Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:4140

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2018
Datum publicatie
19-12-2018
Zaaknummer
201802510/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2018:855, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 maart 2017 heeft de raad de aanvraag van [appellant] om een toevoeging voor gesubsidieerde rechtsbijstand afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201802510/1/A2.

Datum uitspraak: 19 december 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 februari 2018 in zaken nrs. 17/4444 en 17/4445 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2017 heeft de raad de aanvraag van [appellant] om een toevoeging voor gesubsidieerde rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 10 april 2017 heeft de raad de aanvraag van [appellant] om een toevoeging voor gesubsidieerde rechtsbijstand afgewezen.

Bij afzonderlijke besluiten van 16 juni 2017 heeft de raad de door [appellant] tegen de bovengenoemde besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 1 februari 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 november 2018, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Doets en mr. A.M. El Wanni, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [appellant] is sinds 2001 zelfstandig taxichauffeur in Amsterdam, handelend onder de naam [naam bedrijf]. Op 7 maart 2008 heeft hij voor het uitoefenen van zijn beroep een Hyundai Santa Fe aangeschaft. Deze auto bleek na aanschaf ernstige mankementen te vertonen. Om deze te verhelpen is de auto bij verschillende garagebedrijven, waaronder [garagebedrijf A] en [garagebedrijf B], in reparatie geweest. Op 31 januari 2011 heeft [garagebedrijf B] een noodreparatie uitgevoerd. Toen [appellant] de auto kwam ophalen en startte, ontstond onder meer rookontwikkeling. Geconstateerd is dat de auto niet te repareren was. Deze is total-loss verklaard.

2.    [appellant] heeft [garagebedrijf A] aansprakelijk gesteld voor de materiële en immateriële schade. Bij vonnis van 28 december 2016 heeft de rechtbank Amsterdam geoordeeld dat het autobedrijf aansprakelijk is voor de schade veroorzaakt door nalaten in de zorgplicht bij de reparatie van de gebreken aan de auto en dat het bedrijf aansprakelijk is door na te laten vroegtijdig een schade-uitsluitend onderzoek te doen. De rechtbank heeft [garagebedrijf A] veroordeeld tot vergoeding van de door [appellant] geleden schade, nader op te maken bij staat.

3.    Namens [appellant] zijn twee aanvragen om toevoeging ingediend. Bij de aanvraag van 12 januari 2017 heeft [appellant] verzocht om een toevoeging om [garagebedrijf B] te dagvaarden in verband met het niet-nakomen van diens zorgplicht. Bij de aanvraag van 17 maart 2017 heeft hij verzocht om een toevoeging om een schadestaatprocedure tegen [garagebedrijf A] te voeren.

4.    De aanvragen om een toevoeging zijn bij de besluiten van 17 maart 2017 en 10 april 2017, zoals gehandhaafd bij de besluiten van 16 juni 2017, afgewezen. De aanvragen hebben betrekking op een rechtsbelang dat de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft en daarvoor worden geen toevoegingen verstrekt. Ook is geen sprake van een uitzonderingssituatie op grond waarvan alsnog een toevoeging zou moeten worden verstrekt, aldus de raad.

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de raad zijn aanvragen terecht heeft afgewezen. De aanvragen hebben betrekking op een rechtsbelang dat is gelegen in de privésfeer en niet op een rechtsbelang dat zijn eenmanszaak betreft. Voorts is de rechtbank er ten onrechte aan voorbijgegaan dat het bedrag van € 21.942,00 aan vlottende activa niet voldoende is om de kosten van rechtsbijstand zelf te bekostigen. Hij houdt nauwelijks voldoende geld over om van te leven en om zijn gezin te onderhouden, aldus [appellant]. Hij heeft een overzicht van zijn vaste lasten en een zogenoemde oprijverklaring gevoegd.

5.1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt onderdeel uit van deze uitspraak.

5.2.    [appellant] heeft een auto gekocht om dienst te doen als taxi voor zijn taxibedrijf. Hij ontplooit commerciële activiteiten in het kader van een zelfstandig beroep of bedrijf waarvoor hij de auto inzet. Hij heeft de toevoegingen om gesubsidieerde rechtsbijstand aangevraagd ten behoeve van rechtszaken die zijn ontstaan als gevolg van problemen met deze taxi. De aanvragen hebben aldus betrekking op een rechtsbelang dat de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft.

