8. Motivering straf
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Verder wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft op 21 mei 2019 te Hendrik-Ido-Ambacht een verkeersongeval veroorzaakt. De verdachte reed in een herkenbaar dienstvoertuig van de politie en nam deel aan een achtervolging van een motorvoertuig, waarbij hij optische en geluidssignalen voerde. Tijdens deze achtervolging heeft de verdachte binnen de bebouwde kom met een snelheid van meer dan 130 km/u gereden en heeft hij onvoldoende oog gehad voor de veiligheid van de overige weggebruikers. Uiteindelijk is hij in botsing gekomen met het op dat moment stilstaande voertuig van de aangever [naam aangever] . Zowel [naam aangever] als de bijrijder van het politievoertuig, de getuige [naam getuige] , hebben langdurig hun normale werkzaamheden niet kunnen uitvoeren. De verdachte heeft ter zitting volhard in zijn standpunt dat onder de hierbij geschetste omstandigheden zijn handelwijze tijdens de achtervolging verantwoord en gerechtvaardigd was. De rechtbank deelt dit standpunt nadrukkelijk niet. Hoewel wordt onderkend dat zekere risico’s binnen zijn taakstelling als politieman soms onvermijdelijk zijn, rekent zij de verdachte aan dat hij door zo hard te rijden en zonder concrete informatie in te winnen over de noodzaak daartoe, een onverantwoord risico voor de verkeersveiligheid heeft genomen.
De rechtbank houdt bij de op te leggen straf rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het uittreksel van de justitiële documentatie van 30 november 2021 blijkt dat verdachte niet eerder veroordeeld is. Verder blijkt uit het dossier en uit de verklaring van de verdachte ter zitting dat het ongeval een zware wissel op zijn persoonlijke en professionele leven heeft getrokken en dat hij psychisch nog altijd niet de oude is.
Bij de berechting van een zaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. De rechtbank constateert met de officier van justitie en de verdediging dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn en zal deze omstandigheid in het voordeel van verdachte betrekken in de op te leggen strafmodaliteit.
De rechtbank acht op grond van het voorgaande, en ondanks haar afwijkende beoordeling van de mate van schuld, de door de officier van justitie gevorderde voorwaardelijke taakstraf passend, en zal conform de eis de daarbij te stellen proeftijd bepalen op een jaar. Gelet op het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet de rechtbank geen aanleiding om daarnaast nog een (on)voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen.
11 . Beslissing
De rechtbank:
verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;
verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen;
bepaalt dat deze taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 1 jaar;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.A.F. Damen, voorzitter,
en mrs. J.M.L. van Mulbregt en F.J.E. van Rossum, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. N. Gregoor, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 21 mei 2019 te Hendrik-Ido-Ambacht als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (politie-/personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/ of onoplettend en/ of onachtzaam en/ of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden
op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Noordeinde welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, terwijl hij, verdachte, reed met optische- en geluidsignalen (in verband met een spoedmelding)
-met een zeer hoge snelheid, althans met een (veel) hogere snelheid dan de maximum toegestane snelheid van 50 km/u heeft gereden, en/of
-in ieder geval met groot snelheidsverschil ten opzichte van het overige verkeer heeft gereden en/ of
-zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij het voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/ of
-(aldus rijdende) niet tijdig heeft opgemerkt dat de bestuurder van een bestelauto, genaamd [naam aangever] , op die weg stil stond en/ of
-(vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met dat door die [naam aangever] bestuurde voertuig,
waardoor die [naam aangever] zwaar lichamelijk letsel (te weten rugklachten, vergeetachtigheid, concentratie verlies en voor 100% arbeidsongeschikt tot 26 november 2019) en/of de bijrijder van de politieauto [naam getuige] (slijtage en peesontsteking in de schoudergordel (pees niet gespecificeerd) en milde slijtage in de wervelkolom thv de borstkas en/of oogletsel (blijvend brildragend), of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
( art 6 Wegenverkeerswet 1994)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 mei 2019 te Hendrik-Ido-Ambacht als bestuurder van een voertuig (politie-perosnenauto), daarmee rijdende op de weg, het Noordeinde, terwijl hij, verdachte, reed met optische- en geluidsignalen (in verband met een spoedmelding)
-met een zeer hoge snelheid, althans met een (veel) hogere snelheid dan de maximum toegestane snelheid van 50 km/u heeft gereden, en/of
-in ieder geval met groot snelheidsverschil ten opzichte van het overige verkeer heeft gereden en/ of
-zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij het voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/ of
-(aldus rijdende) niet tijdig heeft opgemerkt dat de bestuurder van een bestelauto, genaamd [naam aangever] , op die weg stil stond en/ of
-(vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met dat door die [naam aangever] bestuurde voertuig,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/ of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
( art 5 Wegenverkeerswet 1994)