Overwegingen
1. Deze zaak betreft de uitgifte van een – voor regionale commerciële omroep bestemde – frequentievergunning voor “kavel B05” met daaraan gekoppeld een digitale vergunning voor ”allotment 8A”.
De vergunning is na een veiling verleend aan Stichting SB Radio (hierna: SB). Verzoekster was ook een van de aanvragers en veilingdeelnemers; haar aanvraag is na afloop van de veiling afgewezen.
Beslissing op de bezwaren van verzoekster
2. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de verlening van de vergunning aan SB en heeft ook bezwaar gemaakt tegen de weigering om de vergunning aan haar zelf toe te wijzen. Verweerder heeft het bezwaar tegen verlening van de vergunning aan SB niet-ontvankelijk verklaard, omdat die vergunning op een later moment weer is ingetrokken; verzoekster zou volgens verweerder om die reden in zoverre geen belang meer hebben bij haar bezwaar. Verzoekster bezwaar tegen de toelating van SB tot de veiling is in dezelfde beslissing van verweerder ongegrond verklaard, evenals haar bezwaar tegen het niet verlenen van de vergunning aan haarzelf.
Beroep en verzoek om voorlopige voorziening
3. Verzoekster heeft tegen de beslissing op haar bezwaren beroep ingesteld. De kern van haar beroep komt erop neer dat zij van mening is dat de vergunning nooit aan SB verleend had mogen worden en dat om die reden de veiling met de overige deelnemers hervat zou moeten worden, of dat de vergunning zelfs direct aan haar verleend zou moeten worden omdat de andere deelnemers geen bezwaar hebben gemaakt.
In een later stadium heeft zij ook een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.
4. Verzoekster heeft erop gewezen dat verweerder voornemens is kavel B05 opnieuw te veilen, wat tot gevolg heeft dat hervatting van de eerder gehouden veiling geen zin meer heeft.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter mag inderdaad aangenomen worden dat, bij voortzetting van de inmiddels bij bekendmakingsbesluit van 19 juli 2019 aangekondigde veiling, hervatting van de in 2018 gehouden veiling een gepasseerd station is. In een eventuele toewijzing van dit verzoek om voorlopige voorziening ligt besloten dat verweerder op onjuiste gronden tot een nieuwe veiling van kavel B05 heeft besloten, hetgeen verweerder er zou moeten bewegen om terug te komen op het bekendmakingsbesluit van 19 juli 2019. Dit zou anders zijn indien het bekendmakingsbesluit van 19 juli 2019 rechtens onaantastbaar zou zijn, maar dat is in ieder geval niet aan de orde zolang de beroepstermijn daartegen nog loopt.
In het voorgaande is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een voldoende spoedeisend belang gelegen.
Wat heeft verweerder nu precies besloten ten aanzien van de aanvraag van SB?
5. De voorzieningenrechter begrijpt de beslissing op bezwaar aldus dat verweerder zich op het standpunt stelt dat een ingetrokken vergunning niet meer ingetrokken kan worden. Op zichzelf is dat juist. Verweerder heeft zich echter ook uitgelaten over het standpunt van verzoekster dat SB niet toegelaten had mogen worden tot de veiling – omdat SB volgens verzoekster nooit de intentie heeft gehad om het te bieden bedrag te betalen – en dat om die reden de vergunning helemaal niet aan SB verleend had mogen worden. Verweerder heeft het bezwaar in zoverre ongegrond geacht, wat in de kern betekent dat verweerder van oordeel is dat de vergunning wel terecht is verleend, dus ook terecht niet aan verzoekster is verleend en dat hervatting van de veiling uit 2018 dus ook niet aan de orde is. Tegen dat oordeel zijn het beroep en het verzoek gericht.
Dient de veiling uit 2018 hervat te worden?
6. Verweerder heeft aan de hand van de systematiek van het Frequentiebesluit en de Regeling aanvraag- en veilingprocedure niet-landelijke commerciële FM-vergunningen 2017 (de Regeling) uitgelegd waarom naar zijn mening van hervatting van de veiling geen sprake kan zijn.
6.1
Op grond van artikel 6 van de Regeling dient een financiële zekerheid gesteld te worden van € 10.000,- en op grond van artikel 8 van de Regeling dient uit een bankverklaring of een bankafschrift uit de periode van vier weken voorafgaand aan de veiling een positief banksaldo van ten minste € 15.000,- te blijken. SB heeft aan deze voorwaarden voldaan. Gelet hierop stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat SB aan de financiële toelatingsvoorwaarden heeft voldaan. De door verzoekster gestelde omstandigheid dat SB nimmer de intentie heeft gehad om het veilingbod te voldoen, doet hier niet aan af. De mogelijk bestaande intentie is ook een zodanig vaag begrip dat het niet zou passen in een regeling van verdeling van schaarse ruimte, waarvoor vereisten van transparantie, objectiviteit en verifieerbaarheid gelden.
6.2.
Artikel 26 van de Regeling bepaalt dat de vergunning wordt verleend aan de deelnemer met het winnende bod en dat de aanvragen van de overige veilingdeelnemers worden afgewezen. In de Regeling zijn geen mogelijkheden opgenomen om daar van af te wijken. Dit betekent dat verweerder gehouden was de vergunning aan SB te verlenen en de aanvraag van verzoekster af te wijzen. Als verweerder wel van de Regeling zou afwijken, dan zouden de spelregels achteraf worden gewijzigd en dat zou weer in strijd komen met de beginselen van transparantie, objectiviteit en verifieerbaarheid.
De omstandigheid dat SB ook daadwerkelijk het bod niet betaald heeft, levert binnen de Regeling geen mogelijkheid op om terug te komen op de verlening van de vergunning aan SB (en de aanvraag van SB dus alsnog af te wijzen) – dat terugkomen zou overigens als ongewenst effect hebben dat SB geen betalingsverplichting meer zou hebben – en tegelijkertijd ook terug te komen op de afwijzingen van de overige aanvragen.
6.3.
Het feit dat de Regeling door invoeging van artikel 26a inmiddels wel in de mogelijkheid voorziet om geen vergunning te verlenen als het winnende bod niet wordt betaald, maakt het voorgaande niet anders, omdat die wijziging in de Regeling geen terugwerkende kracht heeft. Terugwerkende kracht zou overigens ook weer ongewenst zijn, want dan zouden de spelregels dus toch achteraf veranderd worden.
6.4.
Ook de omstandigheid dat het ondoelmatig is dat kavel B05 onverdeeld is gebleven, biedt om dezelfde redenen als genoemd in 6.2 en 6.3 geen mogelijkheid om van de Regeling af te wijken.
7. Dit alles betekent dat er geen aanknopingspunten zijn om het bestreden besluit te vernietigen. Omdat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van het beroep, zal de voorzieningenrechter het beroep ongegrond verklaren. Nu geen sprake is van een onrechtmatig besluit, wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Uit het voorgaande volgt ook dat het verzoek om voorlopige voorziening moet worden afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Deze uitspraak is op 24 juli 2019 in het openbaar gedaan door mr. J.H. de Wildt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier.
griffier voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: