Nederlander die Nederlandse onderneming dagvaart in België met de stelling dat zijn auteursrecht geschonden is door plaatsing van een foto op een Nederlandse website. Kan de voorzieningenrechter een verbod opleggen om te procederen in België?
zaaknummer / rolnummer: C/02/398977 / KG ZA 22-306
Vonnis in kort geding van 25 juli 2022
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ALSARE BV,
statutair gevestigd te Eindhoven, kantoorhoudende te Rotterdam,
eiseres,
advocaat mr. J.A.A. van der Weijst te Gemonde, gemeente Sint-Michielsgestel,
tegen
[naam gedaagde]
,
wonende te Tilburg,
gedaagde,
advocaat mr. R. Brekhoff te Amsterdam.
Partijen zullen hierna Alsare en [naam gedaagde] worden genoemd.
1 De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– de dagvaarding;
– de akte houdende overlegging producties 1 tot en met 9 van Alsare;
– de e-mail van Alsare van 15 juli 2022 met twee producties;
– het proces-verbaal van de zitting van 18 juli 2022;
– de pleitnota van Alsare;
– de pleitnota van [naam gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
2.1.
Alsare is een Nederlandse onderneming die de domeinnaam www.beeldsmid2.nl heeft geregistreerd.
2.2.
[naam gedaagde] is een Nederlandse fotograaf die in opdracht werkt en daarnaast autonoom werken aan geïnteresseerden verkoopt.
2.3.
Op enig moment heeft een foto van een vrouw met hoofdoek, schrijvend aan een ronde tafel (hierna: de foto), op de website van Alsare gestaan.
2.4.
[naam gedaagde] stelt dat hij de rechthebbende is van de foto en dat Alsare zijn auteursrecht heeft geschonden. [naam gedaagde] heeft Alsare daarom gedagvaard om op 28 juni 2022 te verschijnen voor de Ondernemingsrechtbank Antwerpen te België.
2.5.
De Belgische advocaten van Alsare en [naam gedaagde] zijn een minnelijke conclusiekalender overeengekomen op grond waarvan Alsare op 12 augustus 2022 een conclusie dient te nemen bij de Ondernemingsrechtbank Antwerpen te België.
3 Het geschil
3.1.
Alsare vordert – samengevat – primair [naam gedaagde] te bevelen om binnen 24 uur na betekening van het vonnis de procedure tegen Alsare in België in te trekken, ingetrokken te houden en geen nieuwe procedure in België aanhangig te maken op straffe van een dwangsom van € 100.000,00 per dag(deel), subsidiair [naam gedaagde] te veroordelen tot het verrichten en nalaten van zodanige handelingen als de voorzieningenrechter geraden acht en zowel primair als subsidiair [naam gedaagde] te veroordelen in de integrale – subsidiair forfaitaire – proceskosten te vermeerderen met de nakosten en wettelijke rente.
3.2.
Alsare legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [naam gedaagde] onrechtmatig jegens haar handelt door in België een procedure te starten terwijl de Belgische rechter absoluut onbevoegd is om van de zaak kennis te nemen. Om verdere advocaatkosten in België te voorkomen heeft Alsare [naam gedaagde] in kort geding gedagvaard.
3.3.
[naam gedaagde] voert verweer. Hij stelt primair dat de voorzieningenrechter op grond van Europese rechtspraak onbevoegd is om van de vordering kennis te nemen, subsidiair dat Alsare niet-ontvankelijk dient te worden verklaard vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang en meer subsidiair dat de vorderingen van Alsare dienen te worden afgewezen, omdat toewijzing een ongeoorloofde beperking inhoudt van het fundamentele recht op toegang tot de rechter en de Ondernemingsrechtbank Antwerpen bovendien wel degelijk bevoegd is.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
4.1.
Aangezien beide partijen hun woonplaats hebben in Nederland, waarbij gedaagde, [naam gedaagde] , zijn woonplaats heeft binnen het arrondissement van deze rechtbank, is de voorzieningenrechter van deze rechtbank bevoegd.
4.2.
Gelet op het feit dat de procedure in België staat voor conclusie van Alsare op 12 augustus 2022, is ook het spoedeisend belang van Alsare bij deze zaak gegeven. Dat Alsare wellicht de bevoegdheid van de Ondernemingsrechtbank Antwerpen ter discussie had kunnen stellen op de inleidende zitting, zoals [naam gedaagde] stelt en Alsare betwist, doet daar – ook indien juist – niet aan af.
4.3.
Alsare is gevestigd in Nederland en [naam gedaagde] woont in Nederland. De foto waar het geschil over gaat is door Alsare in Nederland geplaatst op een website met een Nederlandse domeinnaam. Gelet hierop kan erover worden getwist of Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (verder: Brussel I bis) – waar [naam gedaagde] de bevoegdheid van de Ondernemingsrechtbank Antwerpen op baseert – wel van toepassing is. De zaak heeft namelijk kenmerken van een zuiver interne aangelegenheid, terwijl voor de toepassing van de bevoegdheidsregels van Brussel I bis is vereist dat de zaak een internationaal karakter heeft (vgl. HvJ EG 1 maart 2005, ECLI:EU:C:2005:120, C-281/02 (Owusu), r.o. 25 e.v. en HvJ EU 14 november 2013, ECLI:EU:2013:735, C-478/12 r.o. 26 e.v.). [naam gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat de enige reden dat de zaak in België aanhangig is gemaakt, is gelegen in het feit dat hij een contractuele relatie heeft met een internationaal adviesbureau dat auteursrechtschendingen opspoort en dat op haar beurt weer een overeenkomst heeft met een Belgisch advocatenkantoor. Omdat de website en daarmee de foto ook in België raadpleegbaar waren, is ook de Belgische rechter bevoegd, aldus [naam gedaagde] .
4.4.
De voorzieningenrechter kan er niet aan voorbij gaan dat de procedure in België aanhangig is gemaakt met een beroep op Brussel I bis. De Belgische rechter zal moeten toetsen of zij op grond daarvan bevoegd is. Het Europeesrechtelijke bevoegdheidsrecht is gegrond op het vertrouwen van de lidstaten in elkaars rechtssystemen en gerechtelijke instanties. Volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof van Justitie staat dit wederzijds vertrouwen eraan in de weg dat de rechter van de ene lidstaat de bevoegdheid van een rechter in een andere lidstaat toetst. Het Europeesrechtelijk bevoegdheidsrecht verzet zich er eveneens tegen dat een rechtbank van een lidstaat een partij in een bij haar aanhangige procedure een verbod oplegt een rechtsvordering in te stellen of voort te zetten bij een rechtbank van een andere lidstaat (vgl. HvJ EG 27 april 2004, ECLI:EU:C:2004:228 (Turner)). Die rechtspraak is gewezen onder het EEX-Verdrag, een rechtsvoorganger van Brussel I bis, maar heeft zijn gelding behouden aangezien de bepalingen van deze Unierechtelijke instrumenten als gelijkwaardig kunnen worden aangemerkt.
4.5.
Gelet hierop zal de voorzieningenrechter de vorderingen van Alsare afwijzen. Omdat Alsare in het ongelijk wordt gesteld, zal zij in de proceskosten van dit kort geding van [naam gedaagde] worden veroordeeld. De vordering van Alsare tot veroordeling van [naam gedaagde] in de integrale proceskosten zal daarom ook worden afgewezen.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt Alsare in de proceskosten, aan de zijde van [naam gedaagde] gevallen en tot op heden begroot op € 970,00,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Hermans en in het openbaar uitgesproken op