Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:1998:AA3410

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-11-1998
Datum publicatie
01-08-2003
Zaaknummer
97/614/27300
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 97/614

17 november 1998 27300

Uitspraak in de zaak van:

X, gevestigd te Y, appellante,

gemachtigde: mr M.A. Moolhuizen, advocaat te Rotterdam,

tegen

de Nederlandsche Bank N.V., gevestigd te Amsterdam, verweerster,

gemachtigde: mr C.Ch. Mout, advocaat te Amsterdam.

1. De procedure

Op 7 mei 1997 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerster van 2 april 1997. Bij dat besluit heeft verweerster beslist op bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen de gedeeltelijke afwijzing van het verzoek om vergoeding wegens verlies op een participatie, als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Garantieregeling particuliere participatiemaatschappijen 1981.

Verweerster heeft op 24 juli 1997 een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft op 1 oktober 1997 een conclusie van repliek ingediend. Verweerster heeft op 1 december 1997 een conclusie van dupliek ingediend.

Bij brieven van onderscheidenlijk 17 juni 1998 en 11 juni 1998 hebben appellante en verweerder ermee ingestemd dat indien de zaak wordt afgedaan op het bevoegdheidsvraagstuk, die afdoening plaatsvindt, met toepassing van artike 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 8:1, eerste lid, van de Awb luidt: "1. Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank." Artikel 18, derde lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie (hierna: Wbb) luidt: "3. Het College is voorts belast met de behandeling van de bij de wet aan het College opgedragen geschillen." Bij de Kaderwet verstrekking financiële middelen EZ (hierna: de Kaderwet) is onder meer het volgende bepaald: "Artikel 9 1. Tegen een beschikking genomen op grond van deze wet en tegen een beschikking van onze Minister, anders dan op grond van deze wet, inzake de verstrekking van financiële middelen aan ondernemers kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op een beschikking inzake de verstrekking van financiële middelen, voorzien bij of krachtens een andere wet, niet zijnde een begrotingswet. (...) De artikelen 1, eerste lid en 19, eerste lid, van de Garantieregeling particuliere participatiemaatschappijen 1981 (hierna ook: de Garantieregeling 1981) luiden, voor zover hier van belang: "Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder:

a. de toezichthouder: de instantie die blijkens mededeling in de Staats-courant door de Minister van Financiën in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken is belast met de uitvoering van in deze regeling aangewezen taken; (...)

Artikel 19 1. Tegen een beslissing van de toezichthouder kan degene die daardoor rechtstreeks in zijn belang is getroffen, een beroepschrift indienen bij de Minister van Financiën. (...)" De artikelen 1 en 2 van het besluit van 7 april 1994 nr. WJB 94/395 van de Minister van Financiën en de Minister van Economische Zaken, houdende Intrekking Garantieregeling particuliere participatiemaatschappijen 1981 (hierna ook: het Intrekkingsbesluit) luiden, voor zover hier van belang:

"Artikel 1 Artikel 19 van de Garantieregeling particuliere participatiemaatschappijen vervalt.

Artikel 2 De Garantieregeling particuliere participatiemaatschappijen 1981 wordt ingetrokken, met dien verstande dat het bepaalde in de regeling van toepassing blijft ten aanzien van participaties die zijn gemeld vóór 1 april 1994. (...)"

2.2 Op grond van de stukken zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden komen vast te staan. - Appellante is een door verweerster erkende particuliere participatiemaatschappij, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Garantieregeling.

- Appellantes participatie in het bedrijf Z N.V. is (gedeeltelijk) gemeld vóór 1 april 1994.

- Bij brief van 14 november 1995 heeft appellante op grond van de Garantieregeling bij verweerster een verzoek ingediend tot vergoeding van het verlies als gevolg van haar participatie in het bedrijf Z N.V.

- Dit verzoek is op 6 juni 1996, nader gemotiveerd met schrijven van 17 juli 1996, gedeeltelijk afgewezen. - Tegen dit besluit heeft appellante bij schrijven van 21 augustus 1996 een bezwaarschrift ingediend.

