201305308/1/A1.
Datum uitspraak: 16 april 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Doesburg,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 7 mei 2013 in zaak nr. 11/5136 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Doesburg.
Procesverloop
Bij besluit van 27 januari 2011 heeft het college op verzoek van [appellant] [partij] onder oplegging van een dwangsom gelast de erfafscheiding op het perceel [locatie 1], te Doesburg (hierna: het perceel) te verwijderen.
Bij besluit van 11 oktober 2011 heeft het college het door [partij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, besloten de erfafscheiding, alsmede overige bestaande bebouwing op het perceel, tot herziening van het bestemmingsplan, te gedogen en de last onder dwangsom ingetrokken.
Bij tussenuitspraak van 2 oktober 2012 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld het gebrek dat aan het besluit van 11 oktober 2011 kleeft te herstellen met inachtneming van hetgeen de rechtbank heeft overwogen.
Bij uitspraak van 7 mei 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 oktober 2011 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[partij] heeft daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 februari 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. E.T. Stevens, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand, is verschenen. Voorts is daar [partij], vertegenwoordigd door mr. A.M.H. Dellaert, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, gehoord.
Overwegingen
1. Het geschil heeft betrekking op een begroeid hekwerk en een houten schutting (hierna: het hekwerk), voor zover deze staat op gronden in eigendom van het Waterschap Rijn en IJsel (hierna: het Waterschap), die doorloopt tot aan de oever aan de achterzijde van het perceel. [appellant] woont op het naastgelegen perceel [locatie 2].
2. Niet in geschil is dat het hekwerk voor zover deze staat op gronden van het Waterschap vergunningplichtig is en zonder omgevingsvergunning is gebouwd. Evenmin is in geschil dat het hekwerk in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Molenveld en de Ooi". Het college was derhalve bevoegd terzake handhavend op te treden.
3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit in stand heeft gelaten. De rechtbank heeft niet onderkend dat het college het gebrek in het besluit van 11 oktober 2011 niet heeft hersteld en aldus onvoldoende heeft gemotiveerd dat de weigering handhavend op te treden tegen het hekwerk achter het perceel gerechtvaardigd is. In dit kader voert hij aan dat het college te groot gewicht heeft toegekend aan het belang van [partij] bij behoud van dat deel van het hekwerk en de gevolgen daarvan voor hemzelf onjuist heeft beoordeeld.
4.1. Vast staat dat [partij] geen aanvraag om omgevingsvergunning heeft ingediend voor het legaliseren van het hekwerk middels een buitenplanse afwijkingsmogelijkheid als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2˚, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verbinding met artikel 4, aanhef en eerste lid, onder a, van de bij het Besluit omgevingsrecht behorende bijlage II. Niet is in geschil dat hierdoor geen concreet zicht op legalisatie bestaat.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (in onder meer de uitspraak van 8 oktober 2008 in zaak nr. 200708914/1) kunnen bijzondere omstandigheden slechts tot het oordeel leiden dat handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, indien sprake is van incidentele overtredingen en/of overtredingen van geringe ernst. Gelet op het verhandelde ter zitting, de foto's en de intekening van het hekwerk op een kadastrale kaart door het Waterschap, wordt vastgesteld dat het hekwerk een lengte heeft van ongeveer 3 m en, gemeten vanaf de gronden van het perceel [locatie 2], een hoogte heeft van ongeveer 2 m aflopend naar ongeveer 1,2 m richting het water. Gelet hierop heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het hekwerk dat zich op gronden van het Waterschap bevindt minimaal is. Het betreft derhalve geen overtreding van geringe ernst. Het college heeft zich voorts ten onrechte op het standpunt gesteld dat uit de foto's genomen vanuit de woning van [appellant] blijkt dat wel sprake is van enige vermindering van uitzicht op het water, maar dit zeer minimaal is. De Afdeling overweegt dat uit de ter zitting overgelegde foto's naar voren is gekomen dat [appellant] door het hekwerk niet slechts in zeer geringe mate in zijn uitzicht wordt beperkt. De enkele omstandigheid dat de tuin van [partij] bij de waterkant slechts 4,8 m breed is, maakt niet dat de tuin van [appellant] met een breedte van 8 m bij de waterkant mag worden versmald. Derhalve is er geen situatie waarbij handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van handhavend optreden kon worden afgezien. Dat verwijdering van het hekwerk tot gevolg heeft dat daar geen privacy meer bestaat, wat daar ook van zij, betekent niet dat het college dat belang zwaarder mocht laten wegen dan het algemeen belang dat met handhaving is gediend.
In de omstandigheid dat het Waterschap ontheffing heeft verleend voor het plaatsen van het hekwerk, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college in redelijkheid van handhavend optreden kon afzien, reeds omdat de verlening van een ontheffing door het Waterschap een bevoegdheid betreft met een beoordelingskader dat moet worden onderscheiden van de bevoegdheid van het college om een omgevingsvergunning voor de erfafscheiding te verlenen. Voor zover het college zich op het standpunt heeft gesteld dat het bij andere gelijksoortige bouwwerken evenmin handhavend optreedt, zodat het gelijkheidsbeginsel met zich brengt dat het hier niet handhavend kan optreden, wordt overwogen dat van dergelijke gelijksoortige bouwwerken niet is gebleken.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het college in de naar aanleiding van de tussenuitspraak opgestelde aanvullende motivering van 10 januari 2013 op voldoende wijze heeft gemotiveerd waarom de omstandigheid dat [appellant] door de locatie van de erfafscheiding in enige mate wordt benadeeld in zijn zicht op het water niet maakt dat handhavend moest worden opgetreden. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 11 oktober 2011 in stand te laten.
Het betoog slaagt.
5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 11 oktober 2011 in stand zijn gelaten.
6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 7 mei 2013 in zaak nr. 11/5136 voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 11 oktober 2011 in stand zijn gelaten;
III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Doesburg tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Doesburg aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van staat.
w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Oudenaller
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2014
270-789.