201710274/2/A1.
Datum uitspraak: 2 februari 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend te Wierden,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 18 oktober 2017 in zaak nr. 17/1401 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
het college van burgemeester en wethouders van Wierden.
Procesverloop
Bij besluit van 10 mei 2016 heeft het college, naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van [belanghebbende], [verzoeker] onder het opleggen van een dwangsom gelast om groen plastic te verwijderen van het dak van het rijksmonument op het perceel gelegen tegenover [locatie] in Hoge Hexel (hierna: het perceel) en een voorziening te treffen om het rijksmonument in stand te houden.
Bij besluit van 27 september 2016 heeft het college het door [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 10 mei 2016 herroepen en het verzoek om handhavend optreden alsnog afgewezen.
Bij uitspraak van 20 maart 2017 in zaak nr. 16/2660 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit op bezwaar van 27 september 2016 vernietigd en het college opgedragen om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Bij besluit van 20 juni 2017 heeft het college [verzoeker] onder het opleggen van een dwangsom gelast om het plastic op het dak van de schuur op het perceel te verwijderen en verwijderd te houden.
Bij uitspraak van 18 oktober 2017 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.
[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 januari 2018, waar [verzoeker], en [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. G. Visser, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2. [verzoeker] heeft in 1997 het perceel gekocht waarop de schuur staat die als rijksmonument is aangemerkt. De schuur verkeert in een slechte staat van onderhoud. Ter voorkoming van verder verval was de schuur gedeeltelijk met plastic zeil afgedekt.
Niet in geschil is dat [verzoeker] uitvoering heeft gegeven aan de bij besluit van 20 juni 2017 opgelegde last door het zeil van de schuur te verwijderen.
3. Met het verzoek probeert [verzoeker] te bereiken dat hij het zeil mag terugplaatsen.
4. [verzoeker] betoogt dat het zeil in wet- en regelgeving niet wordt verboden en dat het dak van de schuur zonder zeil zal fungeren als een opengeslagen parachute die het gehele gebouw omver trekt richting de weg N 751 die op 1,5 m afstand van de gevel staat en waar 6000 verkeersbewegingen per etmaal langs gaan. Voorts betoogt [verzoeker] dat hij niet over de financiële middelen beschikt om het zeil te vervangen door een andere dakbedekking of om de schuur op het perceel in zijn geheel te restaureren en dat het slopen van een rijksmonument in strijd is met de wet.
Verder betoogt [verzoeker] dat deze situatie van tijdelijke aard is, omdat de rijksoverheid en de provincie Overijssel pleiten voor het herbestemmen of de verplaatsing van rijksmonumenten om deze te behouden. Voorts betoogt [verzoeker] dat het terugplaatsen van het zeil zal voorkomen dat de constructie van de schuur en zijn bezittingen nog langer worden bloot gesteld aan regen en wind.
4.1. In hetgeen [verzoeker] naar voren heeft gebracht, is geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat het college in redelijkheid niet handhavend heeft kunnen optreden.
Daarbij is van belang dat de rechtbank bij uitspraak van 20 maart 2017 heeft geoordeeld dat door het aanbrengen van zeil op het dak van de schuur is gehandeld in strijd met de artikelen 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). [verzoeker] heeft tegen die uitspraak geen hoger beroep ingesteld. Er moet daarom van de juistheid ervan worden uitgegaan.
Verder heeft [verzoeker] niet aannemelijk gemaakt dat de verwijdering van het zeil zal leiden tot gevaar voor mensen of het milieu. Hij heeft zijn stelling dat vanwege het ontbreken van het zeil op het dak van de schuur het gehele gebouw omver zal worden getrokken richting N 751 onvoldoende met feiten onderbouwd.
Voorts faalt het betoog van [verzoeker] dat hij niet over de financiële middelen beschikt om het zeil te vervangen voor een andere dakbedekking of om de schuur op het perceel in zijn geheel te restaureren. Dat [verzoeker] als gevolg van handhavend optreden maatregelen moet nemen waardoor hij wordt getroffen in zijn financiële belang is een risico dat voor zijn rekening dient te blijven. [verzoeker] had zich immers bij de koop van de schuur van de conditie en de bouwmogelijkheden ervan kunnen vergewissen.
Verder faalt het betoog van [verzoeker] dat het slopen van de schuur in strijd is met de wet, reeds omdat niet het slopen van de schuur maar het slopen zonder daartoe vereiste vergunning(en) in strijd is met de wet en [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij die vergunning(en) heeft aangevraagd.
Voorts betoogt [verzoeker] tevergeefs dat de rijksoverheid en de provincie Overijssel pleiten voor het herbestemmen of de verplaatsing van rijksmonumenten om deze te behouden. Dat er wordt gepleit voor herbestemming of verplaatsing van de schuur betekent niet dat het plaatsen van een zeil op het dak van de schuur niet langer in strijd zou zijn met de artikelen 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wabo.
Tot slot betoogt [verzoeker] eveneens tevergeefs dat het terugplaatsen van het zeil zal voorkomen dat de constructie van de schuur en zijn bezittingen nog langer worden bloot gesteld aan regen en wind. Ook het plaatsen van een legale dakbedekking kan immers voorkomen dat de constructie van de schuur en zijn bezittingen nog langer worden bloot gesteld aan regen en wind.
5. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, griffier.
w.g. Van Sloten w.g. Van Leeuwen
voorzieningenrechter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2018
543.