Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2000:AA7405

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 98/787
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 98/787

26 september 2000

24030

Uitspraak in de zaak van:

Cheops Holding B.V., te Heemstede, appellante,

tegen

de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Amsterdam, verweerster,

gemachtigde: mevrouw mr I.G. ter Laan, werkzaam bij verweerster.

1. De procedure

Op 28 juli 1998 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerster van 18 juni 1998.

Bij dit besluit heeft verweerster beslist op het bezwaar van appellante tegen de van haar geheven bijdrage op grond van de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997 (hierna: de Wet).

Bij brief van 7 september 1998 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevoerd.

Verweerster heeft op 11 november 1998 een verweerschrift ingediend.

Door appellante is op 21 januari 1999 een repliek ingediend.

Op 16 mei 2000 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, alwaar partijen hun standpunt nader hebben toegelicht, appellante bij monde van haar statutair directeur en verweerster bij monde van haar gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De toepasselijke regelgeving

In hoofdstuk 6 van de Wet is de financiering van de kamers van koophandel en fabrieken geregeld. Onderscheiden is in heffing ten behoeve van wetsuitvoering (§ 1, artikelen 32 en 33), retributies voor voorlichting en overige taken (§ 2, artikel 34), heffing ten behoeve van

loketfunctie en voorlichting (§ 3, artikel 35), retributie voor beleidsadvisering (§ 4, artikel 36), heffing ten behoeve van beleidsadvisering en regionale stimulering (§ 5, artikel 37) en retributies voor niet-wettelijke taken (§ 6, artikel 38).

De heffing ten behoeve van wetsuitvoering is ingevolge artikel 32 van de Wet verschuldigd door ondernemingen, als bedoeld in artikel 3 van de Handelsregisterwet 1996. Voor rechtspersonen waaraan geen onderneming toebehoort is in artikel 33 een heffingsbepaling opgenomen. Voor de in § 3 en § 5 bedoelde heffingen vormt, blijkens de tekst van artikel 35 en 37, het zijn van onderneming het aangrijpingspunt voor de verschuldigdheid.

De in artikel 35 bedoelde bijdrage (loketfunctie en voorlichting) is voor alle ondernemingen gelijk. Ingevolge artikel 32, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 37, tweede lid, worden de bedragen voor de in § 1, onderscheidenlijk § 5 bedoelde heffingen door de betrokken kamer vastgesteld "overeenkomstig de bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen verhouding van naar rechtsvorm en grootte ingedeelde ondernemingen".

In de memorie van toelichting is met betrekking tot het bepaalde in artikel 37, tweede lid, onder meer opgemerkt: "De grondslag voor de vaststelling van deze bijdrage wordt gevormd door de rechtsvorm en de grootte van de onderneming in een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen verhouding. Deze grondslag is conform aan die van de bijdragen voor wetsuitvoering, zij het dat de verhouding tussen de naar rechtsvorm en grootte in te delen ondernemingen naar de economische betekenis van de onderneming zal worden vastgesteld" (MvT II, 25 029, nr. 3, p. 25).

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante is een besloten vennootschap zonder werkzame personen en heeft een maatschappelijk kapitaal van 89.280 gulden. De bedrijfsomschrijving volgens het door appellante overgelegde uittreksel uit het Handelsregister luidt: houdstermaatschappij.

- Bij brief van 5 juni 1998 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerster van 7 mei 1998 waarbij de door appellante krachtens de Wet aan verweerster verschuldigde bijdrage ad fl. 222,17 voor 1998 is vastgesteld op grond van indeling van appellante in een groep, (groep 6 genoemd), waaraan bij artikel 1, onderscheidenlijk artikel 2 van het Besluit heffingen kamer van koophandel en fabrieken van 24 december 1997, Stb. 786 (hierna ook: het Besluit) het gewicht 5, onderscheidenlijk 4 is toegekend. Aangevoerd is in bezwaar dat appellante geen onderneming heeft.

- Bij het bestreden besluit is op dit bezwaar beslist.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit is het bezwaar met toepassing van artikel 7:3 onder b, Algemene wet bestuursrecht (Awb) ongegrond verklaard.

