Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3993

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-12-2018
Datum publicatie
05-12-2018
Zaaknummer
201804307/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:1765, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juni 2017 met kenmerk 1HN1912 heeft de raad de eerder vastgestelde vergoeding ad € 1.533,46 voor door [appellant] verleende rechtsbijstand aan [persoon A] ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201804307/1/A2.

Datum uitspraak: 5 december 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], kantoorhoudend te [plaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 12 april 2018 in zaak nr. 17/3470 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2017 met kenmerk 1HN1912 heeft de raad de eerder vastgestelde vergoeding ad € 1.533,46 voor door [appellant] verleende rechtsbijstand aan [persoon A] ingetrokken.

Bij besluit van 6 juni 2017 met kenmerk 1HN1913 heeft de raad de eerder vastgestelde vergoeding ad € 2.028,64 voor door [appellant] verleende rechtsbijstand aan [persoon B] ingetrokken.

Bij besluit van 15 juni 2017 met kenmerk 1HN1915 heeft de raad de eerder vastgestelde vergoeding voor door [appellant] verleende rechtsbijstand aan [persoon C] herzien en vastgesteld op € 2.864,12 op basis van samenhang met toevoeging 1HN1913 en 1HN1912.

Bij besluit van 23 november 2017 heeft de raad het door [appellant] tegen deze besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 april 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 november 2018, waar [appellant], en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra en mr. M. Rutten, zijn verschenen.

Overwegingen

    Inleiding

1.    [appellant] werkte in de periode die hier van belang is bij een  advocatenkantoor dat deelneemt aan het High Trust-programma van de raad. Uitgangspunt van dit programma is dat de vraag of een zaak toevoegingswaardig is niet langer door de raad naar aanleiding van een toevoegingsaanvraag, maar door de rechtsbijstandverlener voorafgaand aan het indienen van de aanvraag wordt beoordeeld. Afgegeven toevoegingen en vastgestelde vergoedingen worden vervolgens achteraf steekproefsgewijs gecontroleerd. De toevoegingsvergoeding kan lager of op nihil worden vastgesteld indien bij de controle achteraf onjuiste declaraties worden gevonden. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:269).

Besluitvorming

2.    Op 20 april 2016 heeft [appellant] toevoegingen aangevraagd voor rechtsbijstand in de asielprocedures van een gezin met vijf kinderen. Bij afzonderlijke besluiten van 22 april 2016 heeft de raad drie toevoegingen verleend. De toevoegingen zijn verleend op naam van [persoon B] (vader, kenmerk 1HN1913), [persoon C] (meerderjarige dochter, kenmerk 1HN1912) en [persoon D] (meerderjarige zoon, kenmerk 1HN1915). De overige minderjarige kinderen van het gezin vallen onder de toevoeging die is verstrekt ten behoeve van de vader en zijn echtgenote.

    De raad heeft op 15 februari 2017 op het kantoor van het advocatenkantoor een steekproefcontrole uitgevoerd. Naar aanleiding daarvan heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat de drie asielprocedures verknochte zaken zijn. De raad heeft daarom bij afzonderlijke besluiten van 6 juni 2017 de eerdere vaststellingen van de vergoedingen in de procedures met kenmerk 1HN1912 en kenmerk 1NH1913 ingetrokken. Voorts heeft de raad bij besluit van 15 juni 2017 de eerder vastgestelde vergoeding in de procedure met kenmerk 1HN915 herzien en vastgesteld op € 2.864,12 op basis van samenhang met de zaken met toevoeging 1HN1912 en 1HN1913.

Wettelijk kader

3.    Artikel 11, eerste lid en tweede lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: het Bvr 2000) luidt:

"1. Als samenhangende procedures worden beschouwd zaken die gevoegd, gelijktijdig, aansluitend of nagenoeg aansluitend ter zitting als bedoeld in het eerste lid van artikel 7, zijn behandeld, en waarvoor één rechtsbijstandverlener is toegevoegd of meer dan één rechtsbijstandverlener mits zij deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en voor zover de zaken naar hun aard verknocht zijn.

2. In samenhangende procedures waarin twee of meer rechtzoekenden een of meer procedures voeren, wordt in afwijking van het eerste lid van artikel 5, aan de procedures gezamenlijk het aantal punten toegekend dat wordt verkregen door het aantal punten dat in de bijlage is bepaald voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak met het hoogste aantal punten te vermenigvuldigen met de navolgende percentages, al naar gelang het aantal toevoegingen: 2-3: 150%; […]."

Aangevallen uitspraak

4.    De rechtbank heeft opgemerkt dat onderscheid dient te worden gemaakt tussen enerzijds het door de raad in de Werkinstructie Bereik neergelegde beleid, waaronder paragraaf 3.2.1 (de Afdeling begrijpt paragraaf 2.3.1) inzake meegereisden/verknocht verband, dat ziet op het verlenen van toevoegingen, en anderzijds de toepassing van artikel 11 van het Bvr 2000, dat betrekking heeft op samenhang en ziet op de (nadien) vastgestelde vergoedingen. De rechtbank heeft vastgesteld dat hetgeen partijen verdeeld houdt de vraag is of sprake is van samenhangende procedures in de zin van artikel 11, eerste lid, van het Bvr 2000.

