Verzoeksters hebben in hun verzoekschrift, aangevuld met producties, en ter zitting (samengevat) gesteld dat zij een opeisbare vordering hebben op verweerster van in totaal
€ 70.000,00. Verzoeksters hebben met verweerster mondeling een geldleningsovereenkomst gesloten. De geldleningen zijn door verzoeksters, zoals blijkt uit hun bankafschriften, op
4 augustus 2021, 20 augustus 2021 en 3 september 2021 aan verweerster verstrekt en worden niet door verweerster betwist. Dat blijkt uit haar e-mailbericht van
30 december 2021. In datzelfde e-mailbericht geeft verweerster aan dat zij de lening van in totaal € 70.000,00 en de nog openstaande facturen van [naam 3] van
€ 80.000,00 – als het meezit – begin februari 2022 zal voldoen aan [naam 3] Op 31 december 2021 zijn de geldleningen (de vorderingen van verzoeksters op verweerster) middels een akte van cessie gecedeerd aan [naam 3] Daarvan is (onbetwist) mededeling gedaan aan verweerster. Vervolgens zijn de vorderingen op
23 mei 2022 terug gecedeerd aan verzoeksters. Als gevolg daarvan hebben verzoeksters beiden, onafhankelijk van elkaar, een vorderingsrecht. Cool Kidz B.V. heeft een vordering van € 50.000,00, en Kinderdagverblijf het Opstapje B.V. heeft een vordering van
€ 20.000,00 op verweerster. Van de akte van retrocessie is onverwijld per e-mailbericht van
23 mei 2022 mededeling gedaan aan verweerster. Ondanks de herhaalde verzoeken van verzoeksters en de eerdere toezegging van verweerster over de terugbetaling van de geldleningen, heeft verweerster geen betalingen verricht. Het verweer van verweerster dat zij een tegenvordering heeft die verrekenbaar is met de vorderingen van verzoeksters, slaagt niet. Verweerster heeft een tegenvordering jegens [naam 3] en niet jegens verzoeksters. Daarnaast staat de tegenvordering van verweerster nog niet vast en zolang deze niet vaststaat, is verrekening niet mogelijk. Bovendien wordt het vorderingsrecht van verzoeksters niet betwist. [naam 3] en verweerster zijn thans verwikkeld in een zakelijk geschil en daar hebben verzoeksters niets mee te maken.
Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen het vorderingsrecht van verzoeksters. Hiertoe is (samengevat) onder meer aangevoerd dat de heer [naam 3] , bestuurder en aandeelhouder van [naam 3] en feitelijk bestuurder van verzoeksters, via verzoeksters geld leende aan verweerster en dat hij via [naam 3] werkzaamheden verrichte voor verweerster. Verweerster en [naam 3] zijn thans verwikkeld in een zakelijk geschil over die werkzaamheden en dat is de echte aanleiding voor de onderhavige faillissementsaanvraag. Er is door [naam 3] een bodemzaak aanhangig gemaakt waarin zij een bedrag van € 129.000,00 vordert voor verrichte diensten (en waarin een comparitie van partijen gepland staat op 24 augustus 2022). Daarnaast zijn tussen partijen twee kort gedingen gevoerd (inzake door opheffing van de door [naam 3] gelegd beslag en afgifte van stukken) waarin verweerster in het gelijk is gesteld en er loopt een klachtprocedure bij de Noab. Verweerster stelt zich (in reconventie in de bodemprocedure) op het standpunt dat [naam 3] ernstig is tekortgeschoten in de uitvoering van de overeenkomst van opdracht met verweerster. Over meerdere jaren zijn geen of foutieve loonheffingsaangiften gedaan waardoor aanzienlijke schade is ontstaan (tot en met 2016 is al voor tenminste € 150.000,00 aan boeterente opeisbaar geworden). Bovendien heeft [naam 3] verweerster verkeerd geadviseerd inzake fiscale bijtellingsregelingen, als gevolg waarvan bijna € 1 miljoen aan schade is geleden. Verweerster voert aan dat door de aanvankelijke cessie van de vorderingen van verzoeksters aan [naam 3] deze onderdeel zijn geworden van het vermogen van [naam 3] Ondanks de retrocessie mag verweerster haar vordering verrekenen (ex artikel 6:130 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)). Die vordering bedraagt in totaal circa € 1 miljoen en is dus aanzienlijk hoger dan de vordering die verzoeksters (althans [naam 3] op verweerster hebben. In de kortgedingvonnissen overwegen de voorzieningenrechters ook dat het aannemelijk is dat de vordering van verweerster op [naam 3] (in ieder geval gedeeltelijk) zal worden toegewezen (eerste kortgedingvonnis) en dat het nog maar de vraag is of [naam 3] na verrekening nog wel een vordering heeft (tweede kortgedingvonnis).
Verweerster heeft voorts betwist dat er sprake is van pluraliteit. Vlak voor het aanhangig maken van de bodemzaak zijn de vorderingen van verzoeksters aan [naam 3] gecedeerd. Nu die zaak slecht dreigt af te lopen voor [naam 3] zijn de vorderingen terug gecedeerd aan verzoeksters, puur en alleen om aan het vereiste van pluraliteit te kunnen voldoen. Ondanks het gegoochel met beweerdelijke vorderingen tussen diverse vennootschappen is er de facto nog steeds sprake van slechts één schuldeiser, namelijk [naam 3] Verweerster heeft zich op het standpunt gesteld dat het aanvragen van het faillissement door de heer [naam 3] via verzoeksters uitsluitend geschiedt om verweerster monddood te maken in de lopende procedures en om onder de schadevergoeding, tot betaling waarvan [naam 3] in de hoofdzaak naar waarschijnlijkheid zal worden veroordeeld, uit te komen. Dat levert (eveneens) misbruik van bevoegdheid op.