- Vervolgens heeft verweerster het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit, waarvan een weergave op grond van het hierna over-wogene, achterwege kan blijven, heeft verweerster de bezwaren ongegrond verklaard. Bij verweerschrift heeft verweerster opgemerkt dat het College onbevoegd is om van het voorliggende beroep kennis te nemen omdat, nu de voorliggende participatie is gemeld vóór 1 april 1994, daarop ingevolge artikel 2 van het Intrekkingsbesluit, de Garantieregeling 1981 van toepassing is gebleven.

4. Het standpunt van appellante met betrekking tot de bevoegdheid van het College

In repliek heeft appellante betoogd dat het College bevoegd is kennis te nemen van het voorliggende beroep. Het feit dat het Intrekkingsbesluit niet bepaalt dat beroep bij het College kan worden ingesteld doet daaraan niet af,aangezien de bevoegdheid van het College in de Kaderwet is geregeld. De Kaderwet is van toepassing op de Garantieregeling 1981, nu de wetgever bij de invoering van die wet heeft beoogd alle reeds bestaande regelingen inzake de verstrekking van financiële middelen aan ondernemers ten laste van de begroting van het Ministerie van Economische Zaken, dus inclusief de Garantieregeling 1981, onder de Kaderwet te laten vallen.

5. De beoordeling van de bevoegdheid

Het College is met partijen van oordeel dat het bestreden besluit, gelet op het bepaalde in artikel 2 van het Intrekkingsbesluit, zijn grondslag vindt in de Garantie- regeling 1981. Met de inwerkingtreding van de Awb, in het bijzonder de artikelen 1:5, tweede lid en 1:7, van die wet, is ten aanzien van de besluiten van verweerster, zijnde de toezichthouder ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Garantieregeling 1981, bezwaar opengesteld. Artikel 1 van het Instellingsbesluit sloot daarop aan. Ter beslissing staat thans of tot kennisneming bevoegd is de ingevolge de artikelen 8:1, eerste lid, juncto artikel 8:7 van de Awb relatief competente rechtbank, of het College. Uit het bepaalde in de artikelen 8:6, eerste lid, van de Awb juncto artikel 18, derde lid, van de Wbb vloeit voort dat de bevoegdheid van het College bij wet moet zijn voorzien. Een zodanige bevoegdheidsgrondslag is neergelegd in artikel 9 van de Kaderwet. Te dien aanzien wordt overwogen dat de in bezwaar bestreden beschikking van verweerster, gegrond, als gezegd, op de Garantieregeling 1981, niet een beschikking is op grond van de Kaderwet. Ook het Intrekkingsbesluit, dat de toepasselijkheid van de Garantieregeling 1981 na 1 april 1994 regelt is blijkens de aanhef niet gebaseerd op de Kaderwet.

Evenmin kan het gewraakte besluit worden beschouwd als een ... "beschikking van Onze Minister, anders dan op grond van deze wet ...", als bedoeld in het eerste lid van artikel 9 van de Kaderwet. Dat besluit is immers niet afkomstig van "Onze Minister", zijnde de Minister van Economische Zaken, maar van verweerster, handelend in opdracht van de Minister van Financiën. De omstandigheid dat blijkens de toelichting bij het Intrekkingsbesluit de budgettaire verantwoordelijkheid per 1 januari 1992 is overgegaan van de Minister van Financiën naar de Minister van Economische Zaken maakt dit niet anders.

Nu geen specifieke wet aangewezen kan worden waaruit de bevoegdheid van het College blijkt, is ingevolge de artikelen 8.1 en 8.6, juncto artikel 8:7, lid 2, Awb de arrondissementsrechtbank te Rotterdam bevoegd kennis te nemen van het tegen het besluit op bezwaar gerichte beroep. Het College zal derhalve het beroepschrift met toepassing van artikel 6:15, lid 2, van de Awb doorzenden naar deze rechtbank. Het College acht geen termen aanwezig om een der partijen met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken.

6. Beslissing

Het College:

- verklaart zich onbevoegd om van het onderhavige beroep kennis te nemen;

- zendt het beroepschrift door aan de arrondissementsrechtbank te Rotterdam.

Aldus gewezen door mr R.R. Winter, mr C.M. Wolters en mr M. Vlasblom,

in tegenwoordigheid van mr A.J. Medze, als griffier,

en uitgesproken in het openbaar op 17 november 1998.

w.g. R.R. Winter w.g. A.J. Medze