Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:
a. [opkoper] exploiteert een onderneming die zich voornamelijk bezighoudt met het verpakken en leveren van eieren. [opkoper] levert eieren aan supermarkten en aan industriële verwerkingsbedrijven in Nederland en Duitsland. [opkoper] koopt de eieren in bij ongeveer 175 leveranciers.
b. [pluimveehouder] is pluimveehouder. Zijn legbedrijf heeft vier locaties, te weten de locatie [locatienaam 1] , de locatie [locatienaam 2] (met een hok 1 en een hok 3), de locatie [locatienaam 3] (met een hok 1, een hok 2 en een hok 3) en de locatie [locatienaam 4] .
c. [pluimveehouder] levert eieren aan [opkoper] . Die leveringen zijn gebaseerd op een reeks eieraankoopovereenkomsten met een looptijd voor bepaalde tijd. Naar aanleiding van elke levering maakt [opkoper] een afrekening op, waarna het berekende bedrag door [opkoper] aan [pluimveehouder] wordt betaald.
d. In april 2017 heeft [pluimveehouder] de hokken 1 en 2 op de locatie [locatienaam 3] laten reinigen door het bedrijf [bedrijfsnaam] . Naderhand is aan het licht gekomen dat dit bedrijf bij het schoonmaken gebruik heeft gemaakt van het verboden middel fipronil. Sporen van dat middel zijn terug te vinden in de eieren die in de betreffende hokken zijn gelegd.
e. Op of omstreeks 20 juli 2017 is in Nederland de fipronil-crisis uitgebroken. Uit voorzorg heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA) de levering van eieren vanuit de locaties [locatienaam 3] en [locatienaam 1] geblokkeerd. De blokkade is opgeheven op 22 september 2017.
f. [pluimveehouder] heeft tot en met 19 juli 2017 eieren geleverd aan [opkoper] . De leveringen in de weken 29 en 30 van 2017 hebben een berekende waarde van
€ 99.159,28. Verkerend in de veronderstelling dat [pluimveehouder] in die weken besmette eieren aan haar heeft geleverd, heeft [opkoper] dat bedrag niet aan [pluimveehouder] betaald.
g. Bij brief van 10 augustus 2017 heeft [opkoper] [pluimveehouder] aansprakelijk gesteld voor alle kosten en schade die [opkoper] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van levering van besmette eieren en van de blokkade van het productieproces.
h. Vanaf eind september 2017 heeft [opkoper] nieuwe eieraankoopovereenkomsten gesloten met [pluimveehouder] . De daarop gebaseerde leveringen van [pluimveehouder] zijn door [opkoper] betaald.
i. In een gesprek op 23 januari 2018 met [pluimveehouder] heeft de directeur van [opkoper] gesteld dat zijn schade, geleden als gevolg van de fipronil-crisis en toe te rekenen aan leveringen door [pluimveehouder] , een bedrag van € 131.000,- bedroeg. [pluimveehouder] heeft gevraagd om een nadere onderbouwing van dat bedrag.
j. De leveringen door [pluimveehouder] in de weken 9 en 10 van 2018 zijn door [opkoper] berekend op een waarde van € 216.852,95. Ondanks diverse aanmaningen heeft [opkoper] dat bedrag tot op heden niet voldaan.
k. Bij brief van 27 maart 2018 aan [pluimveehouder] heeft [opkoper] haar schade naar aanleiding van de levering van met fipronil besmette eieren door [pluimveehouder] nader berekend op een bedrag van € 432.477,08. Het op dat moment aan [pluimveehouder] toekomende bedrag heeft [opkoper] berekend op een bedrag van
€ 324.703,88. [opkoper] heeft zich tevens beroepen op een aan haar toekomend opschortingsrecht, ook wat betreft toekomstige vorderingen van [pluimveehouder] .
l. Bij brief van 25 mei 2018 heeft [opkoper] haar schade toegelicht met nadere berekeningen en documenten. Het berekende schadebedrag bedraagt dan
€ 436.862,70, welk bedrag als volgt is opgebouwd:
€ 151.251,81 retour eieren t.g.v. fipronil
€ 188.788,50 schade t.g.v. fipronil / niet nakomen overeenkomst
€ 75.000,00 opeisbaar voorschot
€ 19.300,00 terugbetalen logistieke middelen.
m. Bij brief van 27 september 2018 aan [pluimveehouder] heeft [opkoper] de leveringen c.q. eieraankoopovereenkomsten die ten grondslag liggen aan de eierleveringen in de weken 29 en 30 van 2017 buitengerechtelijk ontbonden.