5.3.    Vraag is of een uitzonderingssituatie bestaat als bedoeld in artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, onderdeel 1, van de Wrb, op grond waarvan [appellant] alsnog voor een toevoeging in aanmerking komt. De raad heeft daartoe op grond van de jaarrekening 2014 eerst het eigen vermogen en vervolgens de vlottende activa van de onderneming van [appellant] beoordeeld. De raad komt tot de conclusie dat de vlottende activa € 21.942,00 bedragen en daarmee hoger zijn dan het normbedrag van € 5.000,00, zodat geen sprake is van een bedrijfsbedreigend geschil. De raad heeft niet onderkend dat het eigen vermogen ten bedrage van € 16.004,00 lager was dan het heffingvrij vermogen voor 2014 ten bedrage van € 21.139,00, zodat op grond van de werkinstructie ‘Bedrijfsmatig handelen - Beoordeling financiële positie onderneming’ het nettoresultaat uit de winst- en verliesrekening had moeten worden beoordeeld in plaats van de vlottende activa. Uit de werkinstructie volgt dat het nettoresultaat had moeten worden afgezet tegen de inkomensnorm voor gesubsidieerde rechtsbijstand, meer specifiek de laagste inkomenscategorie voor alleenstaanden. Ter zitting heeft de raad desgevraagd toegelicht dat het nettoresultaat over 2014 met een bedrag van € 19.911,00 hoger is dan de bovengrens van de laagste inkomenscategorie voor alleenstaanden voor 2014 ten bedrage van € 18.000,00, zodat een juiste toepassing van de werkinstructie niet tot een andere uitkomst van de besluiten zou hebben geleid. De Afdeling volgt deze toelichting.

    Voor zover [appellant] in hoger beroep de jaarrekeningen over 2015 en 2016 heeft overgelegd, heeft de raad zich mogen baseren op de in de bezwaarfase overgelegde gegevens uit 2014. Uit die jaarrekeningen blijkt dat het nettoresultaat hoger is geweest dan in 2014, zodat dit [appellant] ook niet zou hebben gebaat.

    De rechtbank heeft verder terecht waarde gehecht aan de omstandigheid dat het bedrijf van [appellant] sinds het ontstaan van het geschil in 2011, nog steeds bestaat. Het voortbestaan van het bedrijf is niet afhankelijk van het resultaat van de aangevraagde rechtsbijstand. De uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, onderdeel 1, van de Wrb is ook daarom niet aan de orde.

5.4.    Het betoog slaagt omdat de raad een onjuiste toepassing aan de werkinstructie heeft gegeven. Aangezien een juiste toepassing niet tot andere besluiten zou leiden, zal de Afdeling de rechtsgevolgen van de besluiten in stand laten.

6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De besluiten van 16 juni 2017 komen wegens strijd met  7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal bepalen dat de rechtsgevolgen van die besluiten geheel in stand blijven.

7.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 februari 2018 in zaken nrs. 17/4444 en 17/4445;

III.    verklaart het door [appellant] bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt de besluiten van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand van 16 juni 2017;

V.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van die besluiten geheel in stand blijven;

VI.    gelast dat het bestuur van de raad voor rechtsbijstand aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.

w.g. Bijloos    w.g. Rijsdijk

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2018

705. BIJLAGE - Wettelijk kader

Wet op de rechtsbijstand

Artikel 12

[…]

2. Rechtsbijstand wordt niet verleend indien:

[…]

e. het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft, de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft, tenzij:

1˚. voortzetting van het beroep of bedrijf voor zover het niet in de vorm van een rechtspersoon wordt gevoerd, afhankelijk is van het resultaat van de aangevraagde rechtsbijstand,

[…]

Werkinstructie Bedrijfsmatig handelen - Beoordeling financiële positie onderneming

1. Eigen vermogen

Stel het eigen vermogen vast.

[…]

Beoordeling: is het berekende eigen vermogen hoger dan de heffingvrije grondslag voor een alleenstaande, dan beoordeel je vervolgens de samenstelling van de vlottende activa:

a. Is er meer dan € 5.000,00 aan vlottende activa, dan wijs je af op (volledige) vermogen

[…]

In alle andere gevallen ga je verder met het beoordelen van de verlies- en winstrekening.

2. Waardering van de Verlies- en winstrekening

[…]

Beoordeling: is het berekende nettoresultaat hoger dan de bovengrens van de laagste inkomenscategorie voor alleenstaanden (2016: € 18.400,00), dan neem je aan dat er geen sprake is van een bedrijfsbedreigend geschil.

[…].