200004052/1.
Datum uitspraak: 7 november 2001
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
burgemeester en wethouders van Brunssum,
appellanten,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 29 juni 2000 in het geding tussen:
de stichting Stichting Wonen Brunssum, gevestigd te Brunssum
en
appellanten.
1. Procesverloop
Bij besluiten van 31 augustus 1998, 7 september 1998 en 9 september 1998 hebben appellanten de stichting Stichting Wonen Brunssum (hierna: de stichting) gelast de inboedel van een vijftal door de deurwaarder te ontruimen woningen terstond te verwijderen, zodra deze uit het huis is gebracht en op straat is gezet. Daarbij is de stichting medegedeeld dat indien dit niet gebeurt, appellanten 2 uur na de uitzetting de op de weg geplaatste goederen door een gespecialiseerd bedrijf op haar kosten zullen doen verwijderen en laten opslaan, waarbij de kosten van verwijdering en opslag afhankelijk van de hoeveelheid inboedel die aan de weg wordt gezet, worden bepaald.
Bij besluit van 9 februari 1999 hebben appellanten het daartegen door de stichting gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie voor de Bezwaarschriften van 2 december 1998, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 29 juni 2000, verzonden op 14 juli 2000, heeft de arrondissementsrechtbank te Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door de stichting ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de primaire besluiten van appellanten van 31 augustus 1998,
7 september 1998 en 9 september 1998 herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht. [redactie: url('AA6748',http://www.rechtspraak.nl/uitspraak/show_detail.asp?ui_id=20398)]
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij op 24 augustus 2000 bij de Raad van State ingekomen faxbericht hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 18 september 2000. Deze stukken zijn aangehecht.
Bij brief van 10 mei 2001 hebben de stichting Woonservice Het Adres, rechtsopvolgster van de stichting, en de vereniging Aedes van antwoord gediend. Ter zitting heeft de vereniging Aedes haar verzoek om als belanghebbende partij aan het geding deel te nemen alsnog ingetrokken.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 september 2001, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. M. Geertsema, werkzaam bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, en H.J.L. Kockelkoren en
T.G.J. Ciszko, ambtenaren der gemeente, en de stichting en de vereniging Aedes, vertegenwoordigd door mr. R.H.J. van der Wart, advocaat te Leiden, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Aanleiding voor de preventieve bestuursdwangaanschrijvingen waren de schriftelijke mededelingen van de deurwaarder aan appellanten dat uit hoofde van rechterlijke vonnissen tot ontruiming van de vijf woningen zou worden overgegaan op nader genoemde dagen en tijdstippen.
2.2. Uit de stukken blijkt dat appellanten met ingang van 1 mei 1998 een nieuw beleid voeren met betrekking tot huisuitzettingen. Dit beleid houdt in dat zij preventieve bestuursdwangaanschrijvingen tot verwijdering van in strijd met de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV) op straat geplaatste inboedels niet langer alleen aan de eigenaren van de inboedels - de huurders - richten, maar tevens aan de betrokken verhuurders. Appellanten willen hiermee voorkomen dat de kosten van verwijdering en opslag voor hun rekening komen. Zij hebben de stichting in april 1998 van het nieuwe beleid op de hoogte gesteld.
2.3. Artikel 2.1.5.1 van de APV - voor zover hier van belang - bepaalt:
1. Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders de weg of een weggedeelte te gebruiken anders dan overeenkomstig te bestemming daarvan.
2. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op:
(...)
c. De voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is.
2.4. De Afdeling is van oordeel dat het op straat plaatsen en daar laten staan van een veelal uit losse voorwerpen van niet geringe omvang bestaande inboedel niet als gebruik van de weg overeenkomstig haar bestemming kan worden aangemerkt, zodat een dergelijke handeling onder het verbod van het eerste lid valt. Van laden en lossen als bedoeld in het tweede lid onder c is geen sprake.
Vast staat dat appellanten niet over een vergunning beschikten.