Daartoe is door verweerster als volgt overwogen:

" Wij ontvingen uw schrijven van 5 juni 1998, welke wij als een bezwaarschrift hebben gekenmerkt, met de mededeling dat de besloten vennootschap geen onderneming heeft.

In verband met het bovenstaande merken wij op dat ingevolge het arrest van

22 december 1989 van de Hoge Raad inzake de "Hirschmann" vennootschappen gewezen is dat een besloten of naamloze vennootschap die niet "leeg" is, een onderneming in de zin van de Handelsregisterwet drijft.

Leeg is alleen een vennootschap die geen activa (meer) heeft en deswege geen activiteiten (meer) ontplooit, hetgeen bij de Wet is verboden. Dit betekent dat een dergelijke vennootschap voor gerechtelijke ontbinding in aanmerking komt.

Anders gezegd: alle activiteiten ontplooid door een naamloze of besloten

vennootschap, al is het slechts het beheren van het eigen vermogen, vormen

een onderneming in de zin van de Handelsregisterwet. De besloten vennootschap is dan ook terecht in groep 6 ingedeeld."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende aangevoerd.

Appellante stelt voorop dat zij geen andere activiteiten verricht dan het houden van een deelneming met een waarde van circa fl. 40.000,-- en het beheren van het pensioen en de daarmee samenhangende beleggingen. Naar haar mening treedt zij niet op in het economisch verkeer en drijft zij dus geen onderneming.

Appellante meent dat zij slechts een bijdrage als bedoeld in artikel 33 van de wet (inschrijving als rechtspersoon) is verschuldigd omdat zij geen onderneming drijft. Voor de toepassing van de wet moet naar haar mening ervan uitgegaan worden dat de wetgever niet beoogd kan hebben van haar, die niet deelneemt aan het economisch verkeer en die geen onderneming drijft, andere bijdragen te heffen dan die bedoeld in artikel 33.

Appellante voert daarbij aan dat met de invoering van de andelsregisterwet 1996 het systeem van inschrijving voor stichtingen en verenigingen is geïnformeerd met het systeem van de inschrijving van de andere rechtspersonen. Dit betekent naar het appellante voorkomt dat, gelet op de Hirschmann-beschikking van de Hoge Raad, ook alle verenigingen en stichtingen die activa en activiteiten hebben, als onderneming op de voet

van artikel 3 zouden dienen te worden ingeschreven. Appellante wijst voorts op diverse passages neergelegd in de stukken inzake de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet op grond waarvan zij meent dat, gelet op de bedoelingen van de wetgever - die blijkens die passages onder meer uitgaat van het profijtbeginsel en van de reële kosten die voor de

verschillende categorieën van ondernemingen worden gemaakt - een enge interpretatie van het begrip onderneming - te weten onderneming in economische zin - logisch is. Zij concludeert dan ook dat op grond van de systematiek en de geschiedenis van de Handelsregisterwet 1996 en op grond van de bedoelingen van de wetgever met het in de Wet neergelegde bijdragensysteem, voor een oprekking van het begrip onderneming buiten

haar normale grens geen plaats is. Subsidiair voert appellante aan dat met de onderhavige heffing het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden. Zij voert daartoe allereerst aan dat er geen objectieve of redelijke rechtvaardiging bestaat voor het heffen van een bijdrage van slechts fl. 91,16 voor een

stichting of vereniging zonder onderneming terwijl van een andere rechtspersoon zonder onderneming zoals appellante een bijdrage van fl. 504,19 wordt gevorderd. Dit klemt temeer nu van de ingeschreven stichtingen en verenigingen er vele zijn die op ruime schaal activiteiten ontplooien en aan het economisch verkeer deelnemen.Een zodanige rechtvaardiging ontbreekt haars inziens evenzeer wanneer men de onderhavige heffing vergelijkt met het heffingsbedrag dat ingevolge het Besluit geldt voor de Europese economische samenwerkingsverbanden (EESV), landbouw- en visserijondernemingen, en verenigingen en stichtingen met onderneming.

5. Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft in haar verweerschrift onder meer het volgende aangevoerd:

" Verweerster begrijpt dat appellante er in haar stelling vanuit gaat dat het ondernemingsbegrip zoals in de Hirschmann-beschikking door de Hoge Raad is geformuleerd, betrekking heeft op alle in het handelsregister in te schrijven rechtsvormen. Deze beschikking heeft echter primair betekenis voor besloten en naamloze vennootschappen, in die zin dat deze vennootschappen steeds worden geacht een onderneming te drijven tenzij er in het geheel geen activa (meer) aanwezig zijn en deswege geen activiteiten (meer) worden ontplooid. Het ondernemingsbegrip in deze beschikking ligt in lijn met het ondernemingsbegrip zoals dat eerder invulling heeft gekregen in de jurisprudentie (zie in dit verband onder meer HR 13 januari 1966, 189, (Mariahoeve) in het kader van de Handelsregisterwet. Appellante gaat in haar stelling derhalve voorbij aan het feit dat het ondernemingsbegrip uit de Hirschmann-beschikking deel uitmaakt van een ruimer begrip onderneming. Dat dit ondernemingsbegrip ook voor de Handelsregisterwet 1996 geldend blijft, wordt bevestigd in de Memorie van Toelichting bij de Handelsregisterwet 1996, (Kamerstukken 1994/1995, 23 970, nr. 3, p. 4:

"(.)Hiermee wordt in de reikwijdte van het begrip onderneming in de zin van de Handelsregisterwet overigens geen enkele wijziging aangebracht (.)".

(.)

De argumentatie die appellante aanvoert ter onderbouwing van haar stelling dat het ondernemingsbegrip in de Handelsregisterwet 1996 en de Wkvk 1997 zou moeten worden aangepast, gaat er ook aan voorbij dat stichtingen en

verenigingen naar hun aard niet op ‚‚n lijn zijn te stellen met besloten en naamloze vennootschappen. Stichtingen en verenigingen zijn immers in

beginsel geen commerciële rechtspersonen. Dit neemt niet weg dat stichtingen en verenigingen feitelijk wel een onderneming kunnen drijven wat betekent dat deze rechtspersonen zich daarmee gedragen als commerciële rechtspersonen. De wet (titel 2 en 6, boek 2 BW) verzet zich hier niet tegen. Deze niet-commerciële achtergrond heeft echter wel invloed gehad op de wettelijke omschrijving en de regels die voor deze rechtspersonen zijn gesteld.

(.)

Uit de Wkvk blijkt dat er bewust voor is gekozen een onderzoek op het niveau van individuele ondernemingen met betrekking tot de heffingen achterwege te laten. Slechts per vastgestelde categorie ondernemingen wordt een onderscheid gemaakt, hetgeen betekent dat ondernemingen die in ‚‚n categorie zitten, geacht worden gelijk te zijn en dus gelijk behandeld worden. Voor de verschillen in heffingen tussen de diverse categorieën worden in de parlementaire geschiedenis van de Wkvk 1997 (zie boven) en de toelichting op het Besluit heffingen kamers van koophandel (objectieve en redelijke) gronden aangegeven. De door appellante gemaakte vergelijkingen gaan alle mank door het feit dat (i) de individuele positie van appellante tot uitgangspunt wordt genomen, terwijl de wet op (objectieve en redelijke) gronden heeft gekozen voor een aanpak per categorie van ingeschrevenen en (ii) appellante zich vergelijkt met ingeschrevenen in andere categorieën, terwijl zowel de Wkvk 1997 als de toelichting op het Besluit kamers van koophandel (objectieve en redelijke) gronden aangeven voor de gekozen indeling in categorieën. De door appellante gestelde ongelijke behandeling dan wel strijd met het verbod op discriminatie mist derhalve feitelijke grondslag.

(.)"

