RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector familie- en jeugdrecht
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer 09/920315-11, 09/920160-11 (t.b.g.)
Datum uitspraak 5 april 2012
Tegenspraak
(Promis)
De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte A],
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats],
thans uit anderen hoofde gedetineerd verblijvende in de justitiële jeugdinrichting
"De Hunnerberg" te Nijmegen.
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen met gesloten deuren van 29 december 2011, 20 maart 2012 en 22 maart 2012.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. Offers en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. A.B. Baumgarten, advocaat te 's-Gravenhage en door de verdachte naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat
1.
hij op of omstreeks 03 oktober 2011 in de (recreatie)ruimte van groep [groep] van Forensisch Centrum Teylingereind te Sassenheim, gemeente Teylingen, met een ander of anderen, onverholen en op een voor toen en aldaar aanwezige medewerkers van dit Forensisch Centrum en/of politiefunctionarissen, althans derden/publiek, waarneembare plaats, aldus openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen goederen en/of personen, welk geweld bestond uit:
* het gooien met (een) stoel(en) en/of (een) pan(nen) en/of een televisie en/of servies (telkens) al dan niet in de richting van een of meer medewerkers van dat Forensisch Centrum en/of
* het gooien en/of laten vallen van (een) computer(s) en/of computerspel(len) en/of
* het verbreken van ramen en/of inslaan van (gewapende) ruiten en/of
* het barricaderen van (een) deur(en) en/of
* het gooien van (bijtende) vloeistof(fen) en/of
* het spuiten met (een) brandslang(en) en/of (een) brandblusser(s) en/of
* het leggen van brandbare stof(fen) op (hete) kook/ovenpla(a)t(en) en/of
* het in brand steken van beddegoed, althans brandbare stoffen en/of (rond)dragen van brandende materialen en/of
* het vernielen en/of verwijderen van (een) plafondpla(a)t(en) en/of
* het verbreken van deur(en) van (een) kast(en, tengevolge waarvan hij opzettelijk (een of meer) ruit(en) heeft vernield;
art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht
Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 03 oktober 2011 te Sassenheim, gemeente Teylingen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw, te weten (een deel van) Forensisch Centrum Teylingereind en/of enig goed, te weten (een) ruit(en) en/of (een) deur(en) en/of (een) gordijn(en) en/of (een) plafondpla(a)t(en) en/of een brandinstallatie en/of (een) brandblusser(s) en/of elektrische (huishoudelijke) apparatuur en/of meubilair en/of linnengoed en/of keukengerei en/of andere goederen, geheel of ten dele toebehorende aan Forensisch Centrum Teylingereind, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s) heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk (telkens)
* ramen te verbreken en/of (gewapende) ruiten in te slaan en/of
* (een) deur(en) te forceren en/of
* te spuiten met water uit (een) brandslang(en) en/of
* te spuiten met (een) brandblusser(s) en/of
* (een) plafondpla(a)t(en) te vernielen en/of te verwijderen en/of
* (een) deur(en) van (een) kast(en) te forceren en/of
* te gooien met (een) stoel(en) en/of (een) tafel(s) en/of (een) pan(nen) en/of (een) televisie('s) en/of servies, althans met toen en aldaar voorhanden goederen en/of
* linnengoed, althans brandbare stof(fen) in brand te steken;
art 352 Wetboek van Strafrecht
3.
hij op of omstreeks 03 oktober 2011 te Sassenheim, gemeente Teylingen, een medewerker van Forensisch Centrum Teylingereind aangeduid als "[PIW-er]", heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een ijzeren onderstel met wieltjes, althans een voorwerp, richting die [PIW-er] gegooid;
art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht
4. ter berechting gevoegd de zaak (het feit/de feiten) geregistreerd onder parketnummer
09/920160-11
hij op of omstreeks 19 mei 2011 te Oegstgeest tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een laptop (merk Acer Aspire) en/of een horloge en/of geld (ongeveer 750 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [kind 1] en/ [kind 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het maken van (een) slaande beweging(en) met een breekijzer, althans een zwaar voorwerp, in de richting van (de hoofden) van die [kind 1] en/of [kind 2] die zich in de nabijheid bevonden;
art 310 Wetboek van Strafrecht
art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht
3. Bewijsoverwegingen
3.1 Het standpunt van de officier van justitie
Het standpunt van de officier van justitie komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het hem onder 1 primair ten laste gelegde feit, te weten openlijke geweldpleging tegen goederen. Op 3 oktober 2011 hebben de verdachte en zijn medeverdachten in drie en een half uur tijd op de leefgroep in de justitiële jeugdinrichting waar zij verbleven de boel kort en klein geslagen, waarbij de materiële schade rond de € 65.000,- bedraagt. Zo is er onder meer met meubilair gesmeten, zijn er ramen ingeslagen, is er brand gemaakt en is er met brandslangen gespoten.
Gelet op de verklaringen in het dossier is de officier van justitie de mening toegedaan dat het gaat om een ver van tevoren geplande opstand Hoewel het incident heeft plaatsgevonden in een besloten en derhalve niet voor een ieder toegankelijke ruimte, was het gepleegde geweld wel waarneembaar voor de werknemers van Teylingereind en de overige gedetineerden. Deze personen zijn volgens de officier van justitie aan te merken als 'publiek', waardoor het incident is aan te merken als openlijk geweld zoals bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht.
