Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:1996:ZG0749

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
01-02-1996
Datum publicatie
20-05-2011
Zaaknummer
94/3033/062/231
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. 94/3033/062/231 1 februari 1996

Uitspraak in de zaak van:

de besloten vennootschap Atlas Software B.V., gevestigd te Harderwijk, appellante,

gemachtigde: X, general manager van appellante,

tegen

de Minister van Economische Zaken, zetelend te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigden: mr ing. R.J.J. Wijnands, drs C.M. van der Draaij, ing. G. Gorter en

mr J.A.M. van Nieuwkerk, werkzaam bij Senter.

1. Het verloop van de procedure

Bij brief van 24 augustus 1994 heeft verweerder aan appellante medegedeeld afwijzend te hebben beslist op haar aanvraag in het kader van de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk (hierna: de WBSO).

Op het tegen het besluit van 24 augustus 1994 door appellante gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 13 november 1994 afwijzend beslist.

Tegen laatstgenoemd besluit heeft appellante bij een op 19 december 1994 ter griffie ingekomen beroepschrift, beroep ingesteld bij het College.

Bij brief van 31 maart 1995 heeft verweerder onder overlegging van de op de zaak betrekking hebbende stukken, een verweerschrift ingediend, strekkende tot ongegrondverklaring van het beroep.

Op 21 december 1995 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigde(n) hun standpunt nader hebben toegelicht.

2. De vaststaande feiten

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Door middel van het inzenden van een daartoe bestemd aanvraagformulier heeft appellante een aanvraag gedaan om afgifte van een verklaring dat, onder meer, de aangemelde werkzaamheden zijn aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk

waaraan de WBSO vermindering van af te dragen loonbelasting verbindt (hierna: S&O-verklaring). De aanvraag is door de met de behandeling van dit soort aanvragen belaste dienst van verweerder, Senter, op 9 juni 1994 ontvangen.

- Bedoelde werkzaamheden zijn in het aanvraagformulier aangeduid als produkt gericht project met de titel Postscript en als volgt omschreven:

"Onderzoek van structuren binnen postscriptformaten. Analyseren van

herhaalstructuren, die daaruit gedistilleerd worden.

Het bouwen van prototypes, om mogelijke efficientiepaden te traceren.

Overleg en feedback vanuit technisch management en intern betrokkenen.

Literatuuronderzoek en literatuurtoepassingen."

- Deze aanvraag is door verweerder afgewezen. Ook op het tegen dit besluit gerichte bezwaar is door verweerder een afwijzend besluit genomen. Tegen laatstvermeld besluit is het beroep gericht.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder meer het volgende overwogen en beslist:

"De werkzaamheden die zijn verricht in het kader van de onderstaande projecten kwalificeer ik op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en

onder h, van de WBSO niet als speur- en ontwikkelingswerk. Hierbij heb ik het volgende overwogen:

Project 9401 met titel Postscript.

Overeenkomstig artikel 1, van de Afbakeningsregeling speur- en ontwikkelingswerk, alsmede de toelichting op die regeling (beide gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant van 4 mei 1994, nr. 86) wordt onderzoek naar

en

ontwikkeling van programmatuur niet tot S&O gerekend. Dit project betreft de ontwikkeling van programmatuur. Tijdens de hoorzitting heeft u aangegeven dat bij dit project gestreefd wordt naar het verbeteren van het gebruik van Encapsulated

Postscript

bij printers. Hierdoor wordt het mogelijk om pagina's met veel grafische informatie (logo's, foto's e.d.) en steeds andere adressen veel sneller te printen. De grafische opbouw hoeft alleen voor het printen van de eerste pagina te gebeuren.

Uit de toelichting die u tijdens de hoorzitting heeft gegeven is mij gebleken dat deze programmatuur niet uitsluitend is bestemd voor onderzoekswerk, niet gericht op de besturing van een technisch nieuw fysiek

produkt of produktieproces, noch is er sprake van een technisch nieuwe toepassing in of een technisch nieuwe werking van fysieke produkten of produktieprocessen. Het produktieproces, zijnde het printen van docu-

menten, verandert in wezen niet. Verder krijgt de gebruikte hardware door deze programmatuur geen technisch nieuwe werking. Ook is er geen sprake van onderzoek naar nieuwe concepten ter vergroting van

technisch-wetenschappelijke kennis. Het concept Encapsulated Postscript is mijns inziens niet nieuw. Omdat het project onderzoek naar en ontwikkeling van programmatuur betreft en niet valt onder de insluitingen van artikel 1, letter a, sub 1 tot

en

met 4 van de Afbakeningsregeling, beslis ik afwijzend op uw aanvraag met betrekking tot onderhavig project."

4. De argumenten van appellante

Hetgeen appellante ter ondersteuning van het beroep heeft aangevoerd laat zich als volgt samenvatten.

Het project Postscript is wel degelijk gericht op een technisch nieuwe werking van een fysiek produktieproces. Het project valt onder de bepaling van artikel 1, onder a., onderdeel 4°, van de Afbakeningsregeling.

In het onderhavige project heeft appellante door het proces van copiëren aanvullend te besturen bereikt dat het copieerproces kan worden veranderd in een printproces, waardoor een nieuwe functie wordt toegevoegd aan een bestaande

copieermachine.

