Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:937

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-03-2019
Datum publicatie
27-03-2019
Zaaknummer
201805331/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:2297, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juni 2017 heeft de raad een aanvraag van [appellant] om toekenning van extra uren rechtsbijstand ten behoeve van [belanghebbende] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2019/94 met annotatie van Keinemans, J.H.
JIN 2019/186 met annotatie van Keinemans, J.H.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201805331/1/A2.
Datum uitspraak: 27 maart 2019

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], kantoorhoudend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch van 15 mei 2018 in zaak nr. 17/3483 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2017 heeft de raad een aanvraag van [appellant] om toekenning van extra uren rechtsbijstand ten behoeve van [belanghebbende] afgewezen.

Bij besluit van 14 november 2017 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 mei 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 december 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. T.J.F. Wassenaar, advocaat te 's-Hertogenbosch, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra en G. van Dort, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. De relevante regelgeving en het beleid van de raad zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

2. Op 22 mei 2017 heeft [appellant] een aanvraag ingediend om toekenning van 40 extra uren rechtsbijstand. Bij besluit van 13 juni 2017 heeft de raad dit verzoek afgewezen, omdat niet is gebleken van een bijzondere rechtsvraag of juridisch relevant feitencomplex als gevolg waarvan de zaak niet in redelijkheid binnen de tijdgrens kan worden afgehandeld. Hoewel het dossier de zaak arbeidsintensief maakt, valt de tijdsoverschrijding binnen de forfaitaire uren, aldus de raad. Bij het besluit van 14 november 2017 heeft de raad deze afwijzing gehandhaafd.

Hoger beroep

3. [ appellant] betoogt dat zijn gemachtigde ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om het beroep ter zitting bij de rechtbank toe te lichten. Daartoe voert hij aan dat zijn gemachtigde de bodebalie van de rechtbank een half uur voor aanvang van de zitting heeft geïnformeerd dat hij in verband met een andere zitting vijf minuten na aanvang van de zitting zou verschijnen. Nadat zijn gemachtigde zich ongeveer vijf minuten na de aanvangstijd van de zitting bij de balie heeft aangemeld, is hem door de baliemedewerker medegedeeld te wachten tot de zaak zou worden uitgeroepen. Na enige tijd wachten bleek de behandeling van het beroep ter zitting evenwel te zijn beëindigd en het onderzoek ter zitting gesloten. [appellant] verzoekt de zaak terug te wijzen naar de rechtbank, omdat zijn gemachtigde door een omissie van de baliemedewerker niet aanwezig was bij de behandeling van het beroep ter zitting bij de rechtbank.

Subsidiair wijst [appellant] op zijn beroepsgronden. Ter zitting bij de Afdeling heeft [appellant] toegelicht dat de zaak feitelijk en juridisch complex is, zodat behandeling daarvan niet binnen de forfaitaire uren kan plaatsvinden. Daartoe voert [appellant] aan dat de tenlastelegging ziet op valsheid in geschrifte en faillissementsfraude, waarvoor alle dossierstukken relevant zijn. Volgens [appellant] is de zaak feitelijk complex door de omvang van het dossier, het aandeel van zijn cliënt, de aard en omvang van de feiten, een ontkennende verdachte en grootschalige inzet van het opsporingsapparaat. Dat in een andere strafzaak waarin zijn cliënt verdachte is een toevoeging en extra uren rechtsbijstand zijn toegekend doet niet ter zake in deze procedure, omdat de pleegdata, de ten laste gelegde feiten, de handelwijze en de verdenkingen in deze zaak verschillen van de andere strafzaak, aldus [appellant]. Verder betoogt [appellant] dat het juridisch complexe verweer op basis van het ne bis in idem- en het nemo tenetur-beginsel is gebaseerd op de dossierstukken.

Zitting rechtbank

4. Uit de door [appellant] geschetste gang van zaken volgt dat hij zich in beroep bij de rechtbank heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Zijn gemachtigde is pas gearriveerd vijf minuten nadat de rechtbank een aanvang met de behandeling van het beroep in deze zaak had gemaakt. De gemachtigde was later omdat hij daaraan voorafgaand bij de behandeling van een andere zaak moest optreden. Op aanwijzing van de baliemedewerker heeft de gemachtigde gewacht tot de zaak zou worden uitgeroepen. Na verloop van tijd bleek het onderzoek ter zitting al te zijn gesloten. De rechtbank heeft kennelijk geen aanleiding gezien een nieuwe zitting te plannen. Hoewel de gemachtigde van [appellant] door een ongelukkige samenloop van omstandigheden niet aanwezig was bij de behandeling van het beroep ter zitting bij de rechtbank, leidt dit niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Door het handelen van de rechtbank zijn geen fundamentele rechtsbeginselen geschonden. Bovendien heeft [appellant] zijn zaak ten volle ter zitting bij de Afdeling kunnen bepleiten. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en zal zij de zaak niet terugwijzen naar de rechtbank. De Afdeling overweegt als volgt over het betoog van [appellant].