De officier van justitie heeft in dit verband gewezen op een uitspraak van het Hof Leeuwarden (LJN BU 6455) en een uitspraak van de militaire kamer Arnhem (LJN BG 3848).
Ten aanzien van de rol van de verdachte heeft de officier van justitie gesteld dat uit het dossier niet is gebleken dat de verdachte zich heeft gedistantieerd van het gepleegde geweld en heeft daarbij gewezen op diverse zich in het dossier bevindende verklaringen.
Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie opgemerkt dat het gooien van het karretje in de richting van de PIW'er [PIW-er] niet direct als bedreiging kan worden gekwalificeerd.
Ten aanzien van feit 4 heeft de officier van justitie op basis van de bewijsmiddelen geconcludeerd dat de verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan de inbraak gevolgd van geweld.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de verdachte zal vrijspreken van het hem onder 3. ten laste gelegde feit en voorts dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte feit 1. primair en feit 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan.
3.2 Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman opgemerkt dat de verdachte naar zijn mening van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. De geweldshandelingen hebben plaatsgevonden in een recreatieruimte van Teylingereind. Deze ruimte is niet openbaar en niet voor een ieder toegankelijk. Dat het personeel van Teylingereind getuige was van de opstand, maakt nog niet dat het feit kan worden gekwalificeerd als openlijke geweldpleging.
Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman vrijspraak bepleit, nu onder meer uit de ter terechtzitting vertoonde camerabeelden duidelijk naar voren komt dat de verdachte het karretje al gooide op het moment dat [PIW-er] zijn hoofd om de hoek van de deur stak. Het opzet kan daarom naar zijn mening niet op een bedreiging zijn gericht..
Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman eveneens vrijspraak bepleit.
Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte op de verkeerde plek op het verkeerde moment was, toen hij werd aangehouden.
Er is geen bewijs voorhanden dat de verdachte rechtstreeks linkt aan het feit. Er is niet onomstotelijk vastgesteld dat de verdachte de bijrijder op de scooter is geweest. Verder zijn er bij de woning geen sporen van de verdachte aangetroffen.
Tot slot heeft de raadsman verweer gevoerd dat in ieder geval het telastegelegde geld(bedrag) niet bewezen kan worden verklaard, omdat dit - in tegenstelling tot de laptop en het horloge - nergens is aangetroffen. Het geld is in ieder geval niet in het bezit van de medeverdachte of de verdachte gevonden.
3.3 De beoordeling van de tenlastelegging
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af. 1
Ten aanzien van feit 1 primair
Zoals hierboven aangegeven heeft de officier van justitie geconcludeerd dat het onder 1 primair ten laste gelegde, de openlijke geweldpleging, bewezen kan worden verklaard. De advocaat van verdachte heeft hiervan vrijspraak bepleit. De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende.
De openbare orde is het door artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht beschermde belang. Eén van de bestanddelen van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht is dat het geweld "openlijk" moet hebben plaatsgevonden. Volgens vaste jurisprudentie is daarvan sprake indien het geweld zich door onverholen, niet-heimelijk bedreven feiten heeft geopenbaard, zodat daardoor de openbare orde is aangerand.
Om te beginnen stelt de rechtbank vast dat Forensisch Centrum Teylingereind naar zijn aard een niet voor het publiek toegankelijke plaats is. Ook geweld dat op een niet openbare plaats is gepleegd kan evenwel onder de reikwijdte van voornoemd artikel vallen, indien het geweld voor het publiek of iemand uit het publiek waarneembaar is geweest.
De rechtbank stelt verder vast dat uit het proces-verbaal blijkt dat uitsluitend medewerkers van Teylingereind, ter plaatse gekomen politiefunctionarissen en gedetineerden getuige zijn geweest van het gepleegde geweld. De eerste vraag die in dit verband dient te worden beantwoord is of deze personen onder de definitie van publiek vallen, zoals door de officier van justitie is betoogd.
De rechtbank is van oordeel dat het antwoord op deze vraag ontkennend moet luiden, nu hiermee volgens de rechtbank (een) willekeurige derde(n) word(t)(en) bedoeld, niet zijnde personen die uit hoofde van hun functie danwel behorend tot de vaste populatie gedetineerden het geweld daadwerkelijk hebben waargenomen.
Vervolgens dient de vraag te worden gesteld of het geweld waarneembaar is geweest voor het publiek. Dit gaat over de mogelijkheid dat (een) willekeurige derde(n) het geweld zou(den) kunnen hebben waargenomen. Ook deze vraag dient naar het oordeel van de rechtbank ontkennend te worden beantwoord gezien de ligging van de locatie waar het geweld plaatsvond.
De reikwijdte van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht zou naar het oordeel van de rechtbank te ver worden opgerekt, indien daar ook onder zou vallen geweld dat is gepleegd op een zo evident niet openbare plaats als de onderhavige en welk geweld bovendien alleen zichtbaar is geweest en kon zijn voor de uit hoofde van hun functie aanwezige personen en de populatie aan gedetineerden.
