Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:323

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-01-2018
Datum publicatie
31-01-2018
Zaaknummer
201703042/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:1018, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juni 2015 heeft de raad een eerder aan [appellant sub 2] verleende toevoeging voor gesubsidieerde rechtsbijstand door advocaat mr. N.D. Geraads met terugwerkende kracht ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703042/1/A2.

Datum uitspraak: 31 januari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad),

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 16 februari 2017 in zaak nr. 16/2261 in het geding tussen:

[appellant sub 2]

en

de raad.

Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2015 heeft de raad een eerder aan [appellant sub 2] verleende toevoeging voor gesubsidieerde rechtsbijstand door advocaat mr. N.D. Geraads met terugwerkende kracht ingetrokken.

Bij besluit van 15 juni 2016 heeft de raad het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 16 februari 2017 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 24 juni 2015 herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de raad hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 2] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Gelet op de datum en inhoud daarvan, merkt de Afdeling deze uiteenzetting aan als een incidenteel hogerberoepschrift.

Geraads heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 januari 2018, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra en mr. M. Doets, en [appellant sub 2] zijn verschenen.

Overwegingen

    Inleiding

1.    Rechtzoekenden van wie het inkomen en vermogen beneden een bepaalde grens liggen en daarom de kosten van een advocaat niet geheel zelf kunnen dragen, kunnen bij de raad een aanvraag indienen om een toevoeging voor door de overheid gesubsidieerde rechtsbijstand. De regels om in aanmerking te komen voor een toevoeging zijn neergelegd in de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb). Daarnaast heeft de raad hiervoor beleid vastgesteld, neergelegd in zogenoemde werkinstructies.

2.    Artikel 34g, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wrb luidt:

"Tenzij zwaarwegende omstandigheden zich daartegen verzetten, wordt de toevoeging met terugwerkende kracht ingetrokken, indien op het moment van de definitieve afhandeling van de zaak waarvoor die toevoeging was verleend de rechtzoekende als resultaat van die zaak een vordering met betrekking tot een geldsom ter hoogte van tenminste 50% van het heffingvrij vermogen heeft."

    Indien het financiële resultaat van de zaak waarvoor de toevoeging was verleend dat bedrag overschrijdt, moet de rechtzoekende alsnog in staat worden geacht de kosten van rechtsbijstand zelf te dragen.

    50% van het heffingvrij vermogen bedroeg in 2014 € 10.569,50.

3.    [appellant sub 2] en haar toenmalige partner hebben op 2 december 2013 een echtscheidingsconvenant tevens vaststellingovereenkomst (hierna: echtscheidingsconvenant) gesloten, waarin onder meer afspraken zijn vastgelegd over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Bij beschikking van 31 januari 2014 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken en bepaald dat het echtscheidingsconvenant deel uitmaakt van die beschikking.

    Op 21 februari 2014 heeft Geraads namens [appellant sub 2] een toevoeging aangevraagd voor juridische bijstand bij de nakoming van het echtscheidingsconvenant. Bij besluit van 27 februari 2014 heeft de raad [appellant sub 2] een toevoeging verleend.

    Op 10 juli 2014 hebben [appellant sub 2] en haar ex-partner een aanvullend echtscheidingsconvenant tevens vaststellingsovereenkomst (hierna: aanvullend convenant) gesloten. Op 8 januari 2015 hebben zij bij de notaris een akte van verdeling ondertekend, waarbij de woningen en daarop rustende hypothecaire schulden zijn verdeeld.

    Besluitvorming

4.    Bij het besluit van 24 juni 2015 heeft de raad de aan [appellant sub 2] op 27 februari 2014 verleende toevoeging ingetrokken op grond van artikel 34g, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wrb, omdat het financiële resultaat van de afhandeling van de zaak hoger is dan 50% van het heffingvrij vermogen. Volgens de raad stond de woning van [appellant sub 2] te koop en zit daar een grote overwaarde in.

    De Commissie voor Bezwaar heeft in haar advies van 10 juni 2016 geoordeeld dat op basis van daartoe strekkend beleid van de raad de woning buiten beschouwing moet worden gelaten. Volgens de Commissie worden in het echtscheidingsconvenant echter drie andere vermogensbestanddelen aan [appellant sub 2] toegekend, die wel moeten worden meegenomen bij de resultaatsbeoordeling. Het gaat om de eigen bankrekening van [appellant sub 2], de spaarrekeningen van haar twee minderjarige kinderen en de nalatenschap van een tante van [appellant sub 2]. Hoewel niet duidelijk is wat het bedrag van de nalatenschap is, heeft [appellant sub 2] in ieder geval recht op een bedrag van € 10.723,00 (het saldo op 8 januari 2015 van de bankrekening van [appellant sub 2] en de twee spaarrekeningen van haar kinderen, waarvan de helft aan [appellant sub 2] wordt toegerekend). Dat bedrag overschrijdt de grens van € 10.569,50. Gelet hierop is de toevoeging terecht ingetrokken, aldus de Commissie.