Feitelijke en juridische complexiteit

Aangevallen uitspraak

5. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het verzoek om toekenning van extra uren rechtsbijstand wordt afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in deze zaak geen omvangrijk juridisch relevant feitencomplex bestaat. De aan de cliënt van [appellant] ten laste gelegde feiten, valsheid in geschrifte en faillissementsfraude, zijn volgens de rechtbank niet uitzonderlijk dan wel anderszins feitelijk complex. De omvang van het procesdossier en de omstandigheid dat een uitgebreid strafrechtelijk-financieel onderzoek, ook buiten Nederland, heeft plaatsgevonden en waarbij verschillende instanties betrokken waren, leidt evenmin tot het oordeel dat een omvangrijk juridisch relevant feitencomplex aan de orde is, aldus de rechtbank. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de raad zich eveneens in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is gebleken dat de zaak juridisch complex is. Volgens de rechtbank heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de in de zaak voorliggende rechtsvragen niet dermate bijzonder zijn in vergelijking met soortgelijke zaken, dat daarmee veel meer tijd dan gemiddeld is gemoeid. Dat in de strafzaak is aangevoerd dat strijd bestaat met het nemo tenetur-beginsel en het ne bis in idem-beginsel, betekent niet dat er sprake is van bijzondere rechtsvragen, aldus de rechtbank. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat de omstandigheid dat het aantal aan de zaak bestede uren, naar gesteld, hoger is dan het gemiddelde, niet voldoende is voor de conclusie dat de zaak feitelijk en juridisch complex is.

Beoordeling

6. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV3224) geeft artikel 31, tweede lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: het Bvr 2000) de raad beoordelingsruimte en daarmee de bevoegdheid beleid vast te stellen ten aanzien van de afhandeling en beoordeling van bewerkelijke zaken en het op grond daarvan toekennen van extra uren rechtsbijstand boven de forfaitaire urengrens. Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:950) is het beleid van de raad voor het toekennen van extra uren als bedoeld in artikel 31, tweede lid, van het Bvr 2000 niet onredelijk. Gegeven het forfaitaire karakter van het toevoegingenstelsel, hoeft niet iedere overschrijding van het aantal verleende uren tot honorering van een verzoek om extra uren te leiden (zie de uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL8694).

6.1.

Blijkens de werkinstructie "Eerste aanvraag extra uren" (hierna: de werkinstructie), onder punt 6, dient eerst te worden beoordeeld of een zaak feitelijk complex is. Pas als deze vraag bevestigend is beantwoord, wordt toegekomen aan de vraag of op grond van de Richtlijn dossierstudie noodzaak bestaat om meer uren aan de zaak te besteden. Op grond hiervan heeft de raad aan de hand van de Beslisboom ‘handvatten voor een snelle beoordeling extra uren strafzaken’ (hierna: de Beslisboom) kunnen beoordelen of sprake is van een bewerkelijke zaak.

6.2.

Volgens de Beslisboom is een zaak mogelijk bewerkelijk indien meer dan drie aspecten die wijzen op feitelijke complexiteit van toepassing zijn. [appellant] heeft gesteld dat de zaak feitelijk complex was door de omvang van het dossier, het aandeel van zijn cliënt, de aard en omvang van de feiten, een ontkennende verdachte en grootschalige inzet van het opsporingsapparaat.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de omvang van het dossier niet kan worden aangemerkt als een indicatie dat de zaak feitelijk complex is. Uit de overgelegde stukken volgt dat het dossier tien ordners bevat. De raad heeft terecht in aanmerking genomen dat zich in het dossier veel stukken bevinden die te maken hebben met een andere strafzaak van de cliënt van [appellant] waarvoor reeds een toevoeging is verstrekt. De raad heeft er terecht op gewezen dat in die strafzaak bovendien 350 extra uren rechtsbijstand zijn toegekend. Hoewel niet in geschil is dat het aandeel van zijn cliënt in de strafzaak aanzienlijk is, heeft de rechtbank gelet op het voorgaande terecht overwogen dat dit de zaak evenmin feitelijk complex maakt.