Het feit dat politie en brandweer zijn gealarmeerd en maatregelen zijn getroffen die op zichzelf de openbare orde hebben geraakt maakt dit niet anders, aangezien dit niet in direct verband staat met het gepleegde geweld.
De rechtbank acht derhalve het bestanddeel "openlijk" niet bewezen en zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder 1 primair ten laste gelegde.
Ten aanzien van feit 1 subsidiair
Op 3 oktober 2011 zijn de jongens van de groep "[groep]" van het Forensisch Centrum Teylingereind te Sassenheim in opstand gekomen tegen de aanwezige groepsleiding. 2
Op die datum vond er rond 20.30 uur een gesprek plaats tussen de groepsleiders ([groepsleider X], [groepsleider Y] en [groepsleider Z]) en de groep, bestaande uit [verdachte],[medeverdachte B], [medeverdachte C], [medeverdachte D], [medeverdachte E], [medeverdachte F], [medeverdachte G], [medeverdachte H] en [medeverdachte I]. De groepsleiders deelden mee dat de groep "[groep]" gefaseerd zou worden opgeheven. Na dit gesprek gingen alle jongens naar de Playstation ruimte. De jongens spraken heel zacht en waren druk met elkaar in gesprek. De groepsleiders vertrouwden het niet en wilden naar de jongens toe lopen. Op dat moment stond de hele groep op en rende op het kantoor af. Er werd met meubilair gegooid in de richting van het kantoor. De groepsleiders die in het kantoor zaten, hebben de deur op slot gedaan. Er werd met goederen tegen de kantoorramen die van veiligheidsglas waren gegooid. Er werd door een groep met meubilair en wokpannen tegen de ramen geslagen. De rest van de groep begon de twee toegangen te barricaderen.
De groep slaagde erin om een gat in een raam van de kantoorruimte te slaan en door het ontstane gat de deur van het kantoor van binnenuit te openen. De groepsleiders sloegen vervolgens alarm en verlieten het kantoor.
Vanaf de luchtplaats was onder meer het volgende te zien. De jongens spoten met brandslangen op elektrische apparaten. Een brandblusser werd leeggespoten. Er werd beddengoed op de elektrische kookplaten gelegd. Er werd rondgelopen met in brand gestoken linnengoed. Er werd met tafels en stoelen gegooid.
Het plafond werd gesloopt en elektrische draden werden uit het plafond getrokken. Er werd geprobeerd om ramen te verbreken door met stoelen, tafelpoten en dergelijke tegen de ramen te slaan. Een kastje in het kantoor werd opengebroken. Computerapparatuur en een televisie werden kapotgegooid.
Uiteindelijk verlieten alle jongens na langdurig onderhandelen de groep, de laatste om 00.30 uur. 3 4
De totale materiële schade bedraagt € 61.262,31. 5 6
De verdachte heeft bekend dat hij heeft meegedaan aan de opstand door met stoelen en pannen te gooien. Ook heeft hij de toegangsdeuren gebarricadeerd. 7
Hij heeft echter ontkend dat het een geplande opstand was, althans dat hij hiervan op de hoogte was. Tevens is betwist dat de verdachte iets te maken heeft gehad met het leggen van brandbare stoffen op de kookplaat en in brandsteken van onder meer beddengoed.
De rechtbank overweegt als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie is voor medeplegen vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking, hetgeen inhoudt dat de daders willens en wetens samenwerken tot het verrichten van de strafbare gedraging. Het is daarvoor niet vereist dat alle medeplegers de uitvoeringshandeling(en) mede verrichten. De rechtbank neemt de volgende bewijsmiddelen in ogenschouw.
Medeverdachten [medeverdachte I] en [medeverdachte D] verklaren dat er voor die avond op 3 oktober 2011 al een plan bestond voor een opstand en dat dit plan onder meer bedacht was door de verdachte. 8 9
Medeverdachte [medeverdachte G] heeft verklaard dat de verdachte op de luchtplaats tegen hem zei dat die avond 'herrie zou worden geschopt en alles kapot gemaakt zou worden'. 10
Getuige [groepsleider Z] verklaart dat alle jongens naar de Playstationruimte gingen en dat daar met dichte deur veel en op zachte toon werd gesproken. Op enig moment kwam de groep in één keer naar buiten en splitste zich georganiseerd in drieën: twee groepen barricadeerden de toegangsdeuren en één groep ging naar de keuken en pakte pannen. De getuige heeft alle jongens één voor één dingen kapot zien maken. 11
Ook getuige [groepsleider Y] en medeverdachte [medeverdachte I] verklaren dat iedereen mee deed met de vernielingen. 12 13
De rechtbank stelt vast dat er sprake was van een vooropgezet plan, waarvan de verdachte naar het oordeel niet alleen op de hoogte was, maar zelfs één van de initiators is geweest. De verdachte heeft het initiatief genomen en meegedaan bij de uitvoering van het plan.
Alles in onderlinge samenhang beziend komt de rechtbank tot het oordeel dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking en acht derhalve bewezen het medeplegen van vernielingen op de groep "[groep]" in Teylingereind.
