Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBROT:2019:6549

Rechtbank Rotterdam
08-07-2019
16-08-2019
10-230512-17
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig

Opzettelijke brandstichting in vereniging in een geparkeerde auto. Gemeen gevaar voor goederen, geen gevaar voor personen. Ontkennende verdachte, uitgebreide bewijsoverweging. Oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf.

Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10-230512-17

Datum uitspraak: 8 juli 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. Y.L. Zandbergen, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 24 juni 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J. Castelein heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde, met uitzondering van het onderdeel dat ziet op gevaar voor personen;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 180 uur, subsidiair 90 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Inleiding

Het operationeel centrum van de politie geeft op 6 november 2017 om 3:54 uur een melding uit aan surveillerende agenten over een autoalarm dat afgaat op de Olmenwede te Barendrecht. Er is gemeld dat er een persoon bij de auto is weggerend, dat er vlammen en rook te zien zijn bij de auto en dat er een donkerkleurig voertuig is weggereden vanaf die plaats.

Op de Olmenwede treft de politie een geparkeerde Seat Leon aan. Het raam van het portier linksachter is niet volledig gesloten en er komt rook uit het voertuig. Op de achterbank van de auto treft de politie een zogeheten Molotov cocktail aan. Rondom het voertuig liggen diverse half verbrande zakdoekjes en een geopend pakje zakdoekjes. Aan de bijrijderskant van de Seat Leon worden ook twee stukken witte aanmaakblokken aangetroffen naast de auto. In de auto worden ter hoogte van de achterbank diverse (brokstukken van) aanmaakblokjes aangetroffen.

4.1.2.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat er onvoldoende wettig bewijs is dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan brandstichting. Ten aanzien van de in en bij de Seat aangetroffen aanmaakblokjes geldt dat alleen vermoed en niet vastgesteld kan worden dat die uit dezelfde verpakking komen als de bij medeverdachte [naam medeverdachte] in de auto aangetroffen aanmaakblokjes. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal onvoldoende dat er gemeen gevaar voor goederen of levensgevaar voor personen heeft bestaan. Naast wettig bewijs ontbreekt het ook aan overtuigend bewijs dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde omdat uit het dossier blijkt dat er vermoedelijk een pyromaan actief was in Barendrecht. Eerder diezelfde dag was er een andere melding van brandstichting waarbij ook gebruik is gemaakt van aanmaakblokjes. De verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

4.1.3.

Beoordeling

Verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] vatten post nabij de rotonde Carnisser Baan – Noordersingel in Barendrecht om uit te kijken naar een donkerkleurige auto. Om 4:05 uur zien zij een donkerkleurig voertuig aan komen rijden. Zij geven de bestuurder een stopteken en controleren zijn rijbewijs. Medeverdachte [naam medeverdachte] blijkt de bestuurder van die auto te zijn. Als de verbalisanten hem vragen waarom hij daar op dat moment rijdt verklaart hij dat hij onderweg is naar Rotterdam Zuid en dat hij net een vriend heeft afgezet aan de Olmenwede. De politie ziet een jerrycan tussen de bestuurdersstoel en de achterbank staan en door het geopende raam ruikt een van de verbalisanten een sterke benzinegeur. In de middenconsole worden twee bruinkleurige aanmaakblokjes gezien en er ligt een wit papieren zakdoekje voor de passagiersstoel. In de auto van medeverdachte [naam medeverdachte] wordt een aangebroken verpakking aanmaakblokjes aangetroffen. Als hem wordt gevraagd waarom hij die goederen in zijn auto heeft vraagt hij “Hoezo? Waar is dat fikkie dan?”. De verbalisanten hebben op dat moment nog niks over de reden van hun onderzoek gezegd.

Aanmaakblokjes

De aanmaakblokjes die in de Seat Leon en in de auto van de medeverdachte [naam medeverdachte] zijn aangetroffen zijn qua materiaal, kleur, dikte en onderverdeling in blokjes soortgelijk aan elkaar.

Een onaangebroken verpakking aanmaakblokjes bestaat uit één plak die vanuit de fabriek is voorzien van groeven zodat het mogelijk is die plak op te breken in 48 vierkante blokjes. Drie van de vier stukken aanmaakblokjes die in de Seat Leon zijn aangetroffen blijken op zowel de horizontale als de verticale breuklijnen van de twee plakken uit de in de auto van medeverdachte [naam medeverdachte] aangetroffen aanmaakblokjes te passen. De rechtbank stelt in dit verband - in afwijking van het betoog van de raadsvrouw van de verdachte - vast dat de breuklijn op de foto geen rechte breuklijn betreft. De rechtbank volgt de verdediging daarom niet als zij stelt dat slechts vermoed kan worden dat de verschillende stukken uit hetzelfde pakje komen.