Over de aard en omvang van de feiten waarvan zijn cliënt wordt verdacht heeft [appellant] ter zitting bij de Afdeling toegelicht dat zijn cliënt wordt verdacht van valsheid in geschrifte en faillissementsfraude voor 1,7 miljoen dollar. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de strafbare feiten waarvan zijn cliënt wordt verdacht niet uitzonderlijk zijn. In dat verband heeft de raad er terecht op gewezen dat de omstandigheid dat zijn cliënt beweerdelijk fraude heeft gepleegd met grote bedragen op zichzelf niet maakt dat de zaak feitelijk complex is.

Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat grootschalige inzet van het opsporingsapparaat heeft plaatsgevonden, omdat de enkele omstandigheid dat ook buiten Nederland onderzoek heeft plaatsgevonden daarvoor onvoldoende is. Ook heeft de raad zich terecht op het standpunt het gesteld dat het feit dat zijn cliënt de beweerdelijk gepleegde feiten ontkent de zaak niet feitelijk complex maakt.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de zaak niet feitelijk complex is.

6.3.

In de werkinstructie is ten aanzien van de juridische complexiteit uiteengezet dat daarvan sprake is als er bijzondere rechtsvragen zijn, die zelden voorkomen in soortgelijke zaken. De advocaat moet aantonen dat sprake is van een bijzondere rechtsvraag, omdat in die zaak geen of beperkte jurisprudentie aanwezig is én de wetgeving onduidelijk is, of omdat nieuwe Nederlandse wetgeving moet worden getoetst aan Europese wetgeving.

Volgens [appellant] is de juridische complexiteit van de zaak gelegen in de ten laste gelegde feiten en het gevoerde verweer dat strijd bestaat met het nemo tenetur-beginsel en het ne bis in idem-beginsel. [appellant] heeft ter zitting bij de Afdeling toegelicht dat zijn cliënt wordt verdacht van valsheid in geschrifte en faillissementsfraude voor een bedrag van 1,7 miljoen dollar, waarbij aan de orde is of zijn cliënt heeft voldaan aan zijn wettelijke informatieplicht, zodat zowel het civielrechtelijke faillissementsrecht als het strafrecht van toepassing is. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] niet heeft aangetoond dat gelet op de aard van de procedure sprake is van bijzondere rechtsvragen, die zelden voorkomen in soortgelijke zaken. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellant] niet heeft gestaafd dat de in verweer genoemde beginselen in deze zaak op een zodanig ingewikkelde wijze een rol hebben gespeeld dat het bijzondere rechtsvragen betreffen. Dat in de tenlastelegging hoge bedragen worden genoemd, brengt evenmin met zich dat het hier gaat om een bijzondere rechtsvraag. Derhalve heeft de raad zich ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de juridische complexiteit van de zaak evenmin toekenning van een vergoeding van extra uren rechtvaardigt.

6.4.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de zaak niet feitelijk of juridisch complex is en dat aanleiding bestaat het verzoek om toekenning van extra uren rechtsbijstand af te wijzen.

Het betoog faalt.

Conclusie

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.J.C. van den Broek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Nieuwenhuizen, griffier.

w.g. Van den Broek w.g. Nieuwenhuizen
lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2019

633.

BIJLAGE

Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000

Artikel 22

1. Ten aanzien van strafzaken die in de bijlage zijn aangemerkt als strafrecht verdachten wordt:

a. indien in een strafzaak de tijdsbesteding aan de verlening van rechtsbijstand uitgaat boven het aantal uren dat gelijk is aan drie maal het aantal punten dat in de bijlage voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak of op grond van artikel 15 is bepaald, voor elk uur waarin boven voornoemde grens rechtsbijstand wordt verleend, 0,955 punt toegekend, mits het bestuur de begroting van de tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid van artikel 31, heeft goedgekeurd; (…)

Artikel 31

1. In afwijking van het eerste lid van artikel 28 dient de rechtsbijstandverlener bij het bereiken van de in de artikelen 13 en 22 bedoelde tijdgrens een aanvraag in bij het bestuur tot vaststelling van de vergoeding voor de verrichte werkzaamheden. Tegelijkertijd legt hij een begroting over met betrekking tot de tijdsbesteding van de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden.