Bewijsoverweging ten aanzien van de voortgezette handeling
De rechtbank is voorts van oordeel dat het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde feitencomplex moet worden opgevat als medeplegen van vernieling en/of beschadiging en/of onbruikbaar maken van enige gebouw alsook van enig goed. Nu deze beide bewezen verklaarde feiten op dusdanige wijze met elkaar in verband staan dat zij moeten worden beschouwd als één voortgezette handeling, zal de rechtbank de feiten dan ook als zodanig kwalificeren en slechts de zwaarste strafbepaling toepassen.
Bijzondere bewijsmotivering ex artikel 360 van het Wetboek van Strafvordering
De rechtbank heeft ten aanzien van feit 1 subsidiair als bewijsmiddel onder meer de verklaringen van de getuigen [groepsleider Z] en [groepsleider Y] gebezigd. Deze getuigen zijn eveneens door de rechter-commissaris gehoord. Het gaat hier om getuigen die kennelijk zijn gehoord op de voet van artikel 190, derde lid, Wetboek van Strafvordering. De rechtbank overweegt dat er gegrond vermoeden bestaat dat de getuigen die werkzaam zijn als medewerker in een justitiële jeugdinrichting, overlast zullen ondervinden ondervinden of in de uitoefening van hun beroep zullen worden belemmerd indien hun volledige personalia worden vermeld.
Nu de raadsman van de verdachte tijdens de verhoren bij de rechter-commissaris de gelegenheid heeft gehad om de getuigen alle vragen te stellen die hij noodzakelijk achtte, heeft de toekenning van beperkte anonimiteit naar het oordeel van de rechtbank geen afbreuk gedaan aan het ondervragingsrecht van de verdediging.
Ten aanzien van feit 3
Evenals de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat op basis van de voorhanden zijnde verklaringen onvoldoende wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de PIW'er [PIW-er] heeft bedreigd en zal hem dan ook van dit feit vrijspreken.
Ten aanzien van feit 4 14
Op 19 mei 2011 is er ingebroken in de woning van aangever [aangever] aan de [adres] te Oegstgeest. 15 Bij deze inbraak zijn twee ruiten van zijn voordeur vernield. Een raam aan de achterzijde van de woning stond open en het kozijn onder het raam was beschadigd. De achterdeur was ter hoogte van het slot beschadigd. 16
Uiteindelijk bleken bij deze inbraak een laptop (merk: Acer Aspire) verpakt in een tas van Albert Heijn en een zilverkleurig horloge in een bruin opbergdoosje met een kussentje eromheen te zijn weggenomen. 17
Rond 17:30 uur op die dag waren er twee personen in de achtertuin van de betreffende woning. 18 Eén van deze personen was in het bezit van een oranje- of roodkleurig breekijzer en er waren diverse kraak- en breekgeluiden te horen. 19
De twee jongens forceerden aan de achterzijde van de woning met een koevoet een raam en klommen via dit raam de woning binnen. 20
Hierna werden er twee ramen van de voordeur eruit geslagen en klom één van de jongens door het raam van de voordeur naar buiten. 21 Deze jongen had een oranje- of roodkleurig breekijzer en een zwart voorwerp - vermoedelijk een laptop - in zijn handen. De andere jongen klom daarna ook door het door het kapotte raam naar buiten. 22
Getuige [getuige 2] liep naar de voorkant van de woning, hoorde een harde klap en zag dat de ruit van de voordeur versplinterde. Eén van de jongens kwam op haar af, terwijl hij een koevoet in zijn hand had en deze ter hoogte van zijn hoofd vasthield. Zij kon nog net op tijd haar woning in vluchten. De andere jongen rende achter de eerste jongen aan. 23
Getuige [getuige 4] rende achter de tweede jongen aan 24 en zag, toen zij de hoek om rende, dat haar twee kinderen, [kind 1] en [kind 2], daar stonden. De jongen haalde naar hen uit met een koevoet, maar miste omdat de kinderen bukten. 25 26
De jongens zijn vervolgens weggereden op een zwarte Vespa, welk kenteken vermoedelijk begon met [kenteken]
Omstreeks 17:41 uur kreeg verbalisant [verbalisant 1] de melding dat er was ingebroken in de woning aan de [adres] te Oegstgeest en is samen met verbalisant [verbalisant 2] richting Oegstgeest gereden. 28
Ter hoogte van de Prins Bernhardlaan zag verbalisant [verbalisant 1] de hem ambtshalve bekende [medeverdachte J] rijden op een hem ook ambtshalve bekende zwarte Vespa 29, met kenteken [kenteken 2]. 30 Achterop de Vespa zat een voor verbalisant [verbalisant 1] onbekende jongen. Nadat verbalisant [verbalisant 2] het voertuig had gekeerd, zag [verbalisant 1] dat de bijrijder goederen weggooide. 31 Dit bleken onder meer een rood breekijzer en een kussentje met hier omheen een zilverkleurig horloge te zijn. In de bosschages werd een tas van Albert Heijn aangetroffen met daarin een zwarte laptop, merk Acer. 32
Andere verbalisanten zijn vervolgens in de omgeving op zoek gegaan naar medeverdachte [medeverdachte J]. Bij het Diaconessen Ziekenhuis werd een zwarte Vespa met kenteken [kenteken 2] aangetroffen. Deze Vespa bleek op naam van deze medeverdachte te staan. De uitlaat van de scooter was nog warm. De verbalisanten zijn vervolgens verder op zoek gegaan naar mede verdachte [medeverdachte J]. Om 17:53 uur zagen zij medeverdachte [medeverdachte J] met een andere jongen lopen in de Marienpoelstraat. Hierop is de medeverdachte aangehouden. Ook de tweede jongen, die later bleek te zijn verdachte, is aangehouden. 33
Niet ter discussie staat dat er op 19 mei 2011 een inbraak heeft plaatsgevonden in de woning aan de [adres] te Oegstgeest en dat beide daders zijn gevlucht op een zwarte Vespa. Evenmin staat ter discussie dat één of beide daders na afloop van die inbraak hebben gedreigd met geweld.