6. Het nadere standpunt van appellante

Appellante heeft in repliek haar standpunt nader uiteengezet. Appellante heeft in haar repliek erop gewezen dat haar activiteiten, als het gaat om het begrip onderneming voorkomende in de verschillende belastingwetten, niet als ondernemingsactiviteiten zijn te kwalificeren. Ook de artikelen 23, 24 en 43 van de Wet en de artikelen 1 en 2 van het Besluit zien naar haar mening op de -zoals appellante dat noemt - "echte" onderneming.

Het ondernemingsbegrip dat door verweerder in casu wordt gebruikt, door appellante als "fictief" bestempeld, is volgens haar zonder betekenis voor de Handelsregisterwet 1996.

De enige betekenis zou zijn dat het door de verwijzingen in de Wet leidt tot heffingen op grond van de artikelen 32, 35 en 37 van de Wet.

Met betrekking tot het door verweerster gestelde over de betekenis in dit kader van het profijtbeginsel stelt appellante dat dit begrip niet moet worden opgerekt tot buiten de grenzen die door het spraakgebruik zijn bepaald.

Appellante bestrijdt de stelling die zij in het verweerschrift meent te lezen, dat de onderverdeling in categorieën, die in het Besluit is neergelegd, voor het door de besluitgeefster daarbij gemaakte onderscheid op zichzelf reeds een objectieve en redelijke rechtvaardiging vormt. Appellante wijst daarbij onder meer op HR 15 maart 1995, nr 30192, V-N 1995, p.1296 inzake het door de gemeentelijke regelgever bij de afvalstoffenheffing en rioolrecht niet maken van onderscheid tussen alleenstaanden en meerpersonenhuishoudens. Ook de indeling in ‚‚n categorie, daar waar het er op grond van het gelijkheidsbeginsel meerdere zouden moeten zijn, kan dus een schending van het gelijkheidsbeginsel opleveren.Met verwijzing naar passages uit de wetsgeschiedenis, meer in het bijzonder die inzake de totstandkoming van de in artikel 43 van de Wet neergelegde vrijstelling voor landbouw- en visserijondernemingen, die aan een rechtspersoon of vennootschap toebehoren, heeft appellante tenslotte in haar repliek haar standpunt, dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, nader toegelicht.

7. De beoordeling van het geschil

7.1 Niet in geschil is dat, uitgaande van de uitleg van het begrip onderneming, zoals die in HR 22 december 1989, NJ 1990, 433 (Hirschmann) is gegeven en gelet op het Besluit en de daarin neergelegde verhoudingsgetallen, verweerster appellante op basis van de juiste

groepsindeling heeft aangeslagen voor de heffing.

7.2 Hetgeen appellante heeft aangevoerd stelt allereerst de vraag aan de orde of verweerster blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting doordat zij bij het bestreden besluit is uitgegaan van het hiervoorbedoelde ondernemingsbegrip. Het College beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.Het College ziet geen aanknopingspunt voor het oordeel dat verweerster zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat, zoals ook in de door verweerster aangehaalde passage in

de Memorie van Toelichting is verwoord, met de Handelsregisterwet 1996 niet is beoogd enige wijziging te brengen in de reikwijdte van het begrip onderneming, zoals dat gold onder de (oude) Handelsregisterwet. Hetgeen appellante heeft aangevoerd omtrent de systematiek van inschrijving in het Handelsregister van verenigingen en stichtingen dwingt geenszins tot de door haar gehuldigde opvatting dat daarmee de betekenis van het onderscheid tussen rechtspersonen aan wie een onderneming toebehoort, en rechtspersonen die als zodanig moeten worden ingeschreven - en de daarmee verband houdende uitleg die de Hoge Raad aan het begrip onderneming bij naamloze en besloten vennootschappen heeft gegeven - voor de toepassing van de bepalingen van de Wet aangaande heffingen en retributies is komen te vervallen. Het College wijst daartoe meer in het bijzonder op het

bepaalde bij artikel 4, derde lid, van de Handelsregisterwet 1996 en artikel 33 van de Wet.