Conclusie forensische opsporing

De forensische opsporing concludeert dat de brand in de auto is aangestoken. Door die brand is gemeen gevaar voor goederen te duchten geweest omdat de brand bij voortzetting een uitslaande brand was geworden en hierdoor schade aan andere goederen, zoals nabij geparkeerde auto’s, te duchten was geweest. De rechtbank neemt die conclusie over en stelt vast dat er gemeen gevaar voor goederen heeft bestaan.

Aangifte

De eigenaar van de auto, [naam aangever] , doet aangifte van brandstichting. Hij verklaart dat zijn zoon - verdachte - de auto die nacht voor het laatst heeft gebruikt toen hij wat is gaan eten in Rotterdam. Verdachte heeft tegen hem gezegd dat hij de auto tussen 3:30 en 4:00 uur heeft geparkeerd aan de Olmenwede. De aangever verklaart dat zijn zoon altijd vrij is op maandag.

Verklaringen

Verdachte wordt als getuige gehoord door de politie op 8 november 2017. Hij verklaart dat hij iets is gaan eten bij [naam horecagelegenheid] in Rotterdam en dat hij de auto rond 2:30 uur weer heeft geparkeerd. Hij heeft toen nog een half uur in de auto op zijn telefoon op social media gezeten voordat hij om 3 uur naar huis is gegaan. Om 3:30 uur is hij gaan slapen.

Medeverdachte [naam medeverdachte] heeft tijdens zijn eerste twee verhoren bij de politie niet over de verdenking willen verklaren. Op 9 november 2017 is hij voorgeleid aan de rechter-commissaris. Daar heeft hij verklaard dat hij met verdachte wat was gaan eten bij [naam horecagelegenheid] in Rotterdam. Verdachte heeft hem daarna thuis afgezet. Later belde verdachte hem op en vroeg hem benzine te komen brengen voor verdachtes scooter. Medeverdachte [naam medeverdachte] verklaart dat hij werd aangehouden toen hij onderweg was naar verdachte.

Een dag later, op 10 november 2017, meldt verdachte zich met een advocaat bij het politiebureau om (nog steeds als getuige) zijn eerder afgelegde verklaring aan te vullen. Hij verklaart dat hij de nacht van de brand samen met medeverdachte [naam medeverdachte] bij [naam horecagelegenheid] heeft gegeten. Tussen 2 en 2:30 uur zijn zij bij [naam horecagelegenheid] vertrokken en heeft hij medeverdachte [naam medeverdachte] thuis afgezet. Toen hij tussen 3 en 3:30 uur thuis in bed lag bedacht hij zich dat zijn moeder de auto maandag nodig zou hebben. Hij zou daarom gebruik moeten maken van zijn Vespa scooter. Hij heeft daarop medeverdachte [naam medeverdachte] gebeld en gevraagd om benzine naar hem toe te brengen omdat die Vespa zonder benzine stond.

Medeverdachte [naam medeverdachte] verklaart op 15 november 2017 dat verdachte hem had verteld dat hij om 8 uur weg moest met de scooter. Medeverdachte [naam medeverdachte] laat zijn auto altijd wassen bij het familiebedrijf van verdachte. Medeverdachte [naam medeverdachte] vermoedt dat verdachte toen een jerrycan heeft gezien in zijn auto en dat hij hem daarom vroeg of hij die jerrycan nog steeds in zijn auto had liggen. Medeverdachte [naam medeverdachte] had echter geen jerrycan in zijn auto liggen. Medeverdachte [naam medeverdachte] heeft verklaard dat hij daarom naar het BP tankstation is gereden om een jerrycan te kopen en te vullen met benzine.

Als verdachte op 16 november 2017 als verdachte wordt gehoord verklaart hij dat medeverdachte [naam medeverdachte] onderweg naar hem was met benzine voor zijn Vespa. Als hem wordt voorgehouden dat de politie van zijn vader heeft begrepen dat [naam verdachte] vrij is op maandag, verklaart hij dat hij laat in de middag langs zijn werk zou gaan. Verdachte wil geen reactie geven als hem wordt voorgehouden dat hij eerder heeft verklaard dat hij de scooter om 8 uur nodig zou hebben, terwijl hij nu verklaart dat hij hem in de middag nodig zou hebben.