2. Het bestuur stemt geheel of gedeeltelijk in met de begroting, bedoeld in het eerste lid, indien het van oordeel is dat de rechtsbijstand doelmatig wordt verleend.

Werkinstructie Eerste aanvraag extra uren

Toevoegbeleid

Uitgangspunt is dat alle zaken binnen het forfait kunnen worden afgehandeld. In een klein aantal gevallen kan van de advocaat in redelijkheid niet worden verwacht dat hij een heel complexe zaak binnen de tijdgrens van het forfait afhandelt. Voor deze uitzonderlijke gevallen kan toestemming worden gevraagd om meer uren aan de zaak te mogen besteden.

2. Extra uren doelmatig besteed

2.1.

Algemeen

In de nota van toelichting bij het Bvr is doelmatig als volgt toegelicht:

a. a) de zaak moet een zodanig karakter hebben dat de behandeling ervan in redelijkheid niet binnen de tijdgrens heeft kunnen plaatsvinden. (…)

b) de rechtsbijstandverlening moet in verhouding staan tot het belang waarvoor de toevoeging is afgegeven (proportionaliteitsbeginsel). (…)

2.2.

Feitelijk en juridische complexiteit

Het criterium ‘doelmatig’ is in het Bvr 2000 gekoppeld aan de ‘feitelijke en/of juridische complexiteit’ van de zaak. (…)

Feitelijke complexiteit

Je spreekt van een bewerkelijke zaak, als sprake is van een omvangrijk juridisch relevant feitencomplex, waardoor niet verwacht kan worden dat alle rechtsbijstand binnen de forfaitaire tijdgrens kan worden verleend. Feitelijke complexiteit moet objectief vast te stellen zijn in vergelijking met een soortgelijke zaak. Bijvoorbeeld uitvoerige inhoudelijke correspondentie, een bijzonder en/of langdurig procesverloop met een groot aantal zittingen of noodzakelijk overleg met een deskundige. Je neemt geen bewerkelijkheid van de zaak aan als uitsluitend wordt verwezen naar het aantal aan de zaak bestede uren, omvang van het dossier of naar factoren die herleidbaar zijn tot de persoon(lijkheid) van de rechtzoekende of de wederpartij. Bijvoorbeeld maatschappelijke of culturele achtergrond, taalproblemen, gebruik van een tolk, psychische stoornis of een onverzoenlijke houding. Deze factoren maken de zaak wel intensief, maar niet feitelijk complex. (…)

Juridische complexiteit

Er is sprake van juridische complexiteit als er bijzondere rechtsvragen zijn, die zelden voorkomen in soortgelijke zaken. De tijd die bij bijzondere rechtsvragen wordt besteedt aan studie van specifiek op de zaak toegespitste literatuur, wet- en regelgeving en jurisprudentie komt voor vergoeding in aanmerking.

De advocaat moet aantonen dat sprake is van een bijzondere rechtsvraag, omdat in die zaak geen of beperkte jurisprudentie aanwezig is én de wetgeving onduidelijk is, of omdat nieuwe Nederlandse wetgeving getoetst moet worden aan Europese wetgeving. (…)

6. Beoordeling begroting

Richtlijn dossierstudie in omvangrijke zaken

Voor de beoordeling van de begroting in een omvangrijke zaak maak je onderscheid tussen het globaal doornemen en het intensief bestuderen van (onderdelen van) het dossier. Als richtlijn voor de eerste, globale doorneming en schifting van het dossier geldt een maximale norm van drie pagina’s per minuut, vergelijkbaar met 3 à 4 uur per ordner van 500 pagina’s. (…) In een omvangrijke strafzaak hanteer je deze richtlijn bijvoorbeeld voor het diagonaal doornemen van het dossier. De advocaat kan dan de aspecten die van belang zijn voor de verdediging van zijn cliënt uit het dossier filteren. Deze norm voor de eerste doorneming en schifting van het dossier staat los van de beoordeling van de tijdsbesteding aan het daadwerkelijk bestuderen van relevant gebleken onderdelen van het dossier. De advocaat moet de begroting van deze uren onderbouwen. (…)

Beslisboom

Handvatten voor een snelle beoordeling extra uren strafzaken

B. Feitelijke complexiteit, is er sprake van:

Zijn meer dan 3 van bovengenoemde aspecten met betrekking tot feitelijke complexiteit van toepassing, dan is de zaak mogelijk bewerkelijk.