7.3 Ook voor het oordeel dat voor de toepassing van het bepaalde bij de Wet het meerbedoelde ondernemingsbegrip van de Handelsregisterwet niet zonder meer gebruikt mag worden en dat - mede gelet op de doelstellingen van de Wet - uitgegaan zou moeten worden van een enger begrip dat alleen betrekking heeft op de ondernemingen die door appellante zijn getypeerd als echte ondernemingen, ziet het College geen plaats.Daartoe overweegt het College allereerst dat in artikel 32, eerste lid, van de Wet

uitdrukkelijk wordt verwezen naar ondernemingen bedoeld in artikel 3 van de Handelsregisterwet 1996, terwijl in artikel 33 een afzonderlijke voorziening is opgenomen voor de heffing ten behoeve van wetsuitvoering met betrekking tot rechtspersonen als bedoeld in artikel 4 van de Handelsregisterwet 1996, waaraan geen onderneming toebehoort. Voorts ziet de heffing bedoeld in paragraaf 3 en paragraaf 5 van hoofdstuk 6

van de Wet, blijkens het bepaalde bij artikel 35 en artikel 37, uitsluitend op ondernemingen als bedoeld in artikel 3 van de Handelsregisterwet 1996. Uit dit samenstel van bepalingen moet worden afgeleid dat met het Besluit - waarin in de artikelen 1 en 2 met verwijzing naar de artikelen 32, onderscheidenlijk 37 de onderlinge verhouding van ondernemingen wordt bepaald - de bijdragen zijn beoogd van -onder meer- besloten vennootschappen waaraan een onderneming toebehoort als bedoeld in artikel 3 van de Handelsregisterwet 1996 en dat daarbij past de uitleg die daaraan door de Hoge Raad is gegeven.

Het College kan appellante derhalve niet volgen in haar betoog dat uit de aard van haar activiteiten zou volgen dat zij niet optreedt in het economisch verkeer en dat zij dus geen onderneming drijft. Immers, op grond van het enkele feit dat zij activa heeft en dus activiteiten ontplooien kan, ook al bestaan die uit het houden van een deelneming en het beheren van het pensioen, wordt zij, gelet op de meergenoemde jurisprudentie van de Hoge Raad, geacht een onderneming te hebben.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat tevens dat verweersters besluit genomen is in overeenstemming met het bepaalde bij het Besluit.

7.4 Hetgeen appellante vervolgens heeft aangevoerd, stelt de vraag aan de orde of het Besluit verbindende kracht moet worden ontzegd voorzover daarbij ook ondernemingen als die van appellante onder zijn toepassing zijn gebracht.

Het College overweegt ten aanzien van de op dit punt door appellante aangevoerde argumenten het volgende.

7.4.1 Met betrekking tot de argumenten van appellante inzake de betekenis van het profijtbeginsel voor de toepassing van de onderhavige bijdrage-bepalingen overweegt het College het volgende.

Voor de financiering van de activiteiten van een kamer van koophandel en fabrieken heeft de wetgever het profijtbeginsel als uitgangspunt gekozen en voorts de administratieve lasten en kosten van de kamers voor het vaststellen van de bedragen die ondernemingen en rechtspersonen verschuldigd zijn, willen terugbrengen (TK 1996/97, 25029 nr. 3, MvT,

p. 8 e.v.). Daartoe is, blijkens de wetsgeschiedenis, voorzien in het zoveel mogelijk doorberekenen van de kosten van producten en diensten aan de individuele gebruiker, met als basis de retributie-bepalingen neergelegd in de artikelen 34, 36 en 38 van de Wet. Voorzover zodanige doorberekening niet mogelijk is, geldt het heffingsysteem, zoals dat

samengevat is weergegeven in paragraaf 2.1 van deze uitspraak.

Blijkens de gekozen grondslagen en maatstaven, is er bij de uitvoering van dit systeem naar gestreefd de hoogte van de heffing per categorie ondernemingen in een zekere relatie te brengen met de kosten die de kamer in zijn algemeenheid geacht kan worden te moeten maken voor die categorie, en niet om voor elke individuele heffingsoplegging een rekenkundige, nauwkeurige relatie te leggen tussen kosten en omvang van het profijt dat de individuele onderneming heeft van de activiteiten van de kamer.