Uitlezen telefoon verdachte

Op 14 november 2017 vraagt de politie toestemming aan verdachte om zijn telefoon uit te lezen zodat zij kunnen nagaan welke telefonische contacten er in de nacht van de brand tussen verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] zijn geweest. Verdachte verklaart dat hij de enige gebruiker van de telefoon is en werkt mee aan het verzoek.

Als de politie de telefoon uitleest zien zij dat er op de telefoon via Google op 6 november 2017 om 2:42 uur is gezocht naar “auto verbranden beste optie”, en daarna vanaf 3:06 naar “Molotov cocktail” en “Molotov cocktail maken”. De volgende middag om 12:09 uur is er gezocht op “vingerafdruk bewijs”.

[naam verdachte] wordt vervolgens aangehouden als verdachte.

Historische telecommunicatie

De politie heeft de historische telecommunicatie van de telefoons en telefoonnummers van de verdachten onderzocht. Gezien wordt dat beide telefoons op 5 november 2017 omstreeks 22:17 uur zendmasten aanstralen in de directe omgeving van elkaar in Rotterdam en om 23:08 uur in Barendrecht. Het is aannemelijk dat beide verdachten in dezelfde omgeving zijn. Op 6 november 2017 om 3:15 uur straalt het telefoonnummer van verdachte de zendmast aan de Driemanssteeweg in Rotterdam aan.

Tussen 3:15:48 en 3:54:27 uur stralen beide telefoonnummers geen zendmasten aan.

Om 3:55 uur belt verdachte 31 seconden met medeverdachte [naam medeverdachte] . Verdachte heeft tussen 3:54 en 4:00 uur viermaal contact met het telefoonnummer dat in gebruik is bij [naam] , de vriendin van verdachte.

De rechtbank overweegt dat er brand is gesticht in de Seat Leon terwijl de verdachten daar kort voor die brand in hebben gereden. Medeverdachte [naam medeverdachte] wordt kort na de melding van de brand aangetroffen in zijn auto in Barendrecht met daarin een jerrycan met benzine, een aangebroken verpakking aanmaakblokjes en een papieren zakdoekje voor de passagiersstoel. Verdachte heeft eerder die nacht via zijn telefoon op Google gezocht naar de beste manier om een auto te verbranden en naar hoe je een Molotov cocktail moet maken.

In de Seat Leon worden een Molotov cocktail en aanmaakblokjes aangetroffen. Rondom de auto worden delen van witte papieren zakdoekjes gevonden. Uit onderzoek blijkt vervolgens dat de aanmaakblokjes die in de Seat Leon worden aangetroffen afkomstig zijn uit de verpakking die bij medeverdachte [naam medeverdachte] in zijn auto is aangetroffen.

Onder deze omstandigheden mag van de verdachten verwacht worden dat zij een verklaring afleggen over hetgeen er precies is gebeurd. De verdachten leggen echter niet consistente en niet-geloofwaardige verklaringen af.

Zo heeft de verdachte tegen de politie verklaard dat hij de auto om 2:30 uur in de Olmenwede heeft geparkeerd, dat hij om 3 uur de auto heeft verlaten en om 3:30 uur is gaan slapen. Dit is aantoonbaar onjuist. Uit de onderzochte historische gegevens van zijn telefoon blijkt dat zijn telefoon om 3:15 uur een zendmast in Rotterdam heeft aangestraald, terwijl hij volgens zijn verklaring op dat moment in zijn woning in Barendrecht was om te gaan slapen. Het gegeven dat de telefoons van verdachte en de medeverdachte tussen 3:15:48 en 3:54:27 uur gelijktijdig geen zendmasten aanstralen bewijst in ieder geval dat zij afspraken hebben gemaakt hun telefoons in die periode uit te zetten.

