vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer / rolnummer: C/10/627877 / HA ZA 21-948
Vonnis in incidenten van 6 april 2022
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VBT TRANSPORT B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Barendrecht,
2. de rechtspersoon naar buitenlands recht
AIG EUROPE S.A.,
gevestigd te Luxemburg, Luxemburg, en kantoorhoudende te Capelle aan den IJssel,
3. de naamloze vennootschap
ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Apeldoorn,
4. de naamloze vennootschap
NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te ’sGravenhage,
eiseressen in de hoofdzaak,
verweersters in het bevoegdheidsincident,
verweerster in het vrijwaringsincident,
advocaat mr. V.R. Pool te Rotterdam,
1. de rechtspersoon naar buitenlands recht
[naam rechtspersoon 1]
,
gevestigd te [plaats] , [land 1]
gedaagde in de hoofdzaak,
advocaat mr. R.W.J.M. te Pas te Rotterdam,
2. de rechtspersoon naar buitenlands recht
[naam rechtspersoon 2]
,
gevestigd te [plaats] , [land 1] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het bevoegdheidsincident,
eiseres in het vrijwaringsincident,
advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam.
Eiseressen in de hoofdzaak zullen hierna gezamenlijk VBT c.s. genoemd worden en afzonderlijk VBT, AIG, Achmea en NN. Gedaagden in de hoofdzaak zullen hierna gezamenlijk [naam rechtspersoon 1] c.s. genoemd worden en afzonderlijk [naam rechtspersoon 1] en [naam rechtspersoon 2] .
2. De vordering in de hoofdzaak
2.1.
VTB c.s. vorderen dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [naam rechtspersoon 1] c.s. hoofdelijk, althans ieder voor zich, veroordelen tot betaling aan VTB c.s., althans aan VTB, althans aan AIG, althans aan Achmea, althans aan NN, tegen behoorlijk bewijs van kwijting van € 69.225,69, te vermeerderen met rente als bedoeld in het Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (hierna: CMR), dan wel de wettelijke rente, vanaf 25 mei 2020, althans vanaf de dag van de dagvaarding, tot de dag van de volledige betaling, met veroordeling van [naam rechtspersoon 1] c.s., althans ieder voor zich, in de proceskosten en de nakosten.
2.2.
Hieraan leggen VTB c.s. de volgende stellingen ten grondslag.
2.2.1.
VBT is logistiek dienstverlener. VBT ontving van BTS Logistics B.V. op 13 mei 2020 de opdracht om een zending ‘solar modules’ (hierna: de goederen) over de weg te vervoeren van Rotterdam naar Wittstock in Duitsland. VBT heeft het vervoer niet zelf uitgevoerd, maar daartoe opdracht gegeven aan [naam rechtspersoon 1] .
2.2.2.
De zaken zijn op 18 mei 2020 door [naam rechtspersoon 1] , althans een hulppersoon van
[naam rechtspersoon 1] in de zin van artikel 3 CMR, ten vervoer in ontvangst genomen. Op 22 mei 2020 is geconstateerd dat de goederen niet bij de geadresseerde zijn afgeleverd. [naam rechtspersoon 1] is als vervoerder aansprakelijk voor verlies van de goederen dat is ontstaan tussen het moment van inontvangstneming van de goederen en het moment van aflevering daarvan (artikel 17 lid 1 CMR).
2.2.3.
AIG, Achmea en NN zijn de verzekeraars van VBT en BTS. [naam rechtspersoon 2] is de verzekeraar van [naam rechtspersoon 1] .
2.2.4.
Naar Pools recht, dat de verzekeringsovereenkomst tussen [naam rechtspersoon 2] en [naam rechtspersoon 1] beheerst, heeft een derde-schadelijdende partij een directe actie tegen de verzekeraar onder de (vervoerders)aansprakelijkheidsverzekering
2.2.5.
De schade waar [naam rechtspersoon 1] c.s. (hoofdelijk) aansprakelijk voor zijn, bedraagt in totaal € 69.225,69. Dit is de waarde van de zaken, die deels vergoed is door AIG, Achmea en NN en deels (op grond van eigen risico) voor rekening van VBT gebleven. AIG, Achmea en NN zijn derhalve gesubrogeerd. De vordering wordt namens alle vier de eiseressen ingesteld om formele problemen te vermijden.
3. Het geschil in het bevoegdheidsincident
3.1.
[naam rechtspersoon 2] vordert dat de rechtbank VBT c.s. in de vorderingen jegens [naam rechtspersoon 2] niet-ontvankelijk verklaart, met hoofdelijke veroordeling van VBT c.s. in de proceskosten en de nakosten.