Hiertoe zijn bij het krachtens de artikelen 32, vierde lid, en 37, tweede lid, van de Wet, vastgestelde Besluit zijn alle ondernemingen, die staan ingeschreven in het handelsregister, ingedeeld in een aantal groepen aan de hand van rechtsvorm en grootte, een en ander, wat betreft de toepassing van artikel 37 van de Wet, in het licht van de economische betekenis

van de onderneming. De nota van toelichting bij dit Besluit vermeldt dat de groepsindeling de verhouding weerspiegelt van het verschil in door een kamer met betrekking tot de taken genoemd in artikel 32 en 37 van de Wet gemaakte kosten voor de onderscheiden categorieën van ondernemingen. Bij het Besluit heffingen is er voor gekozen het aantal categorieën van

ondernemingen te beperken. De verschuldigdheid van de bijdrage die hier in het geding is, is dus niet in die mate afhankelijk van de omvang van het profijt dat de individuele onderneming heeft van de activiteiten van de kamer als appellante kennelijk beoogt te betogen.

7.4.2 Voorzover appellante beoogd heeft te betogen dat de economische betekenis van een onderneming voor de toepassing van artikel 35 en artikel 37 van de Wet moet worden afgemeten aan de aard van de activiteiten die zij ontplooit, dan wel naar de mate van economische activiteit als gevolg van de aard van haar activiteit, volgt het College haar daarin niet. Het College stelt daarbij voorop dat in dit geding niet aan de orde is of een

andere - in theorie denkbare - heffingsopzet waarbij rekening zou zijn gehouden met aard en omvang van de activiteit van pensioen-b.v.'s, en waarin appellantes onderneming op grond van een andere differentiatie voor een lager tarief in aanmerking zou komen, te verkiezen zou zijn boven het thans gekozen stelsel. De vraag welke de meest redelijke inhoud van een bepaalde heffingsregeling is, ligt immers buiten de beoordeling en buiten

de taak van de rechter.

Een andere vraag is of de in artikelen 1 en 2 van het Besluit gekozen opzet strijdig geacht moet worden met een hogere - algemeen verbindende - regeling, dan wel of geoordeeld zou moeten worden dat het Besluit op dit punt een toetsing aan algemene rechtsbeginselen niet kan doorstaan. Meer in het bijzonder zou van dit laatste sprake kunnen zijn in het geval van

willekeur, in dier voege dat de Besluitgeefster, in aanmerking genomen de belangen die haar ten tijde van het totstandbrengen van het Besluit bekend waren of behoorden te zijn, niet in redelijkheid tot de vaststelling van het Besluit heeft kunnen komen.

Het College beantwoordt de hiervoor bedoelde vraag ontkennend. Nu het begrip "economische betekenis" van een onderneming niet nader is bepaald door de wetgever, ziet het College - gelet op de beoordelingsvrijheid die ter zake aan de Besluitgeefster toekomt - geen plaats voor het oordeel dat het Besluit in verband met de daarin gekozen invulling van dit begrip strijdig is met een regeling van hoger orde. Evenmin valt in te zien dat het Besluit in verband met deze door appellante opgeworpen vraag de toets aan algemene rechtsbeginselen niet kan doorstaan. Gelet op de overwegingen die aan het Besluit ten grondslag liggen en met name het belang van een doelmatige uitvoering, ziet het College meer in het bijzonder geen plaats voor het oordeel dat de Besluitgeefster niet in redelijkheid heeft kunnen menen dat de nadelige gevolgen voor ondernemers die, zoals appellante, een pensioen-b.v. drijven, niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het

Besluit te dienen doelen.

