Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:2505

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-03-2019
Datum publicatie
02-04-2019
Zaaknummer
10/996593-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft 90 euro overgemaakt ten behoeve van zijn broer die als jihadstrijder in het strijdgebied in Syrië was. Voorwaardelijk opzet. De verdachte heeft de kans aanvaard dat het geld direct dan wel indirect ten gunste van IS zou kunnen komen en dat hij daarmee aldus geldelijke steun verleende aan de Jihadstrijd in Syrië. De rechtbank ziet in de geringe hoogte van het bedrag, het feit dat de verdachte slechts eenmaal geld heeft overgemaakt en het ontbreken van ideologische motieven bij de verdachte aanleiding een lagere voorwaardelijke straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank veroordeelt de verdachte wegens financiering van terrorisme tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/996593-16

Datum uitspraak: 27 maart 2019

Verstek

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[woonplaats verdachte] , [adres verdachte] .

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 13 maart 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding.
De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E.C. Nieuwenhuis heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 3 jaren.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijsoverweging

Uit het onderzoek ter terechtzitting en de onderliggende stukken blijkt het volgende.

Verdachte heeft op 13 september 2014 via Western Union € 90,- overgemaakt naar [naam] , geboren op [geboortedatum] (hierna: [naam] ), wonende te Istanbul (Turkije). Het geld is aan [naam] uitbetaald.

Uit onderzoek blijkt dat geld dat via [naam] werd gestuurd, terecht kwam bij personen die zich hebben aangesloten bij de terroristische organisatie IS en aldus deelnemen aan de gewapende strijd in Syrië.

De verdachte heeft het geld overgemaakt ten behoeve van zijn broer [naam broer verdachte] (hierna: [naam broer verdachte] ). Volgens de verdachte is [naam broer verdachte] in 2013 met zijn vrouw naar Turkije gereisd en is hij van daaruit doorgereisd naar oorlogsgebied in Syrië. Op enig moment heeft [naam broer verdachte] aan hun ouders laten weten dat hij niet meer terug zou komen. [naam broer verdachte] heeft de gegevens van de tussenpersoon naar wie het geld overgemaakt moest worden, aan de verdachte verstrekt.

Volgens de verdachte heeft hij er in de contacten met zijn broer voor gekozen om niet te spreken over wat er “daar” gebeurde, naar eigen zeggen omdat hij alles afkeurde. Dit wijst erop dat de verdachte bekend was met de betrokkenheid van zijn broer bij terrorisme. De verdachte wist in ieder geval dat er een aanmerkelijke kans bestond dat zijn broer zich als uitreiziger richting oorlogsgebied had aangesloten bij de gewapende jihadstrijd. Door onder die omstandigheden in te gaan op het verzoek van zijn broer om geld over te maken naar [naam] , heeft de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat dit bedrag ten goede zou komen aan het verblijf van [naam broer verdachte] in Syrisch strijdgebied en daarmee (indirect) aan zijn deelname aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het in artikel 421 Sr strafbaar gestelde financieren van terrorisme en komt tot een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit.

IS (ook wel Islamitische Staat in Irak en de Levant (ISIL)) is een gewapende groepering gelinkt aan Al Qaida. De Verenigde Naties houden IS verantwoordelijk voor diverse schendingen van mensenrechten en oorlogsmisdaden. IS is, als gelieerd aan Al Qaida, opgenomen in Bijlage I van de EG verordening 881/2002 van de Raad van de Europese Unie van 27 mei 2002. Het is verboden om, voor zover hier van belang, geld ter beschikking te stellen aan deze organisatie. Ook is het verboden om indirect, bijvoorbeeld aan een persoon die strijdt voor IS, aan deze organisatie geld ter beschikking te stellen. Overtreding van deze bepaling is strafbaar gesteld in de Sanctiewet.1

