Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:3308

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-12-2016
Datum publicatie
14-12-2016
Zaaknummer
201601375/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:352, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juni 2015 heeft de raad de aanvraag om vergoeding van extra uren rechtsbijstand ten behoeve van [appellant A] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601375/1/A2.

Datum uitspraak: 14 december 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], wonend te [woonplaats], en [appellant B], kantoorhoudend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 januari 2016 in zaak nr. 15/7626 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand.

Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2015 heeft de raad de aanvraag om vergoeding van extra uren rechtsbijstand ten behoeve van [appellant A] afgewezen.

Bij besluit van 18 september 2015 heeft de raad het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 januari 2016 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant A] en [appellant B] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 november 2016, waar [appellant A] en [appellant B], vertegenwoordigd door mr. D. Dekker, advocaat te Wijchen, en de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Doets, werkzaam bij de raad, zijn verschenen.

Overwegingen

1. In de toelichting op de aanvraag heeft [appellant A] gesteld dat hij tot 2009 werkzaam was als veldtechnicus. Sinds de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg (hierna: de Wamz) en het daarop gebaseerde Besluit archeologische monumentenzorg dient degene die daadwerkelijk leiding geeft aan het doen van opgravingen te beschikken over een getuigschrift van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs op het terrein van de archeologie. In de aanloop naar de implementatie van de Wamz heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de beleidsregel opleidingsbevoegdheid uitgevaardigd op grond waarvan de opgravingswerkzaamheden door de vergunninghouder kunnen worden uitbesteed aan een derde, mits de werkzaamheden worden uitgevoerd volgens de in de beroepsgroep geldende normen. Deze normen zijn neergelegd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (hierna: de KNA) en vallen onder verantwoordelijkheid van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (hierna: de SIKB). Ingevolge de KNA moet niet alleen degene die daadwerkelijk leiding geeft aan opgravingen beschikken over een getuigschrift van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs op het terrein van de archeologie, maar iedereen die archeologische werkzaamheden uitvoert. Als gevolg hiervan mocht een deel van de werknemers, waaronder [appellant A], zijn werkzaamheden niet meer uitvoeren. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de SIKB onrechtmatig heeft gehandeld waarna een overgangsregeling is onderzocht en een alternatief kwalificatiesysteem, het EVC-traject, is opgezet om werknemers in de gelegenheid te stellen om alsnog het vereiste opleidingsniveau te behalen.

De raad heeft aan [appellant A] een toevoeging verleend ten behoeve van 33 uren rechtsbijstand door [appellant B] voor het voeren van een civielrechtelijke procedure tegen de SIKB vanwege het onjuist toepassen van regelgeving inzake de uitvoering van archeologisch onderzoek en het niet zorgdragen voor een overgangsregeling, als gevolg waarvan hij inkomensschade heeft geleden. Op 19 mei 2015 heeft [appellant B] een verzoek ingediend om toekenning van 15 extra uren rechtsbijstand. De raad heeft dit verzoek bij het besluit van 9 juni 2015 afgewezen, omdat niet is gebleken dat er sprake is van een bijzondere rechtsvraag of juridisch relevant feitencomplex als gevolg waarvan de zaak niet in redelijkheid binnen de tijdgrens kan worden afgehandeld. Dat er uitgebreid moet worden gecommuniceerd met de cliënt en dat gemachtigde zich uitgebreid moet inlezen resulteert niet automatisch in een toekenning van extra uren, aldus de raad. Tegen de afwijzing van het verzoek hebben [appellant A] en [appellant B] bezwaar gemaakt en beroep ingesteld.

2. Tussen partijen is in geschil of de raad het verzoek om toekenning van extra uren rechtsbijstand terecht heeft afgewezen, omdat er geen sprake is van feitelijke of juridische complexiteit.

3. De rechtbank heeft deze vraag bevestigend beantwoord en heeft daartoe overwogen dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de zaak niet zodanig juridisch of feitelijk complex is dat deze niet binnen de reeds toegekende 33 uren kan worden afgerond. Geschillen waarbij voor betrokkenen onbekende regelgeving van zowel de rijksoverheid als decentrale overheden moet worden bestudeerd zijn niet uitzonderlijk. De raad heeft tevens mogen oordelen, gelet op de hem toekomende beoordelingsvrijheid, dat de verhouding tussen het bestede aantal uren aan contacten, dossierstudie en (andere) juridische werkzaamheden van dien aard is, dat deze werkzaamheden moeten worden geacht te kunnen worden gedaan binnen de reeds toegekende 33 uren. Overeenkomstig vaste jurisprudentie van de Afdeling mocht de raad daarbij betrekken dat niet iedere overschrijding van het reeds toegekende aantal uren resulteert in honorering van het verzoek om extra uren, nu er sprake is van een forfaitair systeem van toekenning van vergoedingen, aldus de rechtbank.

