RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer: 8398405 CV EXPL 20-9220
uitspraak: 15 januari 2021
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
[eiser] ,
wonende te [woonplaats eiser] ,
eiser,
die zelf procedeert,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats gedaagde] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. G.J.M. de Jager.
Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’.
2. De vaststaande feiten
2.1
Als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken, staat het volgende tussen partijen vast.
2.2
[gedaagde] is lid van het CDA. Sinds 9 december 2015 is hij burgemeester van de gemeente [naam gemeente]. In maart 2019 waren de verkiezingen voor de Provinciale Staten. [eiser] heeft bij die verkiezingen gestemd op Thierry Baudet van Forum voor Democratie. Na de verkiezingen heeft Baudet een speech gehouden.
2.3
Op 23 maart 2019 heeft [gedaagde] het volgende bericht geplaatst op Twitter:
2.4
Het bericht is twee dagen na het plaatsen verwijderd.
3. Het geschil
3.1
[eiser] vordert dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling aan [eiser] van € 1.750,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 23 maart 2019 tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten waaronder een bedrag aan nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2
[eiser] legt het volgende aan zijn vordering ten grondslag. Het twitterbericht van [gedaagde] is onrechtmatig tegenover [eiser] , omdat in het bericht valselijk een verband wordt gelegd tussen Forum voor Democratie enerzijds en fascisme en nationaalsocialisme anderzijds. [eiser] is door het bericht van [gedaagde] gekrenkt, omdat hij op Forum voor Democratie heeft gestemd. [eiser] is door het bericht in zijn eer en goede naam aangetast en daarmee heeft hij schade geleden.
3.3
[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering. Hij voert aan dat zijn uitlating niet onrechtmatig is en in het bijzonder niet tegenover [eiser] , onder meer omdat de uitlating valt binnen de grenzen van de vrijheid van uiting. [eiser] heeft met zijn bericht geen waardeoordeel willen geven, maar willen verwijzen naar een al gaande discussie of Baudet kan worden verweten een fascistische ideologie te verkondigen. [gedaagde] heeft bovendien excuses gemaakt en publiekelijk laten weten dat hij met het bericht geen koppeling heeft willen maken tussen Forum voor Democratie en het fascisme.
4. De beoordeling
4.1
Vooropgesteld wordt dat in deze procedure niet aan de orde is of de uitlating van [gedaagde] terecht of passend is. Beoordeeld moet worden of de uitlating onrechtmatig is tegenover [eiser] . Daarbij staan twee rechten tegenover elkaar: het recht van vrijheid van meningsuiting van degene die de uitlating heeft gedaan en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van degene op wie de uitlating betrekking heeft. Deze twee rechten zijn in beginsel gelijkwaardig, zodat steeds moet worden beoordeeld welk recht in het concrete geval zwaarder moet wegen1.
4.2
Het recht van vrijheid van meningsuiting volgt onder meer uit artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden [hierna: EVRM] en uit artikel 7 van de Grondwet. Volgens [eiser] valt het bericht van [gedaagde] niet binnen de grenzen van de vrijheid van meningsuiting omdat [gedaagde] later heeft verklaard dat het bericht zijn mening niet juist weergeeft en artikel 10 EVRM in zo’n geval geen bescherming biedt. Dit standpunt is echter niet juist: artikel 10 EVRM beschermt ook uitlatingen die iemand (in dit geval: [gedaagde] ) doet terwijl diegene in werkelijkheid een andere mening heeft. Daarom kan in het midden blijven in hoeverre het bericht van [gedaagde] zijn werkelijke mening weergeeft.
4.3
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] met zijn bericht een verband gelegd tussen Baudet en het Forum voor Democratie enerzijds en het fascisme en het nationaalsocialisme anderzijds. Het bericht verwees immers naar de speech van Baudet na de Provinciale Statenverkiezing terwijl de boeken die bij het bericht waren afgebeeld gaan over het fascisme en het nationaalsocialisme. [gedaagde] heeft bij het bericht geschreven dat hij deze boeken ‘maar weer op de leesstapel heeft gelegd’, kennelijk dus naar aanleiding van de speech van Baudet. [gedaagde] moet hebben begrepen dat de lezers van het bericht daaruit zouden afleiden dat [gedaagde] gelijkenissen zag tussen het gedachtegoed van Baudet en het fascisme en nationaalsocialisme.