De hoofdvraag die de rechtbank in deze zaak dient te beantwoorden is of de verdachte één van de jongens is geweest die zich hieraan mede heeft schuldig gemaakt.
De verdachte heeft hierover zelf verklaard dat hij toevallig in die straat liep en zag dat er op dat moment op een afstand van ongeveer 30 tot 40 meter iemand werd aangehouden, maar dat hij die persoon niet kent. Hij is vervolgens ook aangehouden. De verdachte ontkent enige betrokkenheid bij de inbraak met geweld.
De rechtbank acht de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig en baseert dit op de volgende omstandigheden en bewijsmiddelen.
Een onbekend gebleven getuige heeft, terwijl verbalisanten in de wijk Leidse Hout op zoek waren naar de daders van de inbraak, verklaard dat hij bij het Diaconessen Ziekenhuis twee jongens uit de bosjes heeft zien komen. 34
Getuige [getuige 6] heeft daar eveneens twee jongens - vermoedelijk van Marokkaanse komaf - gezien die daar kennelijk iets in de bosjes neerlegden. Eén van de jongens had een horizontaal gestreepte trui aan met verschillende kleuren. 35
In de bosjes aldaar hebben verbalisanten twee jassen aangetroffen. Deze jassen, te weten een zwarte jas met een capuchon met bontkraag en een donkerkleurige Adidas jas, waren nog droog, terwijl het de gehele ochtend in Leiden had geregend. 36 De rechtbank leidt hieruit af dat de jassen kort daarvoor daar waren neergelegd.
Deze jassen passen ook binnen de beschrijvingen over de jassen van de inbrekers die de getuigen [getuige 3] 37, [getuige 2] 38, [kind 2] 39en [getuige 5] 40 hebben gegeven.
Voorts staat vast dat de verdachte bij zijn aanhouding geen jas droeg. 41 Daarnaast droeg de medeverdachte [medeverdachte J] tijdens zijn aanhouding een trui met horizontale strepen in verschillende kleuren. 42
Het verweer dat de verdachte de medeverdachte [medeverdachte J] niet kent en als toevallige voorbijganger erbij betrokken is geraakt, zal de rechtbank op grond van het volgende passeren.
De verdachte heeft op verschillende momenten aantoonbaar gelogen.
Allereerst heeft de verdachte een legitimatiebewijs dat niet van hem was getoond en volgehouden dat hij '[K]' was. Hierop is er contact opgenomen met de vader van deze [K], die de politie meedeelde dat zijn zoon thuis was, maar dat zijn zoon zijn legitimatiebewijs is kwijtgeraakt in het bijzijn van ene [verdachte].
De politie heeft vervolgens het politiesysteem geraadpleegd en hier kwam een mutatie voor over een vermissing van [verdachte] op 13 mei 2011, die zich mogelijk zou ophouden in Leiden en omgaat met ene [medeverdachte J].43
Op basis van bovengenoemde mutatie heeft de politie een foto en informatie over de mogelijke verblijfplaats van deze [verdachte] verkregen van de gezinsvoogd van [verdachte]. Deze [verdachte] zou volgens de gezinsvoogd mogelijk verblijven bij een jongen genaamd [medeverdachte J].44
De gezinsvoogd de heer [gezinsvoogd] heeft ter terechtzitting als getuige onder ede verklaard dat hij van de ouders van de verdachte had vernomen dat de verdachte vermoedelijk verbleef bij een met naam genoemde jongen, welke naam hij zich ter terechtzitting niet meer kon herinneren. Deze naam heeft hij vervolgens aan de politie doorgegeven.45 Hieruit leidt de rechtbank af dat de verdachte [medeverdachte J] wel degelijk kent.
De verbalisant herkent op de foto de verdachte die zich tot op dat moment nog [K] noemde. 46 De verdachte geconfronteerd met diezelfde foto, ontkent dat hij de jongen op deze foto is. 47De gezinsvoogd heeft op het politiebureau met 100% zekerheid de identiteit van de verdachte als zijnde [verdachte] vastgesteld.48
Tot slot is de verdachte in de directe nabijheid van [medeverdachte J] aangehouden. 49
De rechtbank acht het eveneens ongeloofwaardig dat de verdachte op tientallen meters afstand stond, toen [medeverdachte J] werd aangehouden, gelet op het proces-verbaal van bevindingen waarin staat gerelateerd dat de verbalisanten twee personen zagen lopen en dat deze personen vervolgens zijn aangehouden.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat - alles in onderlinge samenhang beziend - de verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan een woninginbraak gevolgd van bedreiging met geweld.
