3.1.
Vaststelling ouderschap
3.1.1.
De vrouw verzoekt namens de minderjarige wijziging van de beschikking van
17 juni 2015 in die zin, dat het ouderschap van de man met betrekking tot de minderjarige wordt vastgesteld. Waar in het navolgende wordt gesproken over het verzoek van de vrouw, wordt bedoeld het verzoek van de vrouw namens de minderjarige.
In 2014 heeft DNA-onderzoek plaatsgevonden. Verilabs rapporteerde dat de man vermoedelijk niet de vader is van de minderjarige. Bij beschikking van 17 juni 2015 werd het verzoek tot vaststelling van het vaderschap op basis van dit rapport niet toegewezen, terwijl de man volgens de vrouw wel de vader van de minderjarige is. De vrouw stelt dat Verilabs niet het DNA-materiaal van de man heeft gekregen maar van zijn neef.
3.1.2.
De bijzondere curator is van mening dat het partijen zou sieren om samen bij haar op kantoor een DNA test te ondergaan om voor eens en voor altijd duidelijk te hebben of er verwantschap bestaat tussen de man en de minderjarige.
Voordat hiertoe overgegaan kan worden is de bijzondere curator van mening dat de aangevoerde bewijzen van de vrouw nog onvoldoende zijn. Deze zouden verder onderzocht dienen te worden. Het ligt op het pad van de vrouw om in het kader van een voorlopig getuigenverhoor [naam neef man] te laten horen.
3.1.3.
De man heeft geen verweer gevoerd.
3.1.4.
De rechtbank overweegt als volgt. Voor het verzoek van de vrouw tot wijziging van de beschikking van 17 juni 2015 is geen wettelijke mogelijkheid. De rechtbank vult op grond van artikel 25 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: RV) de grondslag van het verzoek aan en vat het verzoek van de vrouw op als een verzoek tot herroeping van voornoemde beschikking.
3.1.5.
Op grond van artikel 390 in verbinding met art. 382 aanhef en onder a RV kan een beschikking op verzoek van de oorspronkelijke verzoeker of van een belanghebbende worden herroepen op de gronden genoemd in artikel 382, tenzij de aard van de beschikking zich daartegen verzet. Ingevolge artikel 382 aanhef en onder a RV kan een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, op vordering van een partij worden herroepen indien het berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd. Artikel 387 RV bepaalt dat de rechter die de voor herroeping aangevoerde grond of gronden juist bevindt, het geding geheel of gedeeltelijk heropent. Na heropening zal de rechtbank de zaak geheel dan wel gedeeltelijk opnieuw behandelen en een beslissing nemen.
3.1.6.
De vrouw stelt dat de man zijn neef, [naam neef man] , naar Verilabs heeft gestuurd teneinde van hem DNA-materiaal te laten afnemen. Ter onderbouwing heeft zij verklaard dat zij dit van de neef heeft gehoord en heeft zij een foto overgelegd van twee mannen, volgens haar de man en de bewuste neef. Deze mannen lijken op elkaar. Verilabs zou hebben aangegeven dat het destijds al opviel dat de persoon die het materiaal afgaf, niet goed leek op degene die op de foto stond van het rijbewijs dat hij toonde. Verder heeft de vrouw verklaard dat de man tegen haar en haar dochter heeft gezegd dat hij de vader is van de minderjarige. Hij wil echter niet dat dat vast komt te staan omdat hij geen kinderalimentatie wil betalen.
3.1.7.
De man staat in Nederland ingeschreven en is op de juiste wijze opgeroepen. Hij is niet ter zitting verschenen. Hij heeft de stellingen van de vrouw over het bedrog niet weersproken. Deze stellingen moeten daarom ingevolge artikel 149 RV als vaststaand worden beschouwd. Dit leidt niet tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat (zoals bedoeld in art. 149 lid 1 laatste zin RV). Immers, het leidt slechts tot heropening van de procedure waarin het vaderschap moet worden vastgesteld.
3.1.8.
Ingevolge artikel 383 RV moet het rechtsmiddel worden aangewend binnen drie maanden nadat de grond voor de herroeping is ontstaan en de eiser daarmee bekend is geworden.
3.1.9.