2.5. Op het moment dat bestuursdwang werd aangezegd had overtreding van artikel 2.1.5.1 van de APV nog niet plaatsgevonden. Hoewel artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) niet met zoveel woorden voorziet in de mogelijkheid van een preventieve bestuursdwangaanschrijving, kan een dergelijk besluit volgens vaste jurisprudentie worden genomen, indien sprake is van klaarblijkelijk gevaar van een op zeer korte termijn te verwachten overtreding van een concreet bij of krachtens de wet gesteld voorschrift.
2.6. Appellanten staan op het standpunt dat, gelet op de mededelingen van de deurwaarder en het feit dat de stichting appellanten reeds in april 1998 schriftelijk heeft laten weten aan het nieuwe beleid geen medewerking te zullen verlenen, gevaar voor overtreding op korte termijn van
artikel 2.1.5.1 van de APV klaarblijkelijk was. De rechtbank heeft dit standpunt terecht onderschreven. Appellanten waren derhalve bevoegd tot het preventief aanzeggen van bestuursdwang. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is de vraag of door de overtreding ernstige schade zal ontstaan voor het vaststellen van de bevoegdheid om preventief handhavend op te treden niet van belang.
2.7. Appellanten hebben voorts de aanschrijving terecht aan de stichting gericht. Dat de stichting bij de ontruiming slechts een bij voorraad uitvoerbaar verklaard vonnis ten uitvoer doet leggen, laat onverlet dat zij als overtreedster van artikel 2.1.5.1 van de APV dient te worden aangemerkt. Zij geeft immers opdracht tot de ontruiming, waarbij de inboedel op straat komt te staan. Wat er ook zij van de omstandigheid dat de stichting door de rechter gedwongen kan worden tot ontruiming over te gaan - bijvoorbeeld bij overlast -, deze situatie doet zich hier niet voor. Appellanten hebben overigens te kennen gegeven in een dergelijk geval te overwegen de aan de toepassing van bestuursdwang verbonden kosten niet of slechts in beperkte mate op de stichting te verhalen.
2.8. De rechtbank heeft ten onrechte belang gehecht aan het feit dat de stichting het niet in haar macht heeft de overtreding te (doen) beëindigen, omdat zij noch eigenaresse is van de inboedel noch tegen haar wil als zaakwaarneemster daarvan kan optreden. Deze omstandigheid doet er evenmin aan af dat de stichting in haar hoedanigheid van overtreedster van de APV ingevolge artikel 5:24, derde lid, van de Awb (preventief) kan worden aangeschreven. Vast staat dat ook de huurders door appellanten zijn aangeschreven. Gelet op artikel 5:24, vierde lid, van de Awb, zijn de belanghebbenden er zelf verantwoordelijk voor het nodige te doen om te voorkomen dat de bestuursdwang ten uitvoer zal worden gelegd.
2.9. Appellanten hebben zich met juistheid op het standpunt gesteld dat geen sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat geoordeeld moet worden dat zij niet in redelijkheid hebben kunnen besluiten tot de preventieve bestuursdwangaanschrijvingen. Gezien de gevaren voor verkeersveiligheid en openbare orde die het op straat achterlaten van een inboedel kan opleveren, is het niet onaanvaardbaar te achten dat appellanten niet bereid zijn daarvoor een vergunning te verlenen.
2.10. Nu de stichting, zoals eerder overwogen, als overtreedster dient te worden aangemerkt, is zij, gelet op artikel 5:25 van de Awb, de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang verschuldigd. De stichting heeft betoogd dat deze kosten ten laste van de gemeenschap behoren te komen, omdat deze een gevolg zijn van uitoefening van een wettelijk recht door een non-profit instelling. De Afdeling ziet in dit betoog geen omstandigheid die tot het oordeel leidt dat de kosten redelijkerwijze niet of niet geheel ten laste van de stichting behoren te komen, nu de ontruiming plaatsvindt in het kader van de tussen de stichting en de huurders bestaande huurovereenkomst.
2.11. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep gegrond is. De rechtbank heeft ten onrechte het besluit van 9 februari 1999 vernietigd, het bezwaar gegrond verklaard en de primaire besluiten herroepen. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep bij de rechtbank alsnog ongegrond verklaren.
2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 29 juni 2000, 99/428 GEMWT Z HEM;
II. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door dr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat.
w.g. Hirsch Ballin w.g. Haverkamp
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 7 november 2001
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,