RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer: 9525015 CV EXPL 21-36301
datum uitspraak: 20 mei 2022
Vonnis van de kantonrechter
[eiser],
woonplaats: [woonplaats eiser],
eiser,
gemachtigde: mr. C.H. Bijvank,
1.
[gedaagde 1]
,
2. [gedaagde 2],
3.
[gedaagde 3]
[gedaagde 3],
woonplaats/vestigingsplaats: [plaatsnaam],
gedaagden,
gemachtigde: mr. E.M.C. Melis.
De partijen worden hierna ‘[eiser]’, ‘ [gedaagde 1]’, ‘[gedaagde 2]’ en ‘[gedaagde 3]’ genoemd. Gedaagden worden gezamenlijk aangeduid als ‘[gedaagden]’.
2. De feiten
2.1.
[gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn vennoten van [gedaagde 1]
2.2.
[eiser] is op 11 november 2018 in dienst getreden van [gedaagden] in de functie van Pizzabakker / zelfstandig werkend kok. Het maandsalaris van [eiser] bedroeg € 2.193,26 (bruto) per maand.
2.3.
Op 16 september 2020 heeft [eiser] bij [naam] (vennoot van [gedaagde 1], hierna: [naam]) aangegeven dat hij moeilijkheden had met de chef-kok [gedaagde 2].
2.4.
Op 17 september 2020 heeft [eiser] een verklaring getekend. Hierin staat - voor zover van belang - het volgende:
“Ondergetekende verklaart hierbij ontslag te nemen bij [gedaagde 1].
Het ontslag vind plaats onder de volgende voorwaarden, zoals afgesproken met [naam]:
1. Ik blijf officieel in dienst tot en met 30 september 2020 en zal ook tot die datum worden doorbetaald
2. Per vandaag, 17 september 2020 ben ik ontheven van de plicht van werkzaamheden bij [gedaagde 1]
3. Over de gehele werkperiode zal een afrekening worden gemaakt van overuren, vakantiedagen en vakantie-uren
4. Ik zal een extra bedrag ontvangen van €3.000 bruto bij de totale afrekening.”
2.5.
Op 17 september 2020 is door [naam] een verklaring getekend waarin hij aangeeft het ontslag van [eiser] te aanvaarden en akkoord te gaan met de onder 2.4 genoemde afspraken.
2.6.
Op 17 november 2020 heeft de (voormalig) gemachtigde van [eiser] aan [gedaagden] - voor zover van belang - het volgende geschreven:
“Met het schrijven 17 september 2020 heeft client nimmer beoogd zijn dienstverband zelf op te zeggen; zijn wil en verklaring kwamen niet overeen. Derhalve vernietigt client de opzegging op grond van dwaling.”
2.7.
De gemachtigde van [gedaagden] reageert per email van 25 november 2020 en stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een rechtsgeldige opzegging van de arbeidsovereenkomst door [eiser].
4. De beoordeling
4.1.
Partijen verschillen van mening over de vraag of door [eiser] (rechtsgeldig) is opgezegd.
4.2.
De kantonrechter stelt vast dat [eiser] in de brief van
17 september 2020 heeft verklaard dat hij zijn dienstverband wilde beëindigen per 30 september 2020. De vraag is of [gedaagden] gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen op deze verklaring van [eiser] dan wel of [gedaagden] had moeten onderzoeken of [eiser] daadwerkelijk de bedoeling had om ontslag te nemen. De beantwoording van die vraag, hangt af van alle omstandigheden van het geval, zoals de persoon van [eiser], de gevolgen van de opzegging voor [eiser] en de omstandigheden waaronder die opzegging is gedaan. In verband met de ernstige gevolgen die een opzegging voor een werknemer heeft (zoals mogelijk verlies van een WW-uitkering) mag een werkgever niet snel aannemen dat een verklaring van de werknemer is gericht op vrijwillige beëindiging van de dienstbetrekking.
Geen gerechtvaardigd vertrouwen
4.3.
[eiser] heeft de verklaring van 17 september 2020 waarin hij zijn arbeidsovereenkomst met [gedaagden] opzegt niet zelf geschreven. Dit heeft [gedaagden] voor hem gedaan. [gedaagden] heeft de verklaring voor [eiser] opgesteld in het Nederlands, terwijl [eiser] die taal niet machtig is. [eiser] heeft bovendien geen kennis van het Nederlandse arbeidsrecht. Gelet op die omstandigheden had van [gedaagden] mogen worden verwacht dat zij zou nagaan of [eiser] daadwerkelijk wilde opzeggen en de consequenties van een opzegging overzag.
4.4.