Ook blijkt dat de verdachte om 3:55 uur telefonisch contact heeft gehad met de medeverdachte, volgens verdachte vanwege zijn verzoek aan zijn medeverdachte om benzine te komen brengen voor zijn Vespa. Ook dit kan niet waar zijn omdat tussen het tijdstip van dat telefoongesprek en 4:05 uur, het tijdstip waarop de politie de medeverdachte rijdend in zijn auto zag, onvoldoende tijd zit voor medeverdachte om zoals hij heeft verklaard thuis te vertrekken, een jerrycan met benzine te kopen en naar Barendrecht te rijden. Daar komt bij dat de medeverdachte in zijn eerste contact met de politie heeft verklaard dat hij een vriend had afgezet aan de Olmenwede in Barendrecht; deze verklaring past beter bij de onderzochte telefoongegevens dan zijn latere verklaring dat hij is aangehouden toen hij nog onderweg was naar de medeverdachte met de gevraagde benzine.

4.1.4.

Conclusie

De rechtbank concludeert op grond van het vorengaande dat het niet anders kan dan dat de verdachten zich in vereniging schuldig hebben gemaakt aan brandstichting in de Seat Leon, waardoor algemeen gevaar voor goederen – te weten: nabijgelegen geparkeerde auto’s – is ontstaan.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de brand geen gevaar voor personen heeft veroorzaakt.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 6 november 2017 te Barendrecht tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft gesticht op een parkeerplaats (aan de Olmenwede), immers heeft verdachte en/of zijn mededader toen aldaar opzettelijk een fles met hierin een brandbare vloeistof in een geparkeerd staande auto gegooid en opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met aanmaakblokjes en papieren zakdoekjes ten gevolge waarvan voornoemde auto gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten: in de directe nabijheid geparkeerde auto's te duchten was.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straffen

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft samen met zijn medeverdachte [naam medeverdachte] brand gesticht in het interieur van de auto van zijn vader. De schade is beperkt gebleven tot die auto. De verdachten hebben geen openheid van zaken gegeven, maar een mogelijk motief voor de brandstichting zou gelegen kunnen zijn in een uitkering van de verzekering. De auto stond al een tijd te koop, maar was nog steeds niet verkocht. Verdachten hebben aanzienlijke schade veroorzaakt aan de auto. Daarnaast hebben zij door het gevaarzettende karakter van het feit bijgedragen aan de in de samenleving heersende gevoelens van onrust en onveiligheid.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 28 mei 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportage

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 21 maart 2019 en een voortgangsverslag, gedateerd 24 juni 2019. Deze rapporten houden het volgende in.

De verdachte heeft zich binnen het schorsingstoezicht gehouden aan zijn afspraken met de reclassering. Er kan gesproken worden van een goed lopend toezicht. De verdachte heeft toen hij zeventien was een hartoperatie gehad, waarna hij in zijn gedrag zou zijn veranderd. Hij zou minder naar buiten willen en heeft sombere gevoelens en boosheid naar zichzelf toe. Het lukt de verdachte niet om daar met iemand over te praten omdat dit hem te zwaar emotioneert. De reclassering adviseert naast reclasseringstoezicht een ambulante behandeling zodat er aandacht kan worden besteed aan het verbeteren van de algehele psychosociale toestand van de verdachte. Dit zou de kans op recidive mogelijk kunnen verkleinen.

De rechtbank heeft acht geslagen op de informatie van de reclassering.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank zal echter afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en in plaats daarvan een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. De rechtbank houdt daarbij rekening met de jeugdige leeftijd van de verdachte en met het gegeven dat er naast de auto van zijn vader geen andere goederen zijn beschadigd. Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank de voorwaarden opleggen die hierna worden genoemd. Het voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Bij de bepaling van de duur van de straffen heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 47 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

2. de veroordeelde zal meewerken aan een intakegesprek en zal zich onder ambulante behandeling stellen van Fivoor of soortgelijke ambulante forensische zorg voor zijn problematiek, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderd tachtig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 172 (honderd tweeënzeventig) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 86 dagen;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. G.M. Munnichs, voorzitter,

en mrs. W.H.J. Stemker Köster en F. Wegman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 6 november 2017 te Barendrecht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht op een parkeerplaats (aan de Olmenwede), immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk een fles met hierin een brandbare vloeistof in een geparkeerd staande auto gegooid en/of

in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met aanmaakblokjes en/of (een) papieren zakdoekje(s) en/of met een brandbare stof besprenkelde doek(en) althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan voornoemde auto geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten: het wegdek en/of in de directe nabijheid geparkeerde auto's, in elk geval gemeen gevaar voor goederen

en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in de nabijheid gelegen woningen aanwezige perso(o)n(en), in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of

anderen te duchten was.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.