslissing van 20 mei 1999."

Naar aanleiding van het hierboven genoemde verzoek van het College van 7 juni 2000 om nadere inlichtingen heeft verweerder het volgende meegedeeld:

" De PNEM (thans geheten: "Essent") voert de zogenoemde Stimev-regeling sinds 1994 uit. Op grond van de Stimev kunnen nog steeds aanvragen om een bijdrage bij een aantal energiebedrijven, onder andere PNEM/Essent, worden ingediend. De Stimev is echter een bijdrageregeling van de energiebedrijven zelf en is nooit onder mijn verantwoordelijkheid uitgevoerd. De PNEM is derhalve bij de Stimev nooit als bestuursorgaan betrokken geweest.

Ter zitting is door mijn gemachtigde opgemerkt dat voorbeelden van subsidieregelingen die onder mijn verantwoordelijkheid door de energiebedrijven, waaronder de PNEM, zijn uitgevoerd, de "Subsidieregeling energiebesparing en stromingsenergie" en haar opvolgers zijn. Deze subsidieregelingen zijn van kracht geweest tussen 1990 en 1994. Deze subsidieregelingen beoogden echter niet investeringen in energiezuinige verlichting te subsidieren.

Er zijn mij geen subsidieregelingen bekend waarbij de PNEM op het tijdstip van ontvangst van de onderhavige aanvraag van appellante als bestuursorgaan betrokken is geweest."

4. Het standpunt van appellante

Hetgeen appellante ter ondersteuning van haar beroep heeft aangevoerd, kan als volgt worden samengevat.

Nadat de PNEM op 10 april 1998 de ontvangst van de subsidie-aanvraag had bevestigd ging zij ervan uit dat alles in orde was. De opdracht tot uitvoering van de betreffende werkzaamheden dateert van 14 mei 1998 en is dus door haar verleend na de ontvangst van de aanvraag. Deze was alleen per abuis verkeerd geadresseerd.

Toen van de vergissing was gebleken is de aanvraag op 17 september 1998 terstond bij Senter ingediend.

De aanvraag is wellicht naar de letter van de regeling te laat ingediend, maar de werkzaamheden waarvoor de subsidie was gevraagd zijn overigens geheel in de geest van de regeling uitgevoerd. Alhoewel een belangrijk deel van de werkzaamheden eerst na

17 september 1998 is uitgevoerd, is desondanks ook voor dat deel de subsidie afgewezen.

Het zou redelijk zijn eerdergenoemde door de PNEM ontvangen subsidie-aanvraag, aan te merken als een tijdig bij Senter ingediende aanvraag.

Voorts is sprake van verwarring scheppende brieven die Senter haar heeft toegezonden. Immers eerst kreeg zij een ontvangstbevestiging met de mededeling dat haar aanvraag aan de wettelijke voorschriften voldeed en vervolgens het bericht dat de behandeling van haar subsidieverzoek werd aangehouden omdat het budget op dat moment was uitgeput.

Een ander punt van kritiek betreft de slechte bereikbaarheid van de contactpersonen bij Senter.

5. De beoordeling van het geschil

Het College dient te beoordelen of het bestreden besluit, dat strekt tot ongegrondverklaring van het bezwaar van appellante tegen het besluit tot afwijzing van haar aanvraag om subsidie, in rechte stand kan houden. Dienaangaande overweegt het College als volgt.

Met betrekking tot de hantering van zijn discretionaire bevoegdheid subsidies, als in geding, te verstrekken volgt verweerder het beleid dat is neergelegd in de Subsidieregeling. Het College is van oordeel dat dit beleid niet onredelijk is.

Vaststaat dat appellantes d.d. 14 september 1998 ondertekende aanvraag om subsidie bij verweerder is ingekomen op 17 september 1998, welke data zijn gelegen na het tijdstip waarop door haar reeds verplichtingen waren aangegaan ter zake van de voorzieningen die door haar waren aangevraagd. Om die reden is door haar niet voldaan aan het vereiste van het hiervoor, onder paragraaf 2 aangehaalde artikel 2, vierde lid aanhef en onder a, van de Regeling. Aan de omstandigheid dat, naar appellante stelt, een deel van de werkzaamheden pas na 17 september 1998 is uitgevoerd heeft verweerder voorbij kunnen gaan, nu, gelet op de tekst van genoemd artikelonderdeel, niet het tijdstip van uitvoering, maar het tijdstip van het aangaan van verplichtingen in dezen bepalend is.

Met betrekking tot hetgeen appellante heeft betoogd omtrent de indiening van het aanvraagformulier bij de PNEM overweegt het College als volgt.

Hetgeen appellante ter zake heeft aangevoerd biedt geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om voornoemde bepaling van de Regeling toe te passen. Niet kan worden staande gehouden dat in het onderhavige geval sprake was van zodanige bijzondere omstandigheden, dat van genoemd voorschrift had moeten worden afgeweken.

Naar het oordeel van het College lagen de gevolgen van de foutieve en te late indiening van de aanvraag geheel binnen de risicosfeer van appellante.

Zoals verweerder in het bestreden besluit in aanmerking heeft genomen, is het de verantwoordelijkheid van de aanvrager om de voorschriften die bij de subsidieregeling zijn gegeven, in acht te nemen. Het lag dan ook op de weg van appellante zelf de nodige maatregelen te treffen om een correcte indiening van een voor haar van belang zijnde aanvraag te waarborgen. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat het appellante, gezien de in het aanvraagformulier gegeven aanwijzingen, duidelijk kon zijn dat de desbetreffende aanvraag bij Senter moest worden ingediend.

Voorzover appellante vanwege een door haar veronderstelde betrokkenheid van de PNEM bij zodanige subsidieregelingen heeft beoogd een beroep te doen op de doorzendplicht als bedoeld in artikel 2:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan dit beroep er evenmin toe leiden dat haar aanvraag om die reden als tijdig ingediend moet worden aangemerkt. Immers, aan de PNEM was ten tijde van de aanvraag noch in de periode daaraan voorafgaand, enige bevoegdheid inzake de uitvoering van een subsidieregeling als hier aan de orde toebedeeld. De PNEM was derhalve niet een tot doorzending verplicht bestuursorgaan in de zin van voornoemd artikel van de Awb.

Dat appellante, zoals zij heeft gesteld, overigens geheel heeft gehandeld in overeenstemming met de Regeling doet aan het vorenstaande niet af.

Appellantes beroep op het vertrouwensbeginsel faalt tenslotte eveneens. Naar het oordeel van het College bevatten eerdergenoemde brieven van verweerder geen informatie waaraan appellante enige gerechtvaardigde verwachting kon ontlenen op een inhoudelijke beoordeling en honorering van haar aanvraag.

Vorenstaande overwegingen leiden het College tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr C.M. Wolters en mr H.C. Cusell in tegenwoordigheid van mr J.A. Hoovers-Backaert, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2000.

w.g. B. Verwayen w.g. J.A. Hoovers-Backaert