De kantonrechter stelt vast dat de gevolgen van een opzegging voor [eiser] nadelig zijn. [eiser] kon geen aanspraak maken op een WW-uitkering. [gedaagden] voert aan dat zij [eiser] een vaststellingsovereenkomst heeft aangeboden (om zijn WW-uitkering zoveel mogelijk veilig te stellen), maar [eiser] deze niet wilde accepteren. Voorgaande wordt door [eiser] gemotiveerd betwist. De door [gedaagden] in het geding gebrachte vaststellingsovereenkomst vermeldt dezelfde beëindigingsvoorwaarden als de voorwaarden in de opzeggingsverklaring, met als verschil dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden wordt beëindigd en waarbij wordt vermeld dat [eiser] geen verwijt treft van de beëindiging. [eiser] voert aan dat als hij die overeenkomst had getekend hij mogelijk wel aanspraak had kunnen maken op een WW-uitkering, zodat hij de voorkeur had gegeven aan die optie. [gedaagden] heeft dat onvoldoende weersproken. [gedaagden] stelt weliswaar dat zij [eiser] heeft gewezen op de gevolgen van een eenzijdige beëindiging, waaronder het mogelijke verlies van een WW-uitkering, maar dit wordt door [eiser] betwist en valt bovendien moeilijk te rijmen met haar stelling dat [eiser] de vaststellingsovereenkomst waarin de WW-aanspraken worden veilig gesteld, heeft afgewezen.
4.5.
Gelet op voorgaande omstandigheden is er geen sprake van een gerechtvaardigd vertrouwen als bedoeld in artikel 3:35 BW. Dit betekent niet dat de opzegging zoals [eiser] stelt vernietigbaar is, maar dat betekent dat de opzegging niet heeft plaatsgevonden. De gevorderde verklaring wegens vernietiging van de opzegging op grond van dwaling danwel misbruik van omstandigheden wordt daarom afgewezen.
4.6.
[eiser] vordert loon over de maand oktober 2020. Op grond van het bepaalde in artikel 7:628 lid 1 BW is de werkgever verplicht het loon te voldoen indien de werknemer de overeengekomen arbeid niet heeft verricht, tenzij het niet verrichten van de overeengekomen arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen.
4.7.
[gedaagden] stelt dat het niet verrichten van arbeid voor rekening van [eiser] dient te komen. Het enkele feit dat [eiser] op vakantie was en zich nooit expliciet bereid heeft verklaard tot het verrichten van werk is in dit geval niet genoeg om die conclusie te rechtvaardigen.
4.8.
[gedaagden] stelt zich verder op het standpunt dat een deel van het loon reeds is voldaan. Het aantal vakantiedagen waarop [eiser] recht had is reeds uitbetaald en moet volgens haar worden gezien als loon dat over oktober 2020 is doorbetaald. Dit standpunt is niet juist. Ook bij een beëindiging per 1 november 2020 is [gedaagden] verplicht om niet opgenomen vakantiedagen te betalen.
4.9.
De vordering ten aanzien van het loon over oktober 2020, zijnde een bedrag van € 2.368,72, wordt toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over het achterstallig loon is toewijsbaar vanaf de opeisbaarheid van het loon.
4.10.
Als te laat wordt betaald, heeft een werknemer in principe recht op een wettelijke verhoging die maximaal 50 % is. Het niet (door)betalen van het loon ligt binnen de risicosfeer van [gedaagden]. In dit geval vindt de kantonrechter het redelijk, omdat [eiser] zo lang heeft gewacht met het instellen van zijn vordering, de wettelijke verhoging te matigen tot 10 %. De gevorderde wettelijke verhoging wordt toegewezen tot een bedrag van € 236,87. De wettelijke rente over de wettelijke verhoging is toewijsbaar vanaf de dag van dagvaarding.
4.11.
Op grond van de wet (artikel 7:626 BW) is de werkgever gehouden om van het loon aan de werknemer een specificatie te verstrekken. De vordering van [eiser] die daarop ziet, wordt daarom toegewezen. De kantonrechter zal aan de veroordeling een dwangsom verbinden gematigd tot € 50,- per dag met een maximum van € 5.000,-.
buitengerechtelijke incassokosten
4.12.
De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen, omdat aan de voorwaarden is voldaan om een vergoeding voor deze kosten te krijgen. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is toewijsbaar over de hoofdsom van € 2.605,59 en bedraagt € 385,56. [eiser] vordert tevens wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten is toewijsbaar vanaf de dag van dagvaarding.
4.13.
[gedaagden] krijgt voor het grootste deel ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen. De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [eiser] tot vandaag vast op € 119,21 aan dagvaardingskosten, € 85,- aan griffierecht en € 498,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 249,- tarief). Dit is totaal € 702,21. De over dit bedrag gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen. Ook de gevorderde nakosten worden toegewezen.
uitvoerbaarheid bij voorraad
4.14.
Dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
5. De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagden] om aan [eiser] te betalen € 2.368,72, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt [gedaagden] om aan [eiser] te betalen € 236,87, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 22 oktober 2020 tot de dag van volledige betaling;
5.3.
veroordeelt [gedaagden] tot het verstrekken van de salarisspecificaties waarin de betaling van de bedragen zoals genoemd onder 5.1 en 5.2 zijn verwerkt, binnen 7 dagen na betekening van het vonnis op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 50,- per dag met een maximum van € 5.000,-;
5.4.
veroordeelt [gedaagden] om aan [eiser] te betalen € 385,56, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 22 oktober 2020 tot de dag van volledige betaling;
5.5.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, aan de kant van [eiser] tot vandaag vastgesteld op € 702,21 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na vandaag tot de dag van volledige betaling;
5.6.
veroordeelt [gedaagden] in de na vandaag te maken proceskosten, begroot op € 124,- aan salaris voor de gemachtigde en als niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis is voldaan en het vonnis is betekend, de explootkosten van deze betekening met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over deze kosten vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
5.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en in het openbaar uitgesproken.
47636