4.1.
Belanghebbende heeft gesteld dat de exploitatie van het gemeenschapshuis volledig btw-belast is en dat de in rekening gebrachte omzetbelasting derhalve volledig aftrekbaar is. Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat de exploitatie van de sporthal, de beugelbaanhal en het horecabedrijf, alsmede de terbeschikkingstelling van de zalen voor kortdurend gebruik, belast zijn met btw. Wat partijen verdeeld houdt zijn de omzetbelastinggevolgen van de terbeschikkingstelling van de zalen voor langdurig gebruik. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat deze terbeschikkingstelling eveneens een btw-belaste activiteit vormt. Volgens de inspecteur is echter sprake van btw-vrijgestelde verhuur.
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie voor de toepassing van de btw elke prestatie normaal gesproken als onderscheiden en zelfstandig moet worden beschouwd (HvJ 27 september 2012, Field Fisher Waterhouse LLP, C-392/11, V-N 2012/52.22, punt 14, alsmede de in dat punt vermelde arresten). Wanneer een handeling – zoals in dit geval – uit verschillende elementen bestaat, rijst evenwel de vraag of zij moet worden geacht te bestaan uit één enkele prestatie dan wel uit meerdere onderscheiden en zelfstandige prestaties die uit het oogpunt van de btw afzonderlijk moeten worden beoordeeld.
4.3.
Om met betrekking de terbeschikkingstelling van de zalen te kunnen beoordelen of het geheel uit het oogpunt van de btw één dienst vormt, moet worden onderzocht of de verrichte handelingen één, niet te splitsen economische dienst vormen, waarvan het kunstmatig zou zijn die uit elkaar te halen, dan wel of zij bestaan uit een hoofddienst waarbij de andere diensten in verhouding tot deze hoofddienst van bijkomende aard zijn (vgl. het hiervoor vermelde arrest Field Fisher Waterhouse LLP, punt 22). Daarbij heeft te gelden dat allereerst moet worden onderzocht of de verrichte diensten één, niet te splitsen economische dienst vormen, waarvan het kunstmatig zou zijn die uit elkaar te halen. Indien hiervan sprake is, moet, indien dat voor de heffing van omzetbelasting van belang is, worden vastgesteld welke dienst aldus wordt verricht. Indien voormeld onderzoek leidt tot de conclusie dat vanuit economisch oogpunt sprake is van het kunstmatig samenvoegen van handelingen en om die reden geen sprake kan zijn van één economische dienst, moet worden onderzocht of van de aldus onderscheiden prestaties één (of meer) daarvan als hoofddienst moet worden aangemerkt en de andere diensten in verhouding tot deze hoofddienst als diensten van bijkomende aard. Indien het laatste het geval is, worden deze bijkomende diensten op dezelfde wijze in de heffing van omzetbelasting betrokken als de hoofddienst. Zo deze naast de (hoofd)dienst verrichte diensten niet van bijkomende aard zijn, worden deze naar hun eigen aard in de heffing betrokken (zie Hoge Raad 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8847).
4.4.1.
Voor samengestelde dienstverlening waarvan de terbeschikkingstelling van onroerende zaken deel uitmaakt, heeft voorts het volgende te gelden. Het Hof van Justitie heeft het begrip verhuur van onroerende goederen in de zin van artikel 13, B, letter b, van de Zesde richtlijn (thans: artikel 135, lid 1, letter l, van de BTW-richtlijn) aldus omschreven, dat verhuur in wezen daarin bestaat dat een verhuurder een huurder voor een overeengekomen tijdsduur en onder bezwarende titel het recht verleent een onroerend goed te gebruiken als ware hij eigenaar ervan en ieder ander van dat genot uit te sluiten. Daarbij neemt het Hof van Justitie tot uitgangspunt dat de verhuur van onroerend goed in de regel een betrekkelijk passieve activiteit is, die enkel verband houdt met het tijdsverloop en geen toegevoegde waarde van betekenis oplevert, en dat deze handeling daarom moet worden onderscheiden van andere activiteiten die ofwel een zakelijk-industrieel en commercieel karakter hebben, ofwel een voorwerp hebben dat beter gekarakteriseerd wordt door het leveren van een prestatie dan door de enkele terbeschikkingstelling van een goed. Het hiervoor bedoelde passieve karakter gaat met name verloren, wanneer de andere elementen van de prestatie waarmee rekening wordt gehouden een meer dan kennelijk bijkomstig karakter hebben ten opzichte van dat deel van de wederprestatie dat met het tijdsverloop verband houdt (vgl. HvJ 18 januari 2001, Stockholm Lindöpark, C-150/99, V-N 2001/11.21, punten 26 en 27, en HvJ 18 november 2004, Temco Europe SA, C-284/03, V-N 2005/21.22, punten 20 en 23). Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat een vrijstelling zoals hier aan de orde volgens de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie strikt moet worden uitgelegd (vlg. HvJ 22 januari 2015, Régie communale autonome du stade Luc Varenne, C-55/14, punt 23).
