Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:4259

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-12-2019
Datum publicatie
18-12-2019
Zaaknummer
201902831/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:1592, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 februari 2018 heeft de raad het verzoek van [appellant sub 2] om een vergoeding voor verleende rechtsbijstand ten behoeve van [persoon A] voor de toevoeging met kenmerk 3ID7437 afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201902831/1/A2.

Datum uitspraak: 18 december 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad),

2. [appellant sub 2], kantoorhoudend te [plaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 februari 2019 in zaak nr. 18/4635 in het geding tussen:

[appellant sub 2],

en

de raad.

Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2018 heeft de raad het verzoek van [appellant sub 2] om een vergoeding voor verleende rechtsbijstand ten behoeve van [persoon A] voor de toevoeging met kenmerk 3ID7437 afgewezen.

Bij besluit van 9 februari 2018 heeft de raad het verzoek van [appellant sub 2] om een vergoeding voor verleende rechtsbijstand ten behoeve van [persoon A] voor de toevoeging met kenmerk 3IR4872 afgewezen.

Bij besluit van 23 mei 2018 heeft de raad het door [appellant sub 2] tegen de besluiten van 2 februari 2018 en 9 februari 2018 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 februari 2019 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 mei 2018 vernietigd en de raad opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de raad hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 2] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een zienswijze gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 november 2019, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, en [appellant sub 2], zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [persoon A] heeft van 2004 tot in 2006 een eenmanszaak gedreven onder de naam [restaurant]. Hij had in de periode van de exploitatie van het restaurant een relatie met [ex-partner]. De ex-partner heeft een geldbedrag ter beschikking gesteld voor de exploitatie van het restaurant. Bij vonnis van 3 oktober 2007 is [persoon A] door de rechtbank Zwolle-Lelystad bij verstek veroordeeld tot betaling aan de ex-partner van € 120.000,00 uit hoofde van een geldleningsovereenkomst. [persoon A] heeft voor het verlenen van rechtsbijstand, waaronder het starten van een verzetprocedure tegen het vonnis van 3 oktober 2007, een overeenkomst van opdracht met [bedrijf A], handelend onder de naam [bedrijf B], gesloten. [persoon B] heeft aan deze overeenkomst feitelijk uitvoering gegeven. Bij deelvonnis van 28 mei 2008 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad de veroordeling tot betaling in het verstekvonnis bekrachtigd tot een bedrag van € 106.580,00. Bij arrest van 8 september 2009 heeft het gerechtshof Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, [persoon A] niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van 28 mei 2008, omdat dit beroep niet binnen de termijn van drie maanden was ingesteld. [persoon A] heeft vervolgens [bedrijf B] aansprakelijk gesteld wegens beroepsfouten.

    De raad heeft bij besluit van 7 april 2014 aan [persoon A] een toevoeging met kenmerk 3ID7437 verleend voor het instellen van hoger beroep in de procedure over de aansprakelijkstelling van [bedrijf B]. Bij besluit van 5 juni 2015 heeft de raad aan [persoon A] een toevoeging met kenmerk 3IR4872 verleend voor het instellen van beroep in cassatie in diezelfde procedure.

2.    [appellant sub 2] is rechtsbijstandverlener. Van september 2012 tot 15 januari 2015 nam hij deel aan het High Trust-programma, variant steekproef, van de raad. Per 15 januari 2015 neemt hij deel aan het High Trust-programma, variant één op één controle achteraf. Uit het "Convenant High Trust één op één controle achteraf", de "Algemene voorwaarden High Trust, één-op-één-controle" en de toelichting bij "High Trust, variant één-op-één controle" op de website van de raad (www.rvr.org) volgt dat in dit programma de vraag of een zaak toevoegingswaardig is niet langer door de raad naar aanleiding van een toevoegingsaanvraag wordt beoordeeld. De inhoudelijke beoordeling van de aanvraag is aan de rechtsbijstandverlener. Daarnaast zorgt de rechtsbijstandverlener voor een correcte declaratie. Toevoegingen worden vervolgens achteraf één op één door de raad gecontroleerd. Het besluit over de toevoeging wordt door de raad dus zonder eigen inhoudelijke beoordeling verleend. Volgens het convenant en de algemene voorwaarden wordt, als uit de controle blijkt dat een zaak achteraf niet toevoegingswaardig is en de helpdesk van de raad daarover niet is geraadpleegd, de toevoegingsvergoeding op nihil gesteld en mag de rechtsbijstandverlener de kosten van verleende rechtsbijstand niet verhalen op zijn cliënt.