De termijn van drie maanden is van openbare orde, zodat de rechtbank ambtshalve moet onderzoeken of het verzoek tijdig is gedaan. Uit de stukken van de vrouw kan niet worden afgeleid wanneer zij door de neef is gebeld dat hij naar Verilabs is gegaan. Wel blijkt dat zij al langere tijd (in feite al sinds het rapport van Verilabs is gepubliceerd) het standpunt inneemt dat er sprake moet zijn van bedrog, omdat volgens haar de man de enige is die het kind kan hebben verwekt. Ook is gebleken dat de advocaat heeft verzuimd om samen met de vrouw voorafgaand aan de zitting van 27 mei 2015 de kleurenfoto’s die bij Verilabs zijn gemaakt, te bekijken. De advocaat beschikte alleen over een slechte zwart-wit kopie en zoals hij ter zitting heeft verklaard, achtte hij het niet zijn taak om de kleurenfoto’s te bekijken omdat Verilabs de identiteit vaststelt. Daarmee is de advocaat echter voorbij gegaan aan het belang van de foto’s. Als een familielid dat lijkt op degene die DNA moet afstaan (zoals in dit geval), zich bij Verilabs meldt, is het voor Verilabs niet altijd mogelijk om dat vast te stellen aan de hand van het identiteitsbewijs. Juist daarom worden foto’s gemaakt, zodat partijen zelf kunnen controleren wie er is verschenen. Gezien de volhardendheid van de vrouw in deze, had de advocaat destijds met de vrouw de kleurenfoto’s moeten bekijken. De rechtbank heeft vastgesteld dat het rapport van Verilabs in het dossier van de rechtbank van de procedure die tot de beschikking van 17 juni 2015 heeft geleid, goede kleurenfoto’s bevat, dus die waren destijds ook beschikbaar.
3.1.10.
Reeds in 2015 had de vrouw dus bekend kunnen zijn met de fraude. In beginsel is het verzoek tot herroeping dus te laat ingediend.
3.1.11.
Echter, de minderjarige leeft in de veronderstelling dat de man haar vader is. De gedachte dat haar vader fraude wil plegen om aan zijn verantwoordelijkheid jegens haar te ontkomen, doet haar verdriet. . Voor haar is het van groot belang dat er duidelijkheid komt over wie haar vader is. Het feit dat de vrouw, die weliswaar voor de minderjarige optreedt, heeft verzuimd om de foto’s bij het rapport goed te bekijken kan in deze situatie niet aan de minderjarige worden tegengeworpen. De belangen van de minderjarige brengen mee, nu het bedrog als vaststaand moet worden aangenomen, dat het verzoek wordt ontvangen, de beschikking van 17 juni 2015 wordt herroepen en de zaak heropend. Het vasthouden aan de hiervoor genoemde termijn levert in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een ongerechtvaardigde inmenging in het familie- en gezinsleven van de minderjarige op en is in zoverre strijdig is met artikel 8 EVRM. Het respect voor het familie- en gezinsleven eist in de onderhavige zaak dat het belang van de biologische en maatschappelijke werkelijkheid prevaleert boven het belang van de strikte hantering van de in artikel 383 RV gestelde termijn en de daarmee voorgestane rechtszekerheid. Het verzoek is daarom ontvankelijk.
3.1.12.
Ingevolge artikel 387 RV zal aan partijen de gelegenheid worden gegeven om hun stellingen en verweren, zoals ingenomen in de procedure die heeft geleid tot de beschikking van 17 juni 2015, te wijzigen en/of aan te vullen. Dat zal schriftelijk dienen te gebeuren. Uiterlijk 24 oktober 2019 kan de vrouw schriftelijk stukken daartoe in het geding brengen, de man uiterlijk 24 januari 2020. Daarna zal de rechtbank op basis van de alsdan beschikbare gegevens beoordelen of er een nadere mondelinge behandeling nodig is.
3.1.13.
Ten overvloede overweegt de rechtbank als volgt. De man heeft bij de bijzondere curator verklaard dat hij niet opnieuw in een procedure wil worden betrokken, omdat dat veel tijd en geld kost. De bijzondere curator heeft geschreven dat partijen bij haar op kantoor een nieuwe DNA test kunnen doen, waarbij de bijzondere curator erop zou kunnen toezien dat het daadwerkelijk de man is die het DNA afgeeft. Dat zou een oplossing zijn waarbij op korte termijn duidelijkheid komt, en die weinig kost. De rechtbank geeft partijen in overweging om gebruik te maken van dat aanbod. Als zij dat doen, kunnen zij uiterlijk 24 januari 2020 de resultaten van dat onderzoek in het geding brengen, zodat de rechtbank op basis daarvan een nieuwe beslissing kan nemen. In dat geval wordt de bijzondere curator verzocht om nader schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen .
3.1.14.
De rechtbank houdt de behandeling van de zaak aan in afwachting van nader bericht van partijen en/of de bijzondere curator.