    Bij het besluit van 15 juni 2016 heeft de raad de intrekking van de toevoeging, onder overneming van de gronden van het advies van de Commissie voor Bezwaar, gehandhaafd.

    Oordeel van de rechtbank

5.    De rechtbank heeft vooropgesteld dat in het geschil dat heeft geleid tot het aanvullend convenant het resultaat van het gehele echtscheidingsconvenant van 2 december 2013 op het spel stond. Volgens de rechtbank heeft de raad daarom dat echtscheidingsconvenant terecht bij de resultaatsbeoordeling betrokken, ook al is geen toevoeging verstrekt voor rechtsbijstand bij de totstandkoming daarvan.

    De rechtbank heeft verder overwogen dat de saldi van de spaarrekeningen van de kinderen niet tot het resultaat van de toevoeging kunnen worden gerekend, omdat deze expliciet buiten de huwelijksgoederengemeenschap zijn gelaten, niet netto aan [appellant sub 2] zijn uitgekeerd en zij en haar ex-partner slechts gezamenlijk kunnen beslissen over deze saldi. Verder is de rechtbank van oordeel dat de nalatenschap nooit tot de huwelijksgoederengemeenschap heeft behoord, in het echtscheidingsconvenant niet is toebedeeld aan [appellant sub 2] en evenmin tot het resultaat van een verdeling kan behoren.

    De rechtbank heeft het besluit van 24 juni 2015 herroepen omdat niet valt in te zien dat bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap andere vermogensbestanddelen zijn betrokken die tot het resultaat kunnen worden gerekend. Dat heeft tot gevolg dat de raad de verleende toevoeging niet heeft mogen intrekken, aldus de rechtbank.

    De gronden

6.    De raad betoogt dat hij de spaarrekeningen van de kinderen terecht heeft betrokken bij het resultaat, omdat deze onderdeel uitmaken van de huwelijksgoederengemeenschap. Dat in het echtscheidingsconvenant is opgenomen dat de bankrekeningen van de minderjarige kinderen buiten de verdeling worden gehouden, is daarom niet van belang.

    Ten aanzien van de nalatenschap betoogt de raad dat deze op grond van een uitsluitingsclausule weliswaar nooit tot de huwelijksgoederengemeenschap heeft behoord, maar dat de verleende rechtsbijstand wel betrekking heeft gehad op eventuele geschillen over wat wel en wat niet tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort. Daarmee is het saldo van de nalatenschap resultaat van de verleende rechtsbijstand.

    De raad betoogt ten slotte dat de omstandigheden van dit geval, te weten dat er specifieke afspraken zijn gemaakt over de zeggenschap over de saldi van de spaarrekeningen van de kinderen, niet zijn aan te merken als zwaarwegende omstandigheden die zich verzetten tegen het intrekken van de verleende toevoeging.

7.    [appellant sub 2] heeft zich in haar schriftelijke uiteenzetting op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de op basis van de toevoeging verleende rechtsbijstand mede betrekking had op het echtscheidingsconvenant van 2 december 2013, waarin de afspraken over de bankrekeningen van de kinderen en de nalatenschap zijn neergelegd. Voor het opstellen van dat convenant heeft zij geen toevoeging aangevraagd en de desbetreffende afspraken zijn nadien geen onderwerp geweest van de wèl op basis van de toevoeging verleende rechtsbijstand. Die rechtsbijstand had alleen betrekking op de verdeling van onroerend goed en heeft geleid tot het aanvullende convenant en de akte van verdeling. Reeds daarom kunnen de spaarrekeningen van de kinderen en de nalatenschap niet bij de resultaatsbeoordeling worden betrokken, aldus [appellant sub 2].

    Aangezien de schriftelijke uiteenzetting is gericht tegen een oordeel van de rechtbank, merkt de Afdeling deze aan als een incidenteel hogerberoepschrift. Zij ziet voorts aanleiding het incidentele hoger beroep als eerste te beoordelen.