3.    Op 18 januari 2018 en 26 januari 2018 heeft [appellant sub 2] verzocht om vergoeding van de voor de toevoegingen met kenmerken 3ID7437 en 3IR4872 verleende rechtsbijstand. De raad heeft die verzoeken bij de besluiten van 2 februari 2018 en 9 februari 2018, gehandhaafd bij het besluit van 23 mei 2018, afgewezen. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het rechtsbelang waarop de verzoeken betrekking hebben voortvloeit uit bedrijfsmatig handelen van [persoon A]. Als [persoon A] geen onderneming gehad zou hebben, was het geschil met de ex-partner niet ontstaan en had hij geen juridische bijstand van een advocaat nodig gehad. De aansprakelijkstelling van [bedrijf B] vloeit daarom eveneens voort uit een bedrijfsmatig belang. De raad heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de uitzonderingssituaties van artikel 12, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) zich niet voordoen, omdat de onderneming van [persoon A] op 23 augustus 2006 is beëindigd en [persoon A] in de procedure over de aansprakelijkstelling van [bedrijf B] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep en cassatie eisende partij was. De raad heeft zich verder op het standpunt gesteld dat [appellant sub 2] aan het besluit van 29 januari 2010 met kenmerk 3GB6378, waarbij een toevoeging voor de procedure over de aansprakelijkstelling in eerste aanleg is verleend, niet het gerechtvaardigde vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat de toevoegingen voor hoger beroep en cassatie in die procedure terecht zijn verleend. Aan de afsluitende steekproefcontrole van 28 januari 2015 heeft [appellant sub 2] dit vertrouwen evenmin kunnen ontlenen, aldus de raad.

Aangevallen uitspraak

4.    De rechtbank heeft overwogen dat voor de beantwoording van de vraag of het rechtsbelang van een procedure over de aansprakelijkstelling van een advocaat de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft, gekeken moet worden naar het rechtsbelang van het geschil waarin de advocaat de rechtzoekende bijstond. De raad heeft in dit geval terecht een bedrijfsmatig belang aangenomen, omdat als [persoon A] geen onderneming zou hebben gehad, het geschil met de ex-partner niet zou zijn ontstaan. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat de uitzondering van artikel 12, aanhef en onder e, sub 2º, van de Wrb in dit geval van toepassing is. In die bepaling wordt met procedure eveneens de onderliggende procedure waarin de advocaat de rechtzoekende heeft bijgestaan bedoeld en niet de procedure over de aansprakelijkstelling waarvoor de toevoegingen zijn aangevraagd. Dit leidt de rechtbank af uit de bedoeling van de wetgever.  De rechtbank vindt voor dit oordeel eveneens steun in de geschiedenis van de totstandkoming van de Wrb. Nu [persoon A] in de onderliggende procedure als verweerder bij een procedure betrokken is geraakt die zijn ex-onderneming raakt, heeft de raad de aanvragen om vergoeding van de toevoegingen ten onrechte afgewezen, aldus de rechtbank.

Wettelijk kader

5.    Artikel 12, tweede lid, van de Wrb luidt:

"Rechtsbijstand wordt niet verleend indien:

[…]

e. het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft, de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft, tenzij:

1º. voortzetting van het beroep of bedrijf voorzover het niet in de vorm van een rechtspersoon wordt gevoerd, afhankelijk is van het resultaat van de aangevraagde rechtsbijstand, of

2º. het beroep of bedrijf ten minste één jaar geleden is beëindigd, de aanvrager in eerste aanleg als verweerder bij een procedure is betrokken of betrokken is geweest en de kosten van rechtsbijstand niet op andere wijze kunnen worden vergoed;

[…]"

Hoger beroep en incidenteel hoger beroep

6.    [appellant sub 2] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep van de raad gegrond is. Uit hetgeen hierna onder 9 wordt overwogen volgt dat dat het geval is en dus aan de beoordeling van het incidenteel hoger beroep wordt toegekomen. De Afdeling ziet, gelet op de gronden van het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep, aanleiding eerst het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] en daarna het hoger beroep van de raad te bespreken.

7.    [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het onderliggende geschil de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft. De rechtbank heeft in dit verband ten onrechte overwogen dat als [persoon A] geen onderneming zou hebben gehad, het geschil met de ex-partner niet zou zijn ontstaan. Voor het aannemen van een bedrijfsmatig belang is niet relevant of de geldlening bestemd was voor de financiering van de onderneming van [persoon A], maar of het motief voor het starten van de onderliggende procedure in de zakelijke dan wel de privésfeer lag. De exploitatie van het restaurant was verweven met de relatie tussen [persoon A] en zijn ex-partner en de onderliggende procedure is ontstaan uit een wraakactie als gevolg van de beëindiging van die relatie.