3.2.
VBT c.s. voeren verweer en concluderen tot afwijzing van deze incidentele vordering van [naam rechtspersoon 2] , met veroordeling van [naam rechtspersoon 2] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis in de proceskosten van dit incident.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5. De inhoudelijke beoordeling in het bevoegdheidsincident
5.1.
Het geschil in dit incident betreft de vraag of deze rechtbank internationaal bevoegd is kennis te nemen van de vordering van VBT c.s. tegen [naam rechtspersoon 2] .
5.2.
Hier is sprake van een zaak met betrekking tot internationaal goederenvervoer over de weg. Artikel 31 CMR, bij welk verdrag alle landen waar deze zaak betrekking op heeft partij zijn, bevat regels inzake de rechterlijke bevoegdheid. Aan de in artikel 1 CMR neergelegde vereisten voor de dwingendrechtelijke toepasselijkheid van dit verdrag is voldaan in deze zaak.
5.3.
Voorts is sprake van een internationaal geschil waarop de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel IbisVo) van toepassing is. Deze laat echter de bevoegdheid bepalingen van de CMR onverlet (artikel 71), “mits deze regels in hoge mate voorspelbaar zijn, een goede rechtsbedeling vergemakkelijken en het risico van parallel lopende processen zo veel mogelijk kunnen beperken, en mits deze regels onder ten minste even gunstige voorwaarden als die waarin deze verordening voorziet het vrije verkeer van beslissingen in burgerlijke en handelszaken en het wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling binnen de Unie (favor executionis) waarborgen.” (HvJEU 4 mei 2010, ECLI:EU:C:2010:243). Artikel 31 lid 1 voldoet aan deze criteria.
5.4.
Dat er naar Pools recht een directe actie bestaat van degene die schade lijdt op de verzekeraar van degene die voor de schade aansprakelijk is, is niet betwist door [naam rechtspersoon 2] , zodat de rechtbank van de juistheid van die stelling uitgaat. Onbetwist is voorts gesteld dat AIG, Achmea en NN ieder een deel van de schade hebben vergoed (onderdeel 3.7 van de dagvaarding), waaruit volgt dat zij in de rechten van hun verzekerde (artikel 7:962 BW) zijn getreden. Hieruit volgt dat zij óók een directe actie hebben op [naam rechtspersoon 2] .
5.5.
Artikel 31 lid 1 CMR is zeer ruim geformuleerd: alle rechtsgedingen waartoe het CMR-vervoer aanleiding geeft. Naar het oordeel van de rechtbank vallen hieronder niet alleen de vorderingen tussen de CMR-contractspartijen, maar ook directe acties van een van de contractspartijen (in dit geval: VBT) jegens de verzekeraar ( [naam rechtspersoon 2] ) van de andere. De rechtsgedingen van de in de rechten van hun verzekerde-CMR-contractspartij (VBT) getreden verzekeraars (AIG, Achmea en NN) vinden hun aanleiding eveneens in het CMR-vervoer en vallen dus eveneens onder artikel 31 lid 1 CMR.
5.6.
Volgens artikel 31 lid 1 CMR kunnen de gedingen worden gebracht voor de gerechten van het land op het grondgebied waarvan de plaats van inontvangstneming van de goederen is gelegen. Vaststaat dat die plaats in het Europoortgebied ligt, in het arrondissement van deze rechtbank.
5.7.
De rechtbank is derhalve bevoegd. De incidentele vordering tot onbevoegdverklaring wordt afgewezen. Het overig door partijen over de bevoegdheid aangevoerde behoeft geen bespreking.
9. De beslissing
De rechtbank
in het bevoegdheidsincident
9.1.
wijst de incidentele vordering af;
in het vrijwaringsincident
9.2.
staat toe dat [persoon A] , met woonplaats in [woonplaats 1] , [land 1] , en handelend onder de naam [handelsnaam A] door [naam rechtspersoon 2] wordt gedagvaard tegen de terechtzitting van 18 mei 2022;
9.3.
staat toe dat [naam rechtspersoon 3] ., met woonplaats te [woonplaats 2] , [land 2] door [naam rechtspersoon 2] wordt gedagvaard tegen de terechtzitting van 18 mei 2022;
9.4.
veroordeelt [naam rechtspersoon 2] in de proceskosten, aan de zijde van VBT c.s. tot op heden begroot op € 563,00;
9.5.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
9.6.
verwijst de zaak naar de rol van 18 mei 2022 voor het nemen van een conclusie van antwoord door [naam rechtspersoon 1] ;
9.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J. van den Bos en in het openbaar uitgesproken op 6 april 2022.
901/1407