5. Het wettelijk kader

Ingevolge het bepaalde bij artikel 1, eerste lid aanhef en onder h., van de WBSO wordt onder speur- en ontwikkelingswerk verstaan:

"door een S&O-inhoudingsplichtige, dan wel een S&O-belastingplich-tige, systematisch georganiseerde en in Nederland verrichte werkzaamheden, direct en uitsluitend gericht op technisch-wetenschappelijk onderzoek of de

ontwikkeling van voor de S&O-inhoudsplichtige onderscheidenlijk de S&O-belastingplichtige technisch nieuwe fysieke produkten of produktieprocessen of technisch nieuwe onderdelen van fysieke produkten of produktieprocessen, alsmede daaraan

voorafgaand

systematisch georganiseerd haalbaarheidsonderzoek;"

Ingevolge het tweede lid van genoemd artikel wordt voor de toepassing van de Wet niet tot speur- en ontwikkelingswerk gerekend:

"a. marktonderzoek;

b. organisatorische en administratieve werkzaamheden;

c. door Onze Minister bij ministeriële regeling aangewezen andere werkzaamheden."

De laatst weergegeven bepaling heeft toepassing gevonden in de ministeriële regeling Afbakeningsregeling speur- en ontwikkelingswerk (hierna: de afbakeningsregeling). In het kader van de huidige procedure is van de afbakeningsregeling

van belang de volgende bepaling:

"Artikel 1

Tot speur- en ontwikkelingswerk worden niet gerekend:

a. onderzoek naar en ontwikkeling van diensten, systemen of programmatuur, tenzij het betreft:

1°. onderzoek ter vergroting van de technisch-wetenschappelijke kennis, gericht op ontwikkelingstools of ontwikkelomgevingen;

2°. onderzoek naar of ontwikkeling van systemen of programmatuur, specifiek en uitsluitend bestemd voor het verrichten van onderzoekswerk;

3°. onderzoek naar of ontwikkeling van programmatuur voor de besturing van technisch nieuwe fysieke produkten of produktieprocessen of technisch nieuwe onderdelen daarvan;

4°. onderzoek naar of ontwikkeling van systemen of programmatuur, gericht op technisch nieuwe toepassingen in of een technisch nieuwe werking van fysieke produkten of produktieprocessen;"

6. Beoordeling van het geschil

6.1 Gelet op het door partijen ingenomen standpunt gaat het in deze procedure allereerst om de beantwoording van de vraag of de werkzaamheden van appellante waarvoor zij een S&O-verklaring heeft aangevraagd, onder de hiervoor

weergegeven

wettelijke definitie van speur- en ontwikkelingswerk kunnen worden gebracht.

Appellante beantwoordt die vraag bevestigend omdat het hier zou gaan om werkzaamheden, direct en uitsluitend gericht op de ontwikkeling van programmatuur, gericht op een technisch nieuwe werking van een fysiek produktieproces, als

bedoeld bij artikel 1, onder a., onderdeel 4°, van de Afbakeningsregeling. Verweerder neemt een tegengesteld standpunt in. Het College overweegt hieromtrent als volgt.

6.2 Blijkens de wetsgeschiedenis van de WBSO is beoogd, voor zover hier van belang, software-ontwikkeling los van een technisch nieuw (fysiek) produkt niet in aanmerking te doen komen voor de faciliteit van belastingvermindering.

Ingevolge

de Afbakeningsregeling wordt de ontwikkeling van programmatuur slechts tot speur- en ontwikkelingswerk gerekend indien, onder meer, die programmatuur is gericht op een technisch nieuwe werking van een produktieproces. Blijkens de toelichting bij

de

Afbakeningsregeling ziet de desbetreffende bepaling van haar artikel 1, onder a., onderdeel 4°, op de situatie dat door middel van programmatuur een fysiek produkt tot een technisch nieuw produkt wordt. Het primaire belang van de technische

eenheid

brengt mee dat, aldus die toelichting, de ontwikkeling van toepassingsprogrammatuur, zijnde programma's om een specifieke gebruikersfunctie te vervullen, niet als speur- en ontwikkelingswerk wordt beschouwd.

6.3 In het licht van het vorenvermelde heeft verweerder naar het oordeel van het College terecht kunnen concluderen, dat de ontwikkeling van programmatuur om een copieermachine, die in fysieke zin geen verandering ondergaat, te doen

printen

aan het produktieproces van die copieermachine geen technisch nieuwe werking geeft als bedoeld in onderdeel 4° van artikel 1, onder a., van de Afbakeningsregeling. Appellante heeft ter zitting immers desgevraagd verklaard dat de copieermachine

tevoren

technisch al tot dit printen in staat was. Met behulp van de door appellante ontwikkelde software wordt die mogelijkheid benut.

Ook overigens is niet gebleken dat de werkzaamheden waarop de aanvraag betrekking heeft, zijn gericht op de ontwikkeling van programmatuur die onder de in evenvermeld artikel, onder a. 1e t/m 4e, opgenomen insluitingsbepalingen valt.

6.4 Dit betekent dat de aanvraag van appellante terecht is afgewezen.

De conclusie is dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

7. Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr B.P. Kiewiet, mr D. Roemers en mr M.J. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr J.A. Hoovers-Backaert, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 februari 1996.

w.g. B.P. Kiewiet w.g. J.A. Hoovers-Backaert