4. [appellant A] en [appellant B] kunnen zich niet met het oordeel van de rechtbank verenigen en betogen dat de rechtbank het uitzonderlijk karakter van het geschil niet heeft onderkend nu niet enkel voor betrokkenen onbekende regelgeving van centrale en decentrale overheden diende te worden bestudeerd, maar tevens regelgeving van zelfstandige bestuursorganen en regelgeving met betrekking tot de werking en totstandkoming van EVC-trajecten alsmede overgangsregelingen. Het EVC-traject in geschil is uniek, omdat een dergelijk traject nog niet eerder op academisch niveau is toegepast. Tevens diende de vormgeving en de wijze van totstandkoming van deze specifieke EVC-regeling te worden onderzocht, zodat kon worden beoordeeld of was voldaan aan het gebod zoals neergelegd in het vonnis van de voorzieningenrechter. Een veelheid aan juridisch relevante feiten kan een zaak feitelijk ingewikkeld maken, zoals de Commissie voor Bezwaar van de raad in haar advies aan de raad terecht heeft overwogen. Aan de hand van concrete omstandigheden dient te worden beoordeeld of een geschil al dan niet uitzonderlijk is, zodat de rechtbank daar niet zonder motivering vanuit kan gaan.

[appellant A] en [appellant B] betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte en zonder nadere motivering heeft overwogen dat de verhouding tussen het bestede aantal uren aan contacten, dossierstudie en (andere) juridische werkzaamheden van dien aard is dat deze werkzaamheden moeten worden geacht te kunnen worden verricht binnen de reeds toegekende uren. Hoewel de raad een zekere beoordelingsvrijheid toekomt, blijkt uit de Werkinstructies extra uren van de raad niet dat de verdeling van het aantal uren over de te verrichten werkzaamheden van invloed is op het al dan niet toekennen van extra uren, zodat dit in de beoordeling geen rol mag spelen.

Voor zover de rechtbank heeft overwogen dat het forfaitaire karakter van het toevoegingsstelsel zich verzet tegen een toekenning van extra uren bij iedere overschrijding van het reeds verleende aantal uren, stellen [appellant A] en [appellant B] zich op het standpunt dat deze overweging, zonder nadere motivering, onbegrijpelijk is. Het kan niet de basis vormen voor de conclusie dat in dit geschil de toekenning van extra uren moet worden afgewezen, aldus [appellant A] en [appellant B].

4.1. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: het Bvr) wordt, indien in een procedure de tijdsbesteding aan de verlening van rechtsbijstand uitgaat boven het aantal uren dat gelijk is aan drie maal het aantal punten dat in de bijlage voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak of op grond van artikel 6 is bepaald, voor elk uur waarin boven voornoemde grens rechtsbijstand wordt verleend, één punt toegekend mits het bestuur de begroting van de tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid van artikel 31, heeft goedgekeurd. Ingevolge artikel 31, eerste lid, dient de rechtsbijstandverlener bij het bereiken van de in artikel 13 bedoelde tijdgrens een aanvraag in bij het bestuur tot vaststelling van de vergoeding voor de verrichte werkzaamheden. Tegelijkertijd legt hij een begroting over met betrekking tot de tijdsbesteding van de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden. Ingevolge het tweede lid stemt het bestuur geheel of gedeeltelijk in met de begroting, bedoeld in het eerste lid, indien het van oordeel is dat de rechtsbijstand doelmatig wordt verleend.