7.1.    In de werkinstructie "Bedrijfsmatig handelen" van de raad staat onder het kopje "Herkennen aanvragen met een bedrijfsmatig karakter" het volgende vermeld:

"Een bedrijf is een organisatie van kapitaal en arbeid met een winststreven. Vanaf het moment dat aanvrager commerciële activiteiten ontplooit in het kader van een zelfstandig beroep of bedrijf, is sprake van bedrijfsvoering en toets je de aanvraag om gesubsidieerde rechtsbijstand aan artikel 12 lid 2 sub e Wrb.

[…]

De oorsprong van het geschil is bepalend. Komt een geschil voort uit of hangt het samen met een zakelijk geschil, dan is sprake van een bedrijfsmatig geschil. Handvatten ter herkenning zijn (opsomming niet limitatief, maar indicatief):

• aard van de zaak: verbintenissenrecht, huur bedrijfsruimte, wanprestatie vergunningen, aanzienlijke bankgaranties/ borgstellingen, intellectueel eigendom, faillissement in privé door bedrijfsschulden, weigering Wsnp door bedrijfsschulden;

• de wederpartij in relatie tot de hoogte van de vordering. Bijvoorbeeld verweer tegen een vordering van een bierbrouwerij van € 5.000,-;

• toelichting advocaat op aanvraagformulier;

• toevoeghistorie van de klant;

• Status O in T-2.

    Onder het kopje "Voorbeeld oorsprong bedrijfsmatig" staat voorts het volgende vermeld:

"Een advocaat stond zijn cliënt bij in een bedrijfsmatige kwestie. Vervolgens ontstaat er een geschil over de wijze waarop de advocaat zijn werkzaamheden heeft uitgevoerd en over de rekening. Er is in dit geval sprake van een bedrijfsmatig geschil."

7.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:207) is voor de beantwoording van de vraag of artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb toepassing vindt, bepalend of het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft ziet op een belang dat is ontstaan in het kader van de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf. Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP1369) ziet die bepaling ook op het geval dat rechtsbijstand is verzocht ter zake van een rechtsbelang dat voortvloeit uit een niet langer uitgeoefend zelfstandig beroep of bedrijf.

7.3.    De onderliggende procedure waarin mr. [persoon B] [persoon A] heeft bijgestaan heeft betrekking op een geldbedrag dat de ex-partner van [persoon A] aan hem ter beschikking heeft gesteld voor de exploitatie van zijn restaurant. Niet in geschil is dat [persoon A] dit bedrag ook heeft geïnvesteerd in zijn restaurant. Dat, zoals [appellant sub 2] stelt, het motief voor het starten van de procedure over de terugvordering van dit geldbedrag is gelegen in de privésfeer, maakt, wat daar ook van zij, niet dat geen sprake is van bedrijfsmatig handelen. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, zou het geschil over de terugvordering niet zijn ontstaan als [persoon A] geen restaurant had gehad. Het geschil vindt derhalve zijn oorsprong in het bedrijfsmatig handelen van [persoon A]. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het rechtsbelang van het onderliggende geschil de uitoefening van een zelfstandig bedrijf betreft.

7.4.    Het betoog faalt.

8.    De raad betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de uitzondering van artikel 12, aanhef en onder e, sub 2º, van de Wrb in dit geval van toepassing is. Hij voert daartoe aan dat met de term "procedure" in die uitzonderingsbepaling wordt gedoeld op de procedure waarvoor de toevoeging is aangevraagd. [persoon A] is in die procedure als eiser opgetreden. Met de uitleg die de rechtbank aan de term "procedure" heeft gegeven gaat de rechtbank voorbij aan de door de wetgever voorgestane strikte toepassing van de criteria. De raad wijst voorts op het door de wetgever in de totstandkomingsgeschiedenis van de Wrb gegeven voorbeeld van een gewezen ondernemer die in rechte is betrokken als verweerder en een eis in reconventie heeft ingediend.