Nu de verdachte opzettelijk geld ter beschikking heeft gesteld aan zijn broer [naam broer verdachte] , die naar het oorlogsgebied was afgereisd, hetgeen de verdachte wist, via een tussenpersoon die bekend staat als de “bankier van westerse IS-strijders” komt de rechtbank eveneens tot een bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde feit.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij

op 13 september 2014 te Den Haag een ander opzettelijk middelen heeft verschaft die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienden om geldelijke steun te

verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter

voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, te weten:

- deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van

terroristische misdrijven (art. 140a Wetboek van Strafrecht) en/of

immers heeft verdachte als toen aldaar

een geldbedrag van:

- 90 euro (op 13 september 2014),

(via een money transfer) aan een tussenpersoon in Turkije, verzonden of doen toekomen ,

welk geldbedrag diende om geldelijke steun te verlenen aan een strijder van de gewapende Jihadstrijd in Syrië, in welke strijd terroristische misdrijven worden/werden gepleegd, te weten ten behoeve van [naam broer verdachte] , een broer van verdachte en een

strijder van de gewapende Jihadstrijd, te weten van terroristische organisatie Islamic State in Iraq and the Levant, welke strijder en organisatie tot oogmerk had(den)/hebben het plegen

van terroristische misdrijven, en aldus diende om geldelijke steun te verlenen aan de

gewapende strijd in Syrië .

2.

hij

13 september 2014 te Den Haag ,

opzettelijk in strijd met het krachtens artikel 2 en 3 van de Sanctiewet 1977

vastgestelde verbod van artikel 2 van de Sanctieregeling

Al-Qaida 2011 juncto artikel 2 en artikel 4 van Verordening (EG) nr.

881/2002 van de Raad van de Europese unie van 27 mei 2002 (jo artikel 1

Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 632/2013 van de Commissie en jo artikel 1

Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 583/2014 van de Commissie en jo artikel 1

Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 630/2014 van de Commissie)

heeft gehandeld door:

ten behoeve van Islamic State in Iraq and the Levant zijnde (een) groep of entiteit als

bedoeld in de bij Verordening nr. 881/2002 (EU)

(en Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 632/2013 en Uitvoeringsverordening

(EU) Nr. 583/2014 en Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 630/2014) behorende

lijst(en)

indirect tegoeden ter beschikking te stellen (waardoor voornoemde groep of entiteit tegoeden, goederen of diensten kunnen verwerven) en bewust en opzettelijk deel te nemen aan activiteiten die tot doel of tot gevolg hebben de bepalingen van artikel 2

van Verordening (EG) nr. 881/2002 te omzeilen, doordat hij (a) voor en/of aan

en/of ten behoeve van Islamic State in Iraq and the Levant

indirect een geldbedrag van:

- 90 euro (op 13 september 2014)(DOC-005-01),

(via een money transfer) ter beschikking heeft gesteld

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

de eendaadse samenloop van

ten aanzien van feit 1:
financieren van terrorisme

en

ten aanzien van feit 2.

overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 2 van de Sanctiewet 1977, opzettelijk begaan.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, alsmede de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft 90 euro overgemaakt ten behoeve van zijn broer die als jihadstrijder in het strijdgebied te Syrië was. De verdachte heeft door het overmaken van geld Europese regelgeving en nationale wetgeving die tot doel hebben de (financiering van) terrorisme te bestrijden, overtreden. Deze regelgeving is internationaal gezien van groot belang omdat het doel ervan is te komen tot een gezamenlijke handhaving of herstel van de internationale vrede en veiligheid alsmede de internationale rechtsorde en de bestrijding van terrorisme te bevorderen. Door geld over te maken heeft de verdachte (indirect) een bijdrage geleverd aan de gewelddadige jihadstrijd in Syrië. In deze strijd kwamen (en komen) dagelijks velen op gruwelijke wijze om het leven. De verdachte heeft daarmee bijgedragen aan de (verdere) destabilisering en onveiligheid in (de regio van) Syrië.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op een op naam van de verdachte gesteld uittreksel justitiële documentatie van 18 februari 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke zaken.

Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Van de op te leggen straf dient het signaal uit te gaan dat het handelen van de verdachte strafbaar en strafwaardig is. Ook aan anderen dient

duidelijk te zijn dat het financieel ondersteunen van een (dierbaar) familielid dat zich als jihadstrijder in Syrië bevindt, geen reden mag zijn om de norm terzijde te stellen. De rechtbank is echter van oordeel dat het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in dit geval niet passend is. Daarbij weegt de rechtbank mee dat het een eenmalige overboeking betreft, die in 2014 heeft plaatsgevonden, waarbij het gaat om een gering bedrag. Ook weegt mee dat de verdachte niet heeft gehandeld uit ideologische overwegingen maar uit invoelbare loyaliteitsgevoelens naar zijn broer en schoonzus.

Ook houdt de rechtbank bij de straftoemeting rekening met de omstandigheid dat er in deze strafzaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM, aangezien verdachte op 13 juli 2016 is gehoord.

De rechtbank ziet in de geringe hoogte van het bedrag, het feit dat de verdachte slechts eenmaal geld heeft overgemaakt en het ontbreken van ideologische motieven bij de verdachte aanleiding een lagere voorwaardelijke straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank ziet geen aanleiding de proeftijd op 3 jaren te stellen.


Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen
14a, 14b, 14c, 55 en 421 van het Wetboek van Strafrecht,
1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en

2 en 3 van de Sanctiewet 1977,
zoals zij rechtens golden ten tijde van de bewezenverklaarde feiten.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de tenlastegelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand;

bepaalt deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaren;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. D.C.J. Peeck, voorzitter,

mr. J.J. van den Berg en mr. C.G.E. Prenger, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Ince, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 maart 2019.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1

september 2014 tot en met 15 oktober 2014 te Den Haag en/of elders in

Nederland en/of Turkije en/of Syrië,

tezamen en in vereniging, met een ander of anderen, althans alleen,

een ander opzettelijk middelen of inlichtingen heeft verschaft dan wel

opzettelijk voorwerpen heeft verzameld, heeft verworven en/of voorhanden

heeft gehad en/of aan (een) ander(en) heeft verschaft, die geheel of

gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienden om geldelijke steun te

verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter

voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, te weten:

- deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van

terroristische misdrijven (art. 140a Wetboek van Strafrecht) en/of

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands

dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk (art.157

en/of 176a jo art. 83 Wetboek van Strafrecht) en/of opzettelijke

voorbereiding van en/of bevordering tot het in artikel 157 van het Wetboek

van Strafrecht omschreven misdrijf (zoals bedoeld in artikel 176b jo 96 lid 2

Wetboek van Strafrecht) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of

- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (art.288a

en/of 289 jo art. 83 Wetboek van Strafrecht) en/of opzettelijke voorbereiding

van en/of bevordering tot de in artikelen 288a en/of 289 van het Wetboek van

Strafrecht omschreven misdrijven (zoals bedoeld in artikel 289a jo 96 lid 2

Wetboek van Strafrecht) (te) begaan met een terroristisch oogmerk,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) alstoen aldaar

een geldbedrag van:

- 90 euro (op 13 september 2014)(DOC-005-01),

althans een geldbedrag, (via een money transfer) aan een tussenpersoon in

Turkije, verzonden en/of doen toekomen en/of naar Turkije verzonden,

welk geldbedrag (deels) diende om geldelijke steun te verlenen aan de

gewapende Jihadstrijd en/of (een) strijder(s) van die gewapende Jihadstrijd in

Syrië en/of Irak, in welke strijd terroristische misdrijven worden/werden

gepleegd,

te weten ten behoeve van [naam broer verdachte] , een broer van verdachte en/of een