    De rechtbank heeft geoordeeld dat het gegeven dat bij een aantal gezinsleden tevens sprake is van afzonderlijke motieven om te vluchten niet afdoet aan het feit dat sprake is van een gezin dat in familieverband is gevlucht als gevolg van de dreigende situatie in eigen land. Dit is hoofdzakelijk een gevolg van het gegeven dat de vader werkzaam is geweest voor de Amerikanen en de ontvoering van naaste familieleden. Dit kan worden geacht de leidende reden voor de vlucht te zijn geweest. Daarmee is sprake van een gezamenlijke grondslag voor het vertrek uit Irak. Gelet hierop heeft de raad zich op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van verknochtheid in de zin van artikel 11 van het Bvr 2000. Voorts is de rechtsbijstand nagenoeg gelijktijdig verleend. Er is daarom sprake van samenhangende procedures. De raad heeft de vergoeding voor de drie toevoegingen opnieuw ingevolge artikel 11, tweede lid, van het Bvr 2000 kunnen vaststellen op 150%, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

5.    [appellant] betoogt dat de uitspraak van de rechtbank onjuist is, althans onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Hiertoe voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de procedures betrekking hebben op dezelfde problematiek. De twee meerderjarige kinderen, [persoon C] en [persoon D], hadden fundamenteel andere asielmotieven en feiten aan hun asielaanvragen ten grondslag gelegd, die ook door de rechtbank in de asielprocedure expliciet zijn benoemd. Zo had het asielmotief ‘gedwongen rekrutering’ alleen betrekking op de situatie van de meerderjarige zoon [persoon D]. Als de redenering van de rechtbank wordt gevolgd, is er altijd sprake van eenzelfde rechtsprobleem indien meer familieleden asiel hebben aangevraagd. Daarnaast hebben er afzonderlijke procedures plaatsgevonden, waarbij sprake was van afzonderlijke gehoren, nabesprekingen, voornemens, en besluiten. De verhoren zijn door verschillende ambtenaren van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) en op verschillende tijdstippen afgenomen. De rechtbank heeft dit miskend, aldus [appellant].

    Verder voert [appellant] aan dat uit het toevoegbeleid bij de V060 A.A.-procedure volgt dat er een afzonderlijke toevoeging verstrekt kan worden als een meegereisde een afzonderlijk vluchtverhaal heeft en volgt uit de Werkinstructie Bereik, paragraaf 2.3.1 inzake meegereisden/verknocht verband, dat onder "verknocht verband" in beginsel een gezin wordt begrepen dat bestaat uit vader, moeder en minderjarige kinderen. Het is niet juist aan deze begrippen een andere betekenis te geven bij het verlenen van toevoegingen enerzijds en nadien bij de vaststelling van vergoedingen anderzijds. Ontbrekend of onduidelijk beleid dient in redelijkheid niet ten nadele te komen van een rechtshulpverlener, aldus [appellant].

5.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 21 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3374), behoeven zaken niet identiek aan elkaar te zijn om als naar hun aard verknocht te worden aangemerkt. De regelgever heeft met het vereiste dat zaken verknocht zijn voor ogen dat er een inhoudelijke samenhang is tussen de zaken in die zin dat ze betrekking hebben op dezelfde problematiek (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 14 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BS8837).

5.2.    De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van verknochtheid in de zin van artikel 11, eerste lid, van het Bvr 2000. Uit de overgelegde rapporten van de nadere gehoren blijkt dat vader, moeder, en (meerderjarige) kinderen hebben verklaard dat zij als gezin/gezamenlijk zijn gevlucht uit Irak. Zij zijn, aldus hun verklaringen, uit Irak gevlucht wegens onder meer het gevaar dat de vader, en daarmee het gezin, liep, omdat hij voor de Amerikanen had gewerkt en wegens de ontvoering van een zoon van het gezin en van vier neven/familieleden. Daarmee hebben de zaken betrekking op dezelfde problematiek en is sprake van inhoudelijke samenhang als bedoeld onder 5.1. Dat bij de meerderjarige kinderen tevens sprake is van afzonderlijke motieven om te vluchten, zoals de vrees die de meerderjarige zoon heeft voor gedwongen rekrutering, betekent in dit geval niet dat aan hun asielzaken niet een nagenoeg gelijk feitencomplex ten grondslag ligt.

    Verder maakt de omstandigheid dat afzonderlijke gehoren hebben plaatsgevonden, die door verschillende ambtenaren van de IND zijn afgenomen, en dat afzonderlijke besluiten zijn genomen niet dat aan hun asielzaken geen nagenoeg gelijk feitencomplex ten grondslag lag en dat geen sprake kan zijn van samenhangende procedures als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van het Bvr 2000.

    Nu de gehoren gelijktijdig of nagenoeg aansluitend hebben plaatsgevonden en de zaken naar hun aard verknocht zijn, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de raad zich op het standpunt mocht stellen dat sprake is van samenhangende procedures als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van het Bvr 2000. De raad heeft daarom, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, de vergoedingen voor de drie toevoegingen op grond van artikel 11, tweede lid, van het Bvr 2000 op 150% mogen vaststellen.

5.3.    Voor zover [appellant] stelt dat de handelwijze van de raad niet in overeenstemming is met het toevoegbeleid bij de V060 A.A.-procedure en het beleid zoals neergelegd in de Werkinstructie Bereik, paragraaf 2.3.1 inzake meegereisden/verknocht verband, overweegt de Afdeling dat het beleid waarop [appellant] zich beroept betrekking heeft op het verlenen van de toevoeging en niet op het nadien vaststellen van de vergoeding voor de op basis van een toevoeging verleende rechtsbijstand. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1277) is de omstandigheid dat [appellant] eerst na een steekproefcontrole zeker weet of de raad de zaken waarvoor een toevoeging is verleend als samenhangend beschouwt, het gevolg van deelname aan het High Trust-programma.

5.4.    Het betoog faalt.

Conclusie

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Van Dokkum

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2018

480-856.