Volgens de Werkinstructies extra uren kan in een klein aantal gevallen van de advocaat in redelijkheid niet worden verwacht dat hij een heel complexe zaak binnen de tijdgrens van het forfait afhandelt. Voor deze uitzonderlijke gevallen kan toestemming worden gevraagd om meer uren aan de zaak te mogen besteden. De extra uren moeten doelmatig worden besteed, waarbij onder ‘doelmatig’ wordt verstaan dat de zaak een zodanig karakter moet hebben dat de behandeling ervan in redelijkheid niet binnen de tijdgrens heeft kunnen plaatsvinden en dat de rechtsbijstandverlening in verhouding moet staan tot het belang waarvoor de toevoeging is afgegeven (proportionaliteitsbeginsel). Het criterium ‘doelmatig’ is in het Bvr gekoppeld aan de ‘feitelijke en/of juridische complexiteit’ van de zaak. Een zaak is feitelijk gecompliceerd als sprake is van een omvangrijk juridisch relevant feitencomplex, bijvoorbeeld uitvoerige inhoudelijke correspondentie, een bijzonder en/of langdurig procesverloop met een groot aantal zittingen of noodzakelijk overleg met een deskundige. Er is sprake van juridische complexiteit als er bijzondere rechtsvragen zijn, die zelden voorkomen in soortgelijke zaken. De tijd die bij bijzondere rechtsvragen wordt besteed aan studie van specifiek op de zaak toegespitste literatuur, wet- en regelgeving en jurisprudentie komt voor vergoeding in aanmerking. Het enkel ontbreken van deskundigheid van de advocaat, waardoor hij meer tijd aan de zaak moet besteden, maakt de zaak niet juridisch complex dan wel bewerkelijk.

4.2. De aanvrager van een verzoek om extra uren beroept zich op een uitzonderingssituatie, waardoor het aan hem is om aannemelijk te maken dat sprake is van een bewerkelijke zaak die toekenning van een vergoeding van extra uren rechtvaardigt.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de zaak niet zodanig juridisch of feitelijk complex is dat deze niet binnen de reeds toegekende 33 uren kan worden afgedaan. Het door [appellant A] en [appellant B] in hoger beroep gestelde, dat de rechtbank het uitzonderlijk karakter van het geschil niet heeft onderkend nu zij slechts de regelgeving van centrale en decentrale overheden in aanmerking heeft genomen zonder acht te slaan op de eveneens bestudeerde regelgeving van zelfstandige bestuursorganen en regelgeving inzake de werking en totstandkoming van EVC-trajecten alsmede overgangsregelingen, kan niet slagen. [appellant A] en [appellant B] hebben ter onderbouwing van hun betoog een urenspecificatie overgelegd. Uit deze specificatie blijkt dat 15 uren zijn besteed aan (e-mail)contacten met rechtzoekende en derden, 10 uren aan dossierstudie en ongeveer 3,5 uren aan juridische werkzaamheden, bestaande uit het opstellen van een advies, een schadeberekening en een dagvaarding. Uit deze specificatie blijkt niet hoeveel uren gemoeid zijn geweest met de bestudering van voornoemde regelgeving, aangezien de werkzaamheden niet nader zijn gespecificeerd. [appellant A] en [appellant B] hebben slechts in algemene bewoordingen aangevoerd dat veel regelgeving diende te worden bestudeerd en onderling overleg diende te worden gevoerd. Nu zij hun standpunt niet met nadere stukken hebben onderbouwd en geen toelichting hebben gegeven op de relevantie van de bestudering van al die regelgeving zijn er onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de bestudering van de hoeveelheid regelgeving de zaak dusdanig uitzonderlijk maakt dat zij als juridisch of feitelijk complex dient te worden aangemerkt. De enkele stelling dat het EVC-traject uniek is, omdat een dergelijk traject nog niet eerder op academisch niveau is toegepast, is daartoe onvoldoende. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de raad de verdeling van het aantal uren over de werkzaamheden in aanmerking heeft kunnen nemen. Hoewel uit de Werkinstructies extra uren niet blijkt dat deze verdeling van invloed is op de toekenning van extra uren, heeft de raad de tijdsbesteding aan de diverse werkzaamheden niet in verhouding mogen achten en derhalve niet doelmatig in het licht van artikel 31, tweede lid, van het Bvr. De raad heeft terecht overwogen dat de omstandigheid dat intensief overleg wordt gevoerd door partijen de zaak tijdrovend maakt, maar daarmee nog niet bewerkelijk. Zoals de raad terecht heeft gesteld, hebben [appellant A] en [appellant B] ook de relevantie van alle (e-mail)contacten niet duidelijk gemaakt. Het had op de weg van [appellant A] en [appellant B] gelegen om hier nader inzicht in te verschaffen. Nu zij dit hebben nagelaten, moeten de werkzaamheden worden geacht te kunnen worden verricht binnen de reeds toegekende uren. Dit geldt temeer nu voor de toevoeging al een hoog aantal punten is toegekend. Het door [appellant A] en [appellant B] gestelde, dat het forfaitaire karakter van het toevoegingsstelsel in dit geval niet de basis kan vormen voor de afwijzing van extra uren, kan daarom geen stand houden.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. van Zanten, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2016

97-834.