7.4.3 Dat, naar appellante heeft aangevoerd, ingevolge artikel 43 van de Wet ondernemingen, waarin uitsluitend landbouw of visserij wordt uitgeoefend en die aan een rechtspersoon of vennootschap toebehoren, van de heffingen bedoeld in de artikelen 35 en 37 zijn vrijgesteld, kan niet tot een ander oordeel leiden. Het College wijst daarbij op het bepaalde

bij artikel 3, tweede lid, van de Handelsregisterwet 1996 en artikel 2, eerste lid, van de Wet. In samenhang met onder meer de door appellante geciteerde passages uit de kamerstukken 1996-1997, 25 029, nr 12 en 25 029, nr 33 b, blz 14, moet op grond van deze artikelen worden geconcludeerd dat de bevordering van de economische belangen van de

landbouw en visserij in de opvatting van de wetgever buiten de doelstelling valt van de kamers van koophandel en fabrieken. Van strijdigheid met door appellante genoemde bepalingen inzake het gelijkheidsbeginsel, neergelegd in de door haar genoemde internationale verdragen, is, gelet op deze objectieve en redelijke echtvaardigheidsgrond voor de in onderdeel 43 neergelegde vrijstelling naar het oordeel van het College derhalve geen sprake. Dat in de door appellante aangehaalde passage ook gewezen wordt op de eigen PBO-structuur van de landbouw- en visserijsector kan niet afdoen aan het aangevochten onderscheid. Dat de door appellante bedoelde "niet-landbouw- en visserij-ondernemingen" waarvan de bevordering van de economische belangen wel onder de

doelstelling van de kamers van koophandel en fabrieken valt, een eigen PBO-structuur hebben, zou mogelijk een argument hebben kunnen zijn om voor die ondernemingen een afzonderlijke voorziening te treffen. Daarvoor is echter niet gekozen en daartoe bestond - zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de uitwerking van het profijtbeginsel en de uitvoerbaarheid van het stelsel - ook niet de rechtsplicht.

7.4.4 Ook appellantes overige argumenten ten betoge dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden doordat zij krachtens het Besluit in de onderhavige heffingscategorie is ingedeeld, kunnen

mede gelet op het hiervoor overwogene niet slagen. Deze grief berust immers primair op het - hiervoor onjuist bevonden - uitgangspunt dat zij voor de toepassing van de Wet niet geacht kan worden een onderneming te drijven. Dat de activiteiten en economische betekenis van een individuele bijdrageplichtige onderneming beperkter kan zijn dan die van een onderneming die onder een lager belaste categorie valt en dat het profijt dat een heffingsplichtige van de activiteiten van een kamer van koophandel en fabrieken heeft binnen een bepaalde categorie geringer kan zijn dan die van een heffingsplichtige in een andere - lager belaste - categorie, kan - gelet op het eerder overwogene - niet leiden tot het oordeel dat de besluitgeefster met de vaststelling van de onderscheidene categorie‰n het

gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Naar haar aard brengt zo een categorie-indeling mee dat gevallen die binnen een bepaalde marge niet gelijk zijn, toch voor de toepassing van een bepaalde regeling over ‚‚n kam worden geschoren. Dat naar het oordeel van het College de besluitgeefster tot een rechtens houdbare vaststelling van die marges is

gekomen is in de voorgaande overwegingen reeds tot uitdrukking gebracht.

7.5 Ook hetgeen appellante nog overigens heeft aangevoerd kan niet leiden tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De conclusie van het vorenoverwogene is dat het beroep ongrond moet worden verklaard.

7.6 Ter voorlichting van appellante wijst het College erop dat artikel 62 van de Wet erin voorziet dat binnen vier jaar na inwerkingtreding van deze wet, de Minister van Economische Zaken een verslag aan de Staten-Generaal zendt over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk, waarin blijkens een door de Tweede Kamer aanvaarde motie- Remkes c.s. in ieder geval uitdrukkelijk moet worden betrokken de mate

waarin daadwerkelijke transparantie in kostentoerekening en toepassing van het profijtbeginsel heeft plaatsgevonden.

7.7 Het College acht geen termen aanwezig voor een roceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

8. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr M.J. Kuiper en dr B. Hessel, in

tegenwoordigheid van mr J.A. Hoovers-Backaert, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 september 2000.

w.g. B. Verwayen w.g. J.A. Hoovers-Backaert