3.4 De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:
1. subsidiair
hij op 03 oktober 2011 te Sassenheim, gemeente Teylingen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw, te weten (een deel van) Forensisch Centrum Teylingereind, en enige goederen, te weten ruiten en deuren en gordijnen en plafondplaten en een brandmeldinstallatie en een brandblusser en elektrische (huishoudelijke) apparatuur en meubilair en linnengoed en keukengerei en andere goederen, toebehorende aan Forensisch Centrum Teylingereind, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk (telkens)
* ramen te verbreken en (gewapende) ruiten in te slaan en
* te spuiten met water uit een brandslang en
* te spuiten met een brandblusser en
* plafondplaten te vernielen en/of te verwijderen en
* deuren van kasten te forceren en
* te gooien met stoelen en tafels en pannen en een televisie en servies en
* linnengoed in brand te steken.
3.
hij op 19 mei 2011 te Oegstgeest tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een laptop (merk Acer Aspire) en een horloge, toebehorende aan [aangever], waarbij hij en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak, te weten door met een breekijzer het raam open te wrikken,
welke diefstal werd gevolgd van bedreiging met geweld tegen [kind 1] en [kind 2] en [getuige 2], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededader de vlucht mogelijk te maken, welke bedreiging met geweld bestond uit
* het direct op die [getuige 2] aflopen met daarbij een breekijzer in de hand geheven ter hoogte van zijn hoofd, en
* het maken van een slaande beweging met een breekijzer in de richting van de hoofden van die [kind 1] en [kind 2] die zich in de nabijheid bevonden.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
4. De strafbaarheid van de feiten
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De straf
6.1. De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 3. ten laste gelegde wordt vrijgesproken en dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1. primair en 4 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 10 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.
6.2. Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit bij bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen. De verdachte bevindt zich met ingang van 8 maart 2012 weer in voorlopige hechtenis, nu voor een zaak in Leeuwarden. Voor die zaak zal de insteek mogelijk zijn het opleggen van een PIJ-maatregel.
6.3. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de oplegging van na te melden straf in overeenstemming met de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
De verdachte heeft samen met anderen meegedaan aan een opstand die van tevoren was gepland op de groep in de jeugdgevangenis Teylingereind waar zij gedetineerd verbleven, welke opstand losbarstte in een eruptie van geweldshandelingen tegen goederen. Nadat de groepsleiding was gevlucht en de toegangsdeuren waren gebarricadeerd door de verdachten, zijn zij volledig losgeslagen tekeer gegaan en hebben zij ongeveer alles wat zich aan materiaal in de groepsruimte bevond vernield. De verdachte en zijn mededaders hebben hierdoor niet alleen enorme schade berokkend, maar ook laten zien dat zij totaal geen respect hebben voor de gezagsdragers en hun autoriteit. Door aldus te handelen heeft de verdachte het gezag ondermijnd. De gevolgen van het handelen van de verdachten waren ook aanzienlijk; politie en brandweer zijn ingezet, aangezien aan het begin van de opstand de motieven van de verdachten onduidelijk waren. Zelfs de nabijgelegen snelweg is enige tijd afgesloten, omdat gedacht werd aan een uitbraak. Hierdoor zijn niet alleen het aanwezige personeel en de overige gedetineerden geconfronteerd met het geweld, maar heeft dit ook overlast bezorgd aan de omwonenden van de jeugdgevangenis.
De rechtbank rekent het de verdachte en zijn mededaders zwaar aan dat de opstand, wat de motieven en de achtergronden daar ook van waren, op dergelijke wijze is verlopen.
De rechtbank neemt het de verdachte extra kwalijk neemt dat hij één van de initiators was en dit zal dan ook in de strafoplegging tot uitdrukking komen.
Voorts heeft de verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een brutale woninginbraak door midden op de dag, terwijl buren daarvan getuige waren, in te breken in een woning. Voor de eigenaar van de woning is dit een ergerlijk feit nu hierdoor schade is toegebracht aan zijn woning. Voor de aangever en de buurtbewoners die getuige zijn geweest van deze inbraak heeft dat gevoelens van onrust en onveiligheid opgeroepen. De verdachte heeft laten zien geen respect te hebben voor andermans goederen.
Bovendien is de verdachte degene die direct na de inbraak heeft gedreigd met geweld tegen mensen die hun vlucht mogelijk zouden kunnen verijdelen. Een vrouw kon nog maar net op tijd wegvluchten toen de verdachte met een breekijzer op haar af kwam lopen, twee jonge kinderen konden nog net op tijd bukken toen er met dat breekijzer richting hun hoofden werden uitgehaald. Het moet zeker voor hen en voor de moeder van deze kinderen, die het heeft zien gebeuren, een zeer beangstigende ervaring zijn geweest. De rechtbank rekent dit de verdachte dan ook ernstig aan.