strijder van de gewapende Jihadstrijd, te weten van (een) terroristische

organisatie(s) Islamic State of Iraq en/of ISI en/of Islamic State in Iraq

and the Levant en/of Jabhat al Nusra en/of Al Nusrah Front en/of Al Nusrah

Front for the people of the Levant en/of Al-Qaida en/of Al-Qaida in Iraq, dan

wel een strijdgroep die hieraan is gelieerd, althans een gewapende

Jihadistische strijdgroep, welke strijder(s) en/of

strijdgroep(en)/organisatie(s) tot oogmerk had(den)/heeft/hebben het plegen

van terroristische misdrijven, dan wel een strijdgroep die hieraan is

gelieerd, althans een gewapende Jihadistische strijdgroep, welke strijder(s)

en/of strijdgroep(en)/organisatie(s) tot oogmerk had(den)/heeft/hebben het

plegen van terroristische misdrijven,

en/of aldus diende om geldelijke steun en/of middelen te verlenen aan de

gewapende strijd in Syrië en/of in Irak, in elk geval om geldelijke steun

en/of middelen te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of

een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch

misdrijf dan wel een van de hiervoor specifiek genoemde misdrijven.

2.

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1

september 2014 tot en met 15 oktober 2014 te Den Haag en/of elders in

Nederland en/of Turkije en/of Syrië,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk

in strijd met het krachtens artikel 2 en/of 3 van de Sanctiewet 1977

vastgestelde verbod van artikel 2 en/of artikel 2a van de Sanctieregeling

Al-Qaida 2011 juncto artikel 2 en/of artikel 4 van Verordening (EG) nr.

881/2002 van de Raad van de Europese unie van 27 mei 2002 (jo artikel 1

Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 632/2013 van de Commissie en/of jo artikel 1

Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 583/2014 van de Commissie en/of jo artikel 1

Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 630/2014 van de Commissie)

heeft gehandeld door:

aan of ten behoeve van Islamic State of Iraq en/of ISI en/of Islamic State in

Iraq and the Levant en/of Jabhat al Nusra en/of Al Nusrah Front en/of Al

Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qaida en/of Al-Qaida in

Iraq, zijnde (een) (rechts)perso(o)n(en), groep(en) of entiteit(en) als

bedoeld in de bij Verordening nr. 881/2002 (EU)

(en/of Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 632/2013 en/of Uitvoeringsverordening

(EU) Nr. 583/2014 en/of Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 630/2014) behorende

lijst(en) en/of als bedoeld in de lijst, vastgesteld door het comité, bedoeld

in paragraaf 6 van Resolutie 1267 van de Veiligheidsraad van de Verenigde

Naties),

direct of indirect tegoeden en/of economische middelen ter beschikking te

stellen (waardoor voornoemde groep(en) of entiteit(en) tegoeden, goederen of

diensten kunnen verwerven) en/of bewust en opzettelijk deel te nemen aan

activiteiten die tot doel of tot gevolg hebben de bepalingen van artikel 2

van Verordening (EG) nr. 881/2002 te omzeilen, doordat hij (a) voor en/of aan

en/of ten behoeve van Islamic State of Iraq en/of ISI en/of Islamic State in

Iraq and the Levant en/of Jabhat al Nusra en/of Al Nusrah Front en/of Al

Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qaida en/of Al-Qaida in

Iraq,

direct of indirect een geldbedrag van:

- 90 euro (op 13 september 2014)(DOC-005-01),

- althans een geldbedrag,

(via een money transfer) ter beschikking heeft gesteld

en/of

( b) op andere wijze (in)direct tegoeden en/of financiële activa en/of

economische middelen ter beschikking heeft gesteld aan Islamic State of Iraq

en/of ISI en/of Islamic State in Iraq and the Levant en/of Jabhat al Nusra

en/of Al Nusrah Front en/of Al Nusrah Front for the people of the Levant

en/of Al-Qaida en/of Al-Qaida in Iraq.

1 ECLI:NL:RBROT:2016:1836.