    Beoordeling

8.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 20 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ1636) volgt uit artikel 34g van de Wrb en de totstandkomingsgeschiedenis daarvan (Kamerstukken II, 2003/04, 29 685, nr. 3, blz. 22-23) dat voor het antwoord op de vraag of een verleende toevoeging met terugwerkende kracht moet worden ingetrokken alleen het resultaat van de zaak waarvoor een toevoeging is verleend van belang is. Dat volgt eveneens uit de werkinstructie ‘Resultaatbeoordeling’, waarin is vermeld: "Er moet een directe relatie zijn tussen de verleende rechtsbijstand en de opbrengst. Je houdt geen rekening met ander vermogen, positief of negatief."

8.1.    Niet in geschil is dat [appellant sub 2] geen toevoeging heeft aangevraagd voor het opstellen van het echtscheidingsconvenant van 2 december 2013. In artikel 2.7 van dat convenant is bepaald dat bankrekeningen ten name van de kinderen buiten de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap blijven en dat de saldi van deze bankrekeningen uitsluitend ten goede komen aan het kind op wiens naam de rekening is gesteld. In artikel 3.17 is bepaald dat [appellant sub 2] een nalatenschap van haar tante heeft ontvangen onder een uitsluitingsclausule en dat hetgeen daarvan nog resteert aan haar toekomt.

    [appellant sub 2] stelt terecht dat zij blijkens de aanvraag van 21 februari 2014 uitsluitend rechtsbijstand heeft aangevraagd voor ‘Juridische bijstand nakoming echtscheidingsconvenant’. Derhalve moet de nakoming van het echtscheidingsconvenant van 2 december 2013 worden aangemerkt als de zaak waarvoor de toevoeging is verleend. De op basis van die toevoeging verleende rechtsbijstand heeft geleid tot het aanvullend convenant van 10 juli 2014. Uit dat convenant blijkt dat nieuwe afspraken zijn gemaakt over de partneralimentatie in verband met de verdeling van twee woningen en daarmee verband houdende hypothecaire leningen. In artikel 2.1 van het aanvullend convenant is bepaald dat de tussen partijen gesloten overige afspraken, zoals opgenomen in de artikelen 2 tot en met 8 in het echtscheidingsconvenant, onverminderd van kracht blijven.

8.2.    Gelet op de zaak waarvoor de toevoeging is aangevraagd alsmede de feitelijk verleende rechtsbijstand kunnen het echtscheidingsconvenant van 2 december 2013 noch de daarin neergelegde afspraken over de bankrekeningen van de kinderen en de nalatenschap worden aangemerkt als resultaat van de op basis van die toevoeging verleende rechtsbijstand. Het resultaat van die rechtsbijstand is het aanvullende echtscheidingsconvenant van 10 juli 2014, waarin geen nieuwe of andere afspraken zijn gemaakt over de bankrekeningen van de kinderen en de nalatenschap. Van een directe relatie tussen de verleende rechtsbijstand en de ongewijzigd gebleven afspraken over de bankrekeningen van de kinderen en de nalatenschap is niet gebleken. De betreffende afspraken maakten geen onderdeel uit van het latere geschil en zijn onverminderd blijven gelden. Dat het echtscheidingsconvenant wellicht geheel of gedeeltelijk zou worden ontbonden als [appellant sub 2] niet zou worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor een van de hypothecaire leningen, leidt niet tot een ander oordeel.

8.3.    Anders dan de rechtbank is de Afdeling daarom van oordeel dat de raad het echtscheidingsconvenant van 2 december 2013 ten onrechte bij de resultaatbeoordeling heeft betrokken.

    Het betoog van [appellant sub 2] slaagt.

8.4.    Dat brengt mee dat de betogen van de Raad, die ervan uitgaan dat dit echtscheidingsconvenant dient te worden betrokken bij de resultaatbeoordeling, reeds daarom falen.

Eindoordeel

9.    Het hoger beroep van de raad is ongegrond.

10.    Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] is gegrond. Nu echter de beslissing van de rechtbank dat de raad de toevoeging niet heeft mogen intrekken, juist is, dient de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

11.    De raad dient ten aanzien van [appellant sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten, bestaande uit de reiskosten die zij heeft gemaakt om ter zitting te verschijnen, te worden veroordeeld. De Afdeling ziet geen aanleiding daarbij af te wijken van het uitgangspunt dat een vergoeding wordt toegekend voor een reis per openbaar vervoer. Met het argument dat de reis per auto sneller is, heeft [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat reizen met het openbaar vervoer niet of niet voldoende mogelijk is.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt het bestuur van de raad voor rechtsbijstand tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 46,17 (zegge: zesenveertig euro en zeventien cent);

III.    bepaalt dat van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand een griffierecht van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.G. de Vries-Biharie, griffier.

w.g. Hagen    w.g. De Vries-Biharie

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2018

611.