Verder is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het uittreksel Justitiële Documentatie, in het verleden eerder is veroordeeld voor onder meer openlijke geweldpleging tegen goederen.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte voor de Leeuwardense zaak thans in voorlopige hechtenis is gesteld en in het kader van die zaak ter observatie een aantal weken in Forensisch Consortium Adolescenten(ForCA) was geplaatst. De uitkomst van dat rapport is thans nog niet bekend.
De rechtbank heeft wel kennis genomen van het raadsrapport d.d. 12 maart 2012, waarin wordt geadviseerd om aan de verdachte een deels onvoorwaardelijke jeugddetentie en een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, met als bijzondere voorwaarde begeleiding door de Stichting Reclassering Nederland, afdeling Jong Volwassenen (JoVo).
De officier van justitie heeft in haar requisitoir aangegeven dat zij overleg heeft gehad met haar ambtgenoot in Leeuwarden over de te vorderen straf. Besproken is dat een eventuele maatregel of bijzondere voorwaarde beter in Leeuwarden geëist kan worden, gelet op de mogelijke uitkomst van het ForCA-rapport.
De rechtbank deelt de visie van de officier van justitie dat een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf voor de onderhavige zaak een passende reactie vormt.
Gelet op de nog lopende strafzaak in Leeuwarden, waarvoor de verdachte ter observatie in het ForCA is geweest en waarvan de uitkomst thans nog niet bekend is, ziet de rechtbank thans geen aanleiding om een deels voorwaardelijke straf op te leggen.
7. De vordering van de benadeelde partijen
[kind 1] heeft zich ten aanzien van feit 4 (t.b.g. 09/920160-11( als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 308,-.
[kind 2] heeft zich ten aanzien van feit 4 (t.b.g. 09/920160-11) als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 348,-.
7.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie concludeert tot hoofdelijke toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen.
Voorts vordert de officier van justitie dat de rechtbank aan de verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van bedragen respectievelijk groot € 308,- en € 348,- subsidiair de bijbehorende dagen jeugddetentie ten behoeve van de slachtoffers genaamd [kind 1] en [kind 2].
7.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bij bewezenverklaring van het feit slechts opgemerkt dat beide vorderingen toewijsbaar zijn met uitzondering van de post 'extra sessie magnetiseur' van de vordering van [kind 2]. De raadsman is van mening dat dit gaat om een behandeling van een niet reguliere geneeskundige en derhalve niet voor toewijzing in aanmerking zou moeten komen.
7.3 Het oordeel van de rechtbank
Vordering [kind 1]
De rechtbank acht deze vordering, voor zover deze betrekking heeft op een bedrag van € 308,-, als vergoeding ter zake van immateriële schade tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar, nu namens de verdachte de omvang daarvan niet is betwist en nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 4. bewezenverklaarde feit.
De rechtbank zal derhalve de vordering ten laste van de verdachte toewijzen tot een bedrag van € 308,-.
De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente ten laste van de verdachte toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 19 mei 2011 is ontstaan.
Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 4. bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 308,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 19 mei 2011 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [kind 1].
Vordering [kind 2]
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post 'extra sessie magnetiseur, is namens de verdachte weliswaar betwist, doch naar het oordeel van de rechtbank is voldoende onderbouwd dat deze kosten zijn gemaakt door de benadeelde partij.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 4. bewezenverklaarde feit.
De rechtbank acht deze vordering, voor zover deze betrekking heeft op een bedrag van € 308,-, als vergoeding ter zake van immateriële schade tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar, nu namens de verdachte de omvang daarvan niet is betwist en nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 4. bewezenverklaarde feit.
De rechtbank zal derhalve de vordering ten laste van de verdachte toewijzen tot een bedrag van € 348,-.
De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente ten laste van de verdachte toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 19 mei 2011 is ontstaan.
Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 4. bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 348,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 19 mei 2011 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [kind 2].
8. Het beslag
8.1 Het standpunt van de officier van justitie
In de zaak met parketnummer 09/920315-11 vordert de officier van justitie voorts dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst) onder 1. genummerde voorwerp, een keukenmes, zal worden verbeurdverklaard.
8.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
8.3 Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het op de beslaglijst in de zaak met parketnummer 09/920315-11 onder 1. genummerde voorwerp, te weten een keukenmes, verbeurdverklaren.
Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien met behulp van dit voorwerp het onder 1. subsidiair bewezenverklaarde feit is begaan of voorbereid en degene aan wie het voorwerp toebehoort bekend was met de verkrijging van dat voorwerp door middel van het onder 1. subsidiair bewezenverklaarde feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmee, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden.
9. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:
33, 33a, 36f, 47, 56, 77a, 77g, 77h, 77i, 77gg, 311, 312 en 352 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding onder
1. primair en 3. ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het hem bij dagvaarding onder
1. subsidiair en 4. (t.b.g. 09/920160-11) ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:
ten aanzien van feit 1 subsidiair:
VOORTGEZETTE HANDELING VAN:
MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK EN WEDERRECHTELIJK ENIG GEBOUW DAT GEHEEL OF TEN DELE AAN EEN ANDER TOEBEHOORT, VERNIELEN EN/OF BESCHADIGEN EN/OF ONBRUIKBAAR MAKEN;
EN
MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK EN WEDERRECHTELIJK ENIG GOED DAT GEHEEL OF TEN DELE AAN EEN ANDER TOEBEHOORT, VERNIELEN EN/OF BESCHADIGEN EN/OF ONBRUIKBAAR MAKEN, MEERMALEN GEPLEEGD;
ten aanzien van feit 4 (t.b.g. 09/920160-11):
DIEFSTAL IN EEN WONING, GEVOLGD VAN BEDREIGING MET GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM BIJ BETRAPPING OP HETERDAAD AAN ZICHZELF OF ANDERE DEELNEMERS VAN HET MISDRIJF DE VLUCHT MOGELIJK TE MAKEN, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN EN TERWIJL DE SCHULDIGE ZICH DE TOEGANG TOT DE PLAATS VAN HET MISDRIJF HEEFT VERSCHAFT DOOR MIDDEL VAN BRAAK;
verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
veroordeelt de verdachte tot
jeugddetentie voor de duur van 10 MAANDEN;
bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
heft op het van rechtswege opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis.
ten aanzien van feit 1 subsidiair:
verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 1. genummerde voorwerp, te weten:
1 keukenmes;
ten aanzien van feit 4 (t.b.g. 09/920160-11):
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk toe tot een bedrag van € 308,- en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [kind 1], een bedrag van € 308,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 19 mei 2011 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
met bepaling dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader [medeverdachte J] aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader opgelegde, betalingsverplichting aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag.
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 308,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 19 mei 2011 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [kind 1];
bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 6 dagen;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij doet vervallen.
ten aanzien van feit 4 (t.b.g. 09/920160-11):
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk toe tot een bedrag van € 348,- en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [kind 2], een bedrag van € 348,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 19 mei 2011 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
met bepaling dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader [medeverdachte J] aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader opgelegde, betalingsverplichting aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag.
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 348,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 19 mei 2011 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [kind 2];
bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 6 dagen;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij doet vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.C. U-A-Sai, kinderrechter, voorzitter,
mr. J.A. van Steen, kinderrechter,
en mr. H. Dragtsma, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van R. van Ast-Natadiningrat, griffier.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 april 2012.
1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met de nummers 2011 150358 (p. 1-271), 2011 150358A (p. 272-308), 2011 150358B (p. 309-486) en 2011 150358C (p. 487-495)
2 Proces-verbaal aangifte [aangever], p. 38-41
3 Proces-verbaal van verhoor getuige [groepsleider Z], p. 132-136
4 Proces-verbaal van verhoor getuige [groepsleider Y], p. 137-141
5 Relaas proces-verbaal, p. 315
6 Schadebijlage, p. 325-326
7 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 20 maart 2012, eigen verklaring verdachte
8 Proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte I] bij de rechter-commissaris d.d. 8 maart 2012, punt 5
9 Proces-verbaal verhoor inbewaringstelling [medeverdachte D] d.d. 14 oktober 2011, punt 3
10 Proces-verbaal verhoor inbewaringstelling verdachte [medeverdachte G] d.d. 14 oktober 2011, punt 2
11 Proces-verbaal van verhoor getuige [groepsleider Z] bij de rechter-commissaris d.d. 13 februari 2012, punten 8, 9 en 12
12 Proces-verbaal van verhoor getuige [groepsleider Y] bij de rechter-commissaris d.d. 15 maart 2012, punt 6
13 Proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte I] bij de rechter-commissaris d.d. 8 maart 2012, punt 8
14 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1640/2011074959 (p. 1-146)
15 Proces-verbaal aangifte [aangever], p. 32
16 Proces-verbaal aangifte [aangever], p. 33
17 Bijlage goederen, behorend bij aangifte [aangever], p. 38
18 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1], p. 68
19 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1], p. 69
20 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2], p. 76
21 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3], p. 73
22 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3], p. 74
23 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2], p. 76
24 Proces-verbaal verhoor aangifte [getuige 4], p. 108
25 Proces-verbaal verhoor aangifte [getuige 4], p. 110
26 Proces-verbaal van bevindingen, p. 116
27 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 5], p. 84
28 Proces-verbaal van bevindingen, p. 44
29 Proces-verbaal van bevindingen, p. 45
30 Proces-verbaal van bevindingen, p. 44
31 Proces-verbaal van bevindingen, p. 45
32 Proces-verbaal van bevindingen, p. 46
33 Proces-verbaal van bevindingen, p. 39-40
34 Proces-verbaal van bevindingen, p. 52
35 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 6], p. 66
36 Proces-verbaal van bevindingen, p. 53
37 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3], p. 74
38 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2], p. 76-77
39 Proces-verbaal verhoor getuige [kind 2], p. 79
40 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 5], p. 83-84
41 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 20 maart 2012, eigen verklaring van verdachte
42 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte J], p. 93
43 Proces-verbaal van bevindingen, p. 56-57
44 Proces-verbaal relaas, p. 58
45 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 20 maart 2012, verhoor van getuige [gezinsvoogd]
46 Proces-verbaal relaas, p. 58
47 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte], p. 103
48 Proces-verbaal van bevindingen, p. 138
49 Proces-verbaal van bevindingen, p. 40