Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2019:5064

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-11-2019
Datum publicatie
28-11-2019
Zaaknummer
BRE 19_697
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser stelt dat de aanvraag door een derde om een omgevingsvergunning door het college had moeten worden afgewezen op grond van de Wet Bibob. De rechtbank oordeelt dat het relativiteitsbeginsel in de weg staat aan vernietiging van het bestreden besluit op deze door eiser aangevoerde grond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/697 GEMWT

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 november 2019 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 16 april 2018 (primair besluit) heeft het college aan de heer [naam vergunninghouder] na een daartoe strekkende aanvraag een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen, teneinde een eerder gerealiseerde verhoging van het dak van de woning aan de [adres 2] te [plaatsnaam] te legaliseren.

In het besluit van 13 maart 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 8 oktober 2019.

Eiser was aanwezig. Namens het college was mr. M. van der Meer aanwezig.

Overwegingen

1. Eiser woont aan de [adres 2] te [plaatsnaam] . Eisers woning is gelegen direct naast de woning aan de [adres 2] te [plaatsnaam] .

Op 4 oktober 2016 heeft eiser het college verzocht handhavend op te treden tegen overtredingen op het perceel [adres 2] te [plaatsnaam] . Volgens eiser was onder meer sprake van een overtreding doordat de berging en het dak van de woning zonder vergunning zijn verhoogd.

De woning aan de [adres 2] was op dat moment eigendom van de heer [naam eigenaar] .

Bij besluit van 28 maart 2017 heeft het college eisers verzoek om handhaving ten aanzien van de verhoging van de berging toegewezen. Hoewel de overtreding kan worden gelegaliseerd, is van een concreet zicht op legalisatie geen sprake, omdat [naam eigenaar] weigerde een aanvraag ter legalisering in te dienen. Het verzoek om handhaving ten aanzien van de verhoging van het dak is afgewezen. Daarbij heeft het college erop gewezen dat het dak van de woning aan de [adres 2] zo’n 15 centimeter hoger ligt dan de daken van de overige woningen in de rij. Voor de verhoging van het dak is nooit een vergunning verleend, terwijl het verhogen van het dak niet vergunningvrij kon worden gerealiseerd. Er is dan ook sprake van een overtreding. Op grond van het bestemmingsplan mag ter plaatse gebouwd worden tot een hoogte van 9.00 meter. Het dak van de woning blijft ook met de verhoging ónder deze maximaal toegestane hoogte. Wanneer ter legalisatie van deze overtreding een vergunning wordt aangevraagd, dan kan de aanvraag dan ook niet op grond van het bestemmingsplan geweigerd worden. Er is volgens het college daarom sprake van een concreet zicht op legalisatie op grond waarvan van handhavend optreden moet worden afgezien.

Op 9 oktober 2017 is de woning aan de [adres 2] executoriaal geveild, waarna de eigendom ervan is overgedragen aan de familie [naam vergunninghouder] .

Op 14 maart 2018 heeft [naam vergunninghouder] een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen om daarmee de verhoging van het dak te legaliseren.

Bij het primaire besluit heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning aan [naam vergunninghouder] verleend.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en daarbij aangevoerd dat het college ten onrechte de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) niet heeft toegepast bij deze aanvraag. De verbouwing van de woning, waaronder ook de verhoging van het dak, is volgens eiser gefinancierd met crimineel geld. Hij heeft er daarbij op gewezen dat er in 2015 een hennepstekkerij is aangetroffen in de woning aan de [adres 2] .

Eiser heeft zijn bezwaar toegelicht tijdens de hoorzitting van 8 januari 2019 van de commissie voor de bezwaarschriften.

Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiser onder verwijzing naar en met overneming van het advies van de commissie ongegrond verklaard. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat de familie [naam vergunninghouder] bij een openbare executieveiling de woning heeft verworven, terwijl de woning oorspronkelijk toebehoorde aan een persoon met een mogelijk crimineel verleden, niet tot de conclusie leidt dat ten aanzien van deze kopers een risico-inschatting op grond van de Wet Bibob geboden is. Daarnaast doen geen van de in het beleid genoemde situaties voor het uitvoeren van een Bibob-onderzoek zich voor.

2. Eiser heeft in beroep, samengevat, aangevoerd dat het college bij de beoordeling van de aanvraag ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten dat de verhoging van het dak door de vorige eigenaar van de woning is gerealiseerd met geld uit criminele activiteiten. Het college had de aanvraag op grond van de Wet Bibob moeten afwijzen. Door de vergunning te verlenen faciliteert het college witwassen. Eiser vreest dat, wanneer de vergunningverlening stand houdt, het college ook zal overgaan tot het legaliseren van de verhoging van de berging.

3.1

In artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is het relativiteitsbeginsel opgenomen.

Artikel 8:69a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

3.2.

Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo bepaalt – kort gezegd – dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien het bouwplan niet voldoet aan: (a) het bouwbesluit, (b) de bouwverordening (c) het bestemmingsplan of (d) de redelijke eisen van welstand.

Artikel 2.20, eerste lid, van de Wabo, bepaalt voor zover thans van belang, dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, het bevoegd gezag de omgevingsvergunning in andere gevallen dan bedoeld in artikel 2.10, slechts kan weigeren in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob, (…).

Artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob bepaalt dat voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, zij kunnen weigeren een aangevraagde beschikking te geven, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

b. strafbare feiten te plegen.

4. Voordat de rechtbank kan toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de gronden van eiser, moet de rechtbank eerst beoordelen of de regels waarop eiser zich beroept strekken tot de bescherming van eisers belangen. Als die regels niet bedoeld zijn om eisers belangen te beschermen, dan kan het bestreden besluit niet op grond van die regels worden vernietigd, ook niet als eisers gronden inhoudelijk zouden kunnen slagen.

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3 van de Wet Bibob (Kamerstukken II 1999/2000, 26 883, nr. 3, blz. 2) blijkt dat met dit artikel is beoogd te voorkomen dat de overheid door middel van bestuurlijke besluitvorming, zoals vergunningverlening, ongewild criminele activiteiten faciliteert. Criminele organisaties zijn in bepaalde gevallen afhankelijk van bestuurlijke besluitvorming voor de continuering en afscherming van criminele activiteiten. Zo kunnen met behulp van vergunningen dekmantelbedrijven worden opgezet en illegale transporten worden uitgevoerd. Dit leidt tot oneerlijke concurrentie, het opbouwen van machtsposities met witgewassen geld en verwevenheid van de onder- en bovenwereld. Tevens komen openbare belangen zoals dat van het milieu, de verkeersveiligheid en de volksgezondheid in het geding. Niet op de laatste plaats wordt schade aangericht aan de integriteit van de overheid, aldus de wetgeschiedenis.

Uit het voorgaande volgt dat artikel 3 van de Wet Bibob strekt tot bescherming van het algemene belang bij het voorkomen dat de overheid ongewild criminele activiteiten faciliteert. De rechtbank wijst daarbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 februari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:638).

Ter zitting heeft eiser naar voren gebracht dat hij een groot rechtsgevoel heeft. De rechtstaat wordt ondermijnd als het college witwassen faciliteert door, wanneer een met crimineel geld verbouwde woning aan een stroman wordt verkocht, vervolgens ter legalisering van die verbouwingen vergunningen te verlenen aan die stroman. Ook in dit geval heeft de voormalig eigenaar geprobeerd de woning door een stroman te laten aankopen maar is dat niet gelukt. Ondanks dat [naam vergunninghouder] volgens eiser géén stroman van [naam eigenaar] is, faciliteert het college hier witwassen door de Wet Bibob bewust niet toe te passen. Eisers belang is er daarnaast in gelegen dat hij vreest dat het college ook een vergunning zal gaan verlenen voor de verhoging van de berging.

Het algemene belang bestaande uit het voorkomen dat de overheid door bestuurlijke besluitvorming ongewild criminele activiteiten faciliteert, kan niet worden beschouwd als een individueel belang van eiser.

Het individuele belang van eiser om te voorkomen dat een situatie ontstaat die indruist tegen zijn rechtvaardigheidsgevoel en dat ook de verhoging van de berging wordt gelegaliseerd zijn naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig verweven met het algemene belang dat artikel 3 van de Wet Bibob beoogt te beschermen, dat die bepaling geacht moet worden ook te strekken tot bescherming van eisers individuele belangen.

Dat betekent dat het relativiteitsbeginsel in de weg staat aan vernietiging van het bestreden besluit op de door eiser aangevoerde gronden.

Eisers verzoek aan de rechtbank om een getuige op te roepen om deze getuige vervolgens te kunnen horen, is ter zitting afgewezen omdat deze getuige, zo blijkt uit eisers toelichting ter zitting, zou kunnen verklaren omtrent de activiteiten van de heer [naam eigenaar] en een dergelijke verklaring gelet op het voorgaande niet kan bijdragen aan de inhoudelijke beslechting van dit geschil.

In het verlengde daarvan ziet de rechtbank geen aanleiding om het college op grond van artikel 8:45, eerste lid, van de Awb te verplichten nadere stukken, en in het bijzonder de door eiser bij het WOB-verzoek opgevraagde stukken, in te zenden.

5. Nu er geen andere gronden zijn aangevoerd dan wel gebleken die tot de conclusie zouden kunnen leiden dat de omgevingsvergunning ten onrechte is verleend, zal het beroep ongegrond worden verklaard. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van

mr. W.J.C. Goorden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 november 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.