4.4.2.
Bij de beoordeling of de kenmerkende elementen die naast de terbeschikkingstelling van een onroerende zaak deel uitmaken van de prestatie, als bijkomstig in vorenvermelde zin moeten worden beschouwd, dient te worden onderscheiden naar handelingen die behoren tot zaakgerelateerde handelingen die een verhuurder normaal gesproken verricht (zoals het onderhoud van het verhuurde, het onderhoud en de schoonmaak van centrale voorzieningen, de aansluiting van elektriciteit, water en gas), en handelingen waarvan is te onderkennen dat zij worden verricht om een specifiek gebruik van de onroerende zaak door de huurder te faciliteren. Deze laatste handelingen hebben, tenzij deze voor het doel van het gebruik door de huurder van ondergeschikt belang zijn, een toegevoegde waarde van betekenis. Hierbij kan gedacht worden aan het ter beschikking stellen van (een) bijzonder voor dat doel geschikte voorziening(en) in combinatie met aanvullend dienstbetoon, verricht door (personeel van) de verhuurder, voor, tijdens en/of na het gebruik van de onroerende zaak (vgl. Hoge Raad 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY3891, Hoge Raad 30 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4604, Hoge Raad 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8847 en Hoge Raad 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:980).
4.5.
Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat het geheel van belanghebbendes activiteiten ten aanzien van de vergaderruimten jegens de gebruikers als één prestatie moet worden beschouwd. Naar het oordeel van de rechtbank is deze dienst niet aan te merken als de verhuur van een onroerende zaak, maar moet deze worden aangemerkt als een dienst van eigen aard (oftewel: een ‘dienst sui generis’). De rechtbank overweegt daartoe dat de in 2.3 genoemde handelingen alsmede de daarmee samenhangende personele inzet erop is gericht om de verschillende soorten specifiek gebruik van de vergaderzalen door de gebruikers te faciliteren. De rechtbank acht hierbij tevens van belang dat de vergaderruimten steeds voor een bepaalde periode ter beschikking staan en voor de volgende periode aan een ander ter beschikking staan. Zoals belanghebbende ter zitting heeft gesteld is haar dienstverlening in dit verband bijvoorbeeld gericht op het scheppen van een omgeving die het mogelijk maakt te vergaderen, te trouwen of te bridgen. Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbendes dienstverlening in dit kader dan ook belast met btw. Hetzelfde heeft te gelden voor de terbeschikkingstelling van de concert-/theaterzaal. Dit geldt temeer nu belanghebbende haar gebruikers in dit verband – naast de in 2.3 genoemde handelingen – ook de mogelijkheid biedt in deze zaal gebruik te maken van de voorzieningen op het gebied van licht en geluid. Anders dan de inspecteur meent, doet het gegeven dat belanghebbende – in voorkomend geval – de vergoeding specificeert naar gebruikte dienstverlening daar niet aan af.
4.6.
Gelet op het voorgaande is het gelijk aan de zijde van belanghebbende. Nu de terbeschikkingstelling van zowel de vergaderzalen als de concert-/theaterzaal volledig btw-belast is, is voor een aftrekbeperking geen plaats. Voor dat geval zijn partijen het erover eens dat belanghebbende recht heeft op een teruggaaf van omzetbelasting tot een bedrag van € 24.920.