8.1.    Uit de tekst van artikel 12, aanhef en onder e, sub 2º, van de Wrb volgt dat voor de vraag of die uitzonderingsbepaling van toepassing is bepalend is of de aanvrager in de procedure waarvoor hij een toevoeging heeft aangevraagd als verweerder betrokken is of betrokken is geweest. In dit geval is [persoon A] in de procedure over de aansprakelijkstelling als eiser opgetreden, zodat [persoon A] in dit geval geen geslaagd beroep op die uitzondering kan doen. Dat [persoon A] in de onderliggende procedure over de geldlening als verweerder is opgetreden maakt het voorgaande niet anders. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 12, aanhef en onder e, van de Wrb (Kamerstukken II 2000/01, 27 553, nr. 3, blz. 4-5) volgt dat de ratio van de uitzondering onder sub 2º is dat een ex-ondernemer recht heeft op gesubsidieerde rechtsbijstand indien hij ongewild betrokken raakt bij een procedure die zijn ex-onderneming raakt. Die situatie doet zich in dit geval niet voor, omdat [persoon A] zelf een aansprakelijkheidsprocedure is gestart. Het starten van die procedure was weliswaar verklaarbaar in verband met het verloop van de onderliggende procedure over de geldlening, maar geen noodzakelijk gevolg daarvan.

    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de uitzondering van artikel 12, aanhef en onder e, sub 2º, van de Wrb in dit geval van toepassing is.

    Het betoog slaagt.

9.    Het hoger beroep van de raad is gegrond en het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen overweegt de Afdeling als volgt.

Beroep

10.    [appellant sub 2] heeft betoogd dat de raad ten onrechte zijn beroep op het vertrouwensbeginsel heeft verworpen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de raad een toevoeging heeft toegekend voor de procedure in eerste aanleg over de aansprakelijkstelling en aan die aanvraag dezelfde gronden ten grondslag liggen aan als de onderhavige aanvragen voor de procedures in hoger beroep en cassatie. De toevoegingsaanvraag voor de procedure in eerste aanleg is bovendien gedaan in de periode waarin hij nog niet meedeed aan het High Trust-programma, waardoor die aanvraag door de raad inhoudelijk is beoordeeld. [appellant sub 2] heeft voorts over de toevoeging met kenmerk 3ID7437 aangevoerd dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij aan de afsluitende steekproefcontrole geen gerechtvaardigde verwachtingen heeft kunnen ontlenen. In het "Convenant High Trust één op één controle achteraf" is weliswaar overeengekomen dat de declaraties van toevoegingen die zijn afgegeven voor 15 januari 2015 één op één zouden worden gecontroleerd, maar niet is overeengekomen dat de voor 15 januari 2015 afgegeven toevoegingen ook één op één op rechtmatigheid zouden worden gecontroleerd. Dat de raad de voor 15 januari 2015 afgegeven, maar nog niet gedeclareerde toevoegingen niet heeft gecontroleerd, dient voor zijn rekening en risico te komen.

10.1.    De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellant sub 2] aan de verlening van de toevoeging voor de procedure in eerste aanleg niet het gerechtvaardigde vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat de toevoegingen voor de procedures in hoger beroep en cassatie terecht zijn verleend. Elke aanvraag om een toevoeging moet afzonderlijk worden beoordeeld. Het vertrouwensbeginsel strekt bovendien, zeker ook gelet op het tijdverloop tussen de verlening van de toevoeging voor de procedure in eerste aanleg en de aanvragen van de toevoegingen voor de procedures in hoger beroep en cassatie, niet zo ver dat de raad gehouden is een gemaakte fout te herhalen.

    De raad heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat [appellant sub 2] aan de afsluitende steekproefcontrole evenmin het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat de toevoeging met kenmerk 3ID7437 terecht was verleend. Op 28 januari 2015 heeft een steekproefcontrole plaatsgevonden over de periode dat [appellant sub 2] deelnam aan de steekproefvariant van het High Trust-programma. Ten tijde van die steekproefcontrole was de toevoeging met kenmerk 3ID7437 al verleend, maar had [appellant sub 2] nog geen declaratie voor de op basis van die toevoeging verleende rechtsbijstand ingediend. Uit het "Convenant High Trust, steekproefsgewijze controle" en de algemene voorwaarden volgt dat de toevoegwaardigheid van een zaak pas na het indienen van een declaratie wordt getoetst. Met de steekproefcontrole van 28 januari 2015 is de toevoegwaardigheid van de toevoeging met kenmerk 3ID7437 dus niet komen vast te staan.

    Het betoog faalt.

11.    Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand gegrond;

II.    verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] ongegrond;

III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 februari 2019 in zaak nr. 18/4635;

IV.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Komduur, griffier.

w.g. Michiels    w.g. Komduur

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2019

809.