7. Motivering straf
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
In de auto waarin de verdachte zich bevond is een verborgen ruimte aangetroffen, met daarin een forse handelshoeveelheid cocaïne. Verder is in de woning van de verdachte ook een aanzienlijk contant geldbedrag, twee vuurwapens, drie patroonhouders met kogelpatronen gevonden. Gegeven deze omstandigheden heeft het er alle schijn van dat dit een ‘spookwoning’ betreft, waarbij de verdachte werkzaam is voor een drugsorganisatie. De verdachte heeft zich hierbij schuldig gemaakt aan witwassen, vuurwapenbezit en het vervoer en voorhanden hebben van bijna vijf kilo harddrugs.
Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd. Bovendien vormt het een aantasting van de legale economie en is het, mede vanwege de ondermijnende invloed ervan op het legale handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving. Het is daarnaast algemeen bekend dat verdovende middelen schadelijk zijn voor de volksgezondheid en dat het gebruik ervan bezwarend is voor de samenleving. Bovendien gaat de handel in harddrugs niet zelden gepaard met andere vormen van ernstige criminaliteit. Het risico daarop is in dit geval temeer niet denkbeeldig, gelet op de vuurwapens en (bijbehorende) munitie die de verdachte voorhanden heeft gehad. Het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie levert in het algemeen het risico van het feitelijk gebruik van die wapens op, met alle gevolgen van dien. Tegen verboden vuurwapengebruik dient dan ook streng te worden opgetreden. Dit geldt hier temeer, omdat in de drugshandel het gebruik van vuurwapens niet zelden tot slachtoffers leidt.
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 augustus 2021 en op een Litouws uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 april 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.
De rechtbank ziet, anders dan de officier van justitie, geen aanleiding om een deel van de straf in voorwaardelijke vorm op te leggen. Verder zal een hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd dan de officier van justitie heeft gevorderd. Daarbij is in aanmerking genomen dat het de verdachte kennelijk werd toevertrouwd om te verblijven in een zeer luxe woning met daarin een aanzienlijk geldbedrag. De verdachte is dan ook geen “kleine jongen”, maar bevindt zich kennelijk hoog in de keten van de (drugs)criminaliteit om met dergelijke grote hoeveelheden geld en drugs te worden vertrouwd. Hij is samen met [naam medeverdachte] in georganiseerd verband te werk gegaan. Tot slot heeft hij geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen. Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen, waaronder de hieronder besproken verbeurdverklaring, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
11 . Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor feit 1:
de in beslag genomen contant geldbedragen van € 155.900,- en € 5.000,- genoemd op de beslaglijst onder de nummers 9 en 10;
- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor feit 3:
de in beslag genomen cocaïne genoemd op de beslaglijst onder nummer 2;
- gelast de teruggave aan verdachte van de goederen genoemd op de beslaglijst onder de nummers 1, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 11 en 12.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J. van Dort, voorzitter,
en mrs. W.M. Stolk en H.J. de Kraker, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C. van Wingerden, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Tekst gewijzigde tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
feit 1:
Hij op of omstreeks 14 april 2021, te [plaatsnaam 1] , althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) of meer ander(en), althans alleen,
van een voorwerp, te weten een geldbedrag, totaal 160.900 EUR, althans een geldbedrag, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp was, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp voorhanden heeft gehad,
een voorwerp, te weten een geldbedrag, totaal 160.900 EUR, althans een geldbedrag,
heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet,
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf;
(artikel 420bis lid 1 aanhef onder a Wetboek van Strafrecht)
feit 2:
hij op of omstreeks 14 april 2021, te [plaatsnaam 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) of meer ander(en), althans alleen,
(twee) wapen(s) als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten - een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Glock 19 type Gen 4 kaliber 9 mm, en/of twee patroonmagazijnen,
(daarbij horende) munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de categorie III te weten
29 kogelpatronen, kaliber 9 mm, en/of
- een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Zastava type M57 kaliber 7.62 × 25 mm (7.62 tokarev), en/of een patroonmagazijn,
(daarbij horende) munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de categorie III te weten 9 kogelpatronen kaliber 7.62 × 25 mm (7.62 tokarev), voorhanden heeft gehad.
(artikel 26 jo. artikel 55 Wet wapens en munitie)
feit 3:
hij op of omstreeks 14 april 2021 te [plaatsnaam 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) of meer ander(en), althans alleen,
opzettelijk
heeft verwerkt en/of verkocht
en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- ongeveer 4910,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en/of
- ongeveer 50,5 gram, in elk bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middels als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
(artikel 10 lid 4 jo. artikel 2 onder B Opiumwet)
(artikel 10 lid 3 jo. artikel 2 onder A Opiumwet)