4.4
Het is mogelijk dat leden en aanhangers van Forum voor Democratie, zoals [eiser] , het met de inhoud van het bericht niet eens zijn en zich erdoor beledigd voelen. Het feit dat een uitlating beledigend is of zo wordt ervaren, maakt de uitlating echter nog niet onrechtmatig. Vrijheid van uiting heeft immers ook betrekking op uitlatingen die beledigende, schokkende of verontrustende inlichtingen en denkbeelden betreffen.2
4.5
Voor de vraag of een uitlating tegenover een ander onrechtmatig is, kan van belang zijn of de uitlating wordt ondersteund door op dat moment bekende feiten. De uitlating waar het hier om gaat is echter geen feitelijke bewering maar een waardeoordeel. Bij een waardeoordeel is minder relevant of dit oordeel wordt ondersteund met feiten omdat een dergelijk oordeel in beginsel niet als waar of onwaar kan worden aangemerkt en dus ook niet bewezen kan worden3. Dat geldt in dit geval nog sterker omdat het niet aan de rechter is om te beoordelen of het gedachtegoed van een politicus of een politieke partij al dan niet past binnen een (verwerpelijke) politieke stroming. Dit is een discussie die zo nodig in het politieke domein moet worden gevoerd. Het is ook niet aan de rechter om te beoordelen of een uitlating passend is voor een burgemeester. Het is in de eerste plaats aan de gemeenteraad om het handelen van een burgemeester te beoordelen en - indien hij dat nodig acht - het vertrouwen in de burgemeester op te zeggen.
4.6
Van belang is verder dat de uitlating is gedaan in het kader van het politieke debat. Het bericht is een reactie op een politieke speech van Baudet na de Provinciale Statenverkiezingen en het bericht heeft betrekking op het gedachtegoed van Forum voor Democratie. Een uitlating die is gedaan in het kader van het publieke debat is niet snel onrechtmatig omdat het politieke debat scherp moet kunnen worden gevoerd4.
4.7
Van schending van artikel 20 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten is - anders dan [eiser] meent - geen sprake. Dit artikel bepaalt dat moet worden verboden het propageren van op nationale afkomst, ras of godsdienst gebaseerde haatgevoelens die aanzetten tot discriminatie, vijandigheid of geweld. Het bericht van [gedaagde] heeft geen betrekking op afkomst, ras of godsdienst en het bericht zet niet aan tot discriminatie, vijandigheid of geweld. De door [eiser] genoemde uitingen van anderen, maken dit niet anders, omdat die uitlatingen niet afkomstig zijn van [gedaagde] en het bericht van [gedaagde] met die uitlatingen geen direct verband houdt.
4.8
Samenvattend moet worden geoordeeld dat [gedaagde] met zijn bericht het gedachtegoed van Baudet en Forum voor Democratie weliswaar in verband heeft gebracht met het fascisme en het nationaalsocialisme, maar dat deze uitlating valt binnen de grenzen van de vrijheid van uiting omdat het een waardeoordeel betreft dat is geuit in het kader van het publieke debat. [gedaagde] heeft daarom niet onrechtmatig gehandeld. [eiser] zou bovendien alleen recht op schadevergoeding hebben als [gedaagde] tegenover hem onrechtmatig zou hebben gehandeld. Een uitlating over een politieke partij of over de leider van die partij is in beginsel niet onrechtmatig tegenover de kiezers van die partij, ook niet als die door het bericht diep zijn geraakt. Ook daarom moet de vordering van [eiser] worden afgewezen.
4.9
[eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. Voor de kosten van de advocaat van [gedaagde] wordt een vergoeding toegekend op basis van de daarvoor geldende tarieven. In dat kader is niet van belang of de advocaat door [gedaagde] zelf wordt betaald of door een derde.
4.10
De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat [eiser] aan dit vonnis moet voldoen, ook als hij daartegen hoger beroep instelt, tot het moment waarop dit vonnis eventueel door het gerechtshof of de Hoge Raad wordt vernietigd.
5. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 360,- aan salaris voor de gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;
en indien gedaagde niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, begroot op € 90,- aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening. Ook is [eiser] de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over het nasalaris en de betekeningskosten verschuldigd vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;
verklaart de proceskostenveroordeling in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
371