Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:2504

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-03-2019
Datum publicatie
02-04-2019
Zaaknummer
10/996688-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft 200 euro overgemaakt ten behoeve van zijn minderjarige zoon die in het strijdgebied van Syrië was en zich daar had aangesloten bij IS. Voorwaardelijk opzet. De verdachte heeft de kans aanvaard dat het geld direct dan wel indirect ten gunste van IS zou kunnen komen en dat hij daarmee aldus geldelijke steun verleende aan de Jihadstrijd in Syrië. De rechtbank ziet in de geringe hoogte van het bedrag, het feit dat de verdachte slechts eenmaal geld heeft overgemaakt en het ontbreken van ideologische motieven bij de verdachte aanleiding een lagere voorwaardelijke straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank veroordeelt de verdachte voor financiering van terrorisme tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/996688-16

Datum uitspraak: 27 maart 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] (Irak) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[woonplaats verdachte] , [adres verdachte] ,

bijgestaan door mr. C.D.A.J. Majoie, advocaat te Arnhem.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 13 maart 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding.
De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E.C. Nieuwenhuis heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring de tenlastegelegde feiten;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijsoverweging

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet is komen vast te staan dat het door de verdachte overgemaakte geld daadwerkelijk door zijn zoon [naam zoon verdachte] is ontvangen. Daar komt bij dat de verdachte zich op geen enkel moment heeft gerealiseerd dat hij met overmaken van € 200 terrorisme financierde. Hij heeft als vader willen voldoen aan zijn onderhoudsplicht jegens zijn destijds16-jarige zoon die in het strijdgebied in Syrië verbleef en financiële hulp nodig had.

Oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting en de onderliggende stukken blijkt het volgende.

Op 12 november 2015 heeft verdachte vanuit Nederland een bedrag van tweehonderd euro overgemaakt naar [naam] , wonende in Istanbul (Turkije). Dit geld was bestemd voor zijn zoon [naam zoon verdachte] . Het bedrag is op 14 november 2015 in Istanbul aan [naam] uitbetaald. [naam zoon verdachte] heeft aan verdachte laten weten dat hij het geld had ontvangen.

Uit onderzoek is gebleken dat geld dat naar [naam] werd overgeboekt terecht komt bij personen die deelnemen aan de gewapende terroristische strijd in Syrië.

[naam zoon verdachte] is in september 2014 uitgereisd naar Syrië. Ten tijde van de overboeking was hij aangesloten bij IS. Hij verbleef in Raqqa, waar hij deel uitmaakte van een soort politiebrigade die op straat controleerde of mensen leefden volgens de regels van de Sharia.

De verdachte wist dat zijn zoon zich in Syrië had aangesloten bij IS, daar getraind was voor de gewapende strijd en door zijn activiteiten voor de sharia-brigade actief deelnam aan de gewapende strijd van IS. Door het geld aan [naam zoon verdachte] over te maken heeft de verdachte [naam zoon verdachte] in staat gesteld in het strijdgebied in Syrië te (ver)blijven en daar deel te (blijven) nemen aan (de gewapende strijd van) IS. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte opzet heeft gehad op het in artikel 421 Sr strafbaar gestelde financieren van terrorisme en komt tot een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit. Dat de verdachte niet uit ideologische overtuiging geld overmaakte, maar omdat hij de plicht had [naam zoon verdachte] te onderhouden speelt in dit verband geen rol.

IS (ook wel Islamitische Staat in Irak en de Levant (ISIL)) is een gewapende groepering, gelinkt aan Al Qaida. De Verenigde Naties houden IS verantwoordelijk voor diverse schendingen van mensenrechten en oorlogsmisdaden. De organisatie IS is, als gelieerd aan Al Qaida, opgenomen in Bijlage I van de EG verordening 881/2002 van de Raad van de Europese Unie van 27 mei 2002. Het is derhalve verboden om, voor zover hier van belang, geld ter beschikking te stellen aan deze organisatie. Ook is het verboden om indirect, dus bijvoorbeeld aan een persoon die strijdt voor IS, aan deze organisatie geld ter beschikking te stellen. Overtreden van deze bepaling is strafbaar gesteld in de Sanctiewet.1 Nu de verdachte opzettelijk geld ter beschikking heeft gesteld aan zijn zoon [naam zoon verdachte] , die naar Syrië was afgereisd en zich daar bij IS had aangesloten, hetgeen de verdachte wist, komt de rechtbank op grond van dezelfde bewijsoverwegingen als hiervoor vermeld ten aanzien van feit 1 tot een bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde feit.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 12 november 2015 te Arnhem ,

een ander opzettelijk middelen heeft verschaft , die geheel of gedeeltelijk,

onmiddellijk of middellijk, dienden om geldelijke steun te verlenen aan het

plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of

vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, te weten:

- deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van

terroristische misdrijven (art. 140a Wetboek van Strafrecht) en/of

immers heeft verdachte alstoen aldaar een geldbedrag van:

- 200 euro (op 12 november 2015)

(via een money transfer) aan een tussenpersoon in

Turkije, verzonden of doen toekomen ,

terwijl dit geldbedrag bestemd was om geldelijke steun te verlenen aan een strijder van de gewapende Jihadstrijd in Syrië, in welke strijd terroristische misdrijven worden/werden

gepleegd, te weten ten behoeve van [naam zoon verdachte] , zijnde een zoon van verdachte en een

strijder van de gewapende Jihadstrijd, te weten van terroristische organisatie Islamic State in Iraq and the Levant, welke strijder en organisatie tot

oogmerk had(den)hebben het plegen van terroristische misdrijven,

en aldus diende om geldelijke steun te verlenen aan de gewapende strijd in Syrië .

2.

hij op 12 november 2015 te Arnhem in Nederland ,

opzettelijk in strijd met het krachtens artikel 2 en 3 van de Sanctiewet 1977

vastgestelde verbod van artikel 2 van de Sanctieregeling

Al-Qaida 2011 juncto artikel 2 en artikel 4 van Verordening (EG) nr.

881/2002 van de Raad van de Europese unie van 27 mei 2002 (jo artikel 1

Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 632/2013 van de Commissie enf jo artikel 1

Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 583/2014 van de Commissie en jo artikel 1

Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 630/2014 van de Commissie)

heeft gehandeld door:

ten behoeve van Islamic State in

Iraq and the Levant, zijnde (een) ( groep of entiteit als

bedoeld in de bij Verordening nr. 881/2002 (EU)

(en Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 632/2013 en Uitvoeringsverordening

(EU) Nr. 583/2014 en Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 630/2014) behorende

lijst(en),

indirect tegoeden ter beschikking te

stellen (waardoor voornoemde groep of entiteit tegoeden, goederen of

diensten kunnen verwerven) en bewust en opzettelijk deel te nemen aan

activiteiten die tot doel of tot gevolg hebben de bepalingen van artikel 2

van Verordening (EG) nr. 881/2002 te omzeilen, doordat hij (a) voor en/of aan

en/of ten behoeve van Islamic State in

Iraq and the Levant

indirect een geldbedrag van:

- 200 euro (op 12 november 2015)(DOC-005),

(via een money transfer) ter beschikking heeft gesteld.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

de eendaadse samenloop van

ten aanzien van feit 1:
financieren van terrorisme

en

ten aanzien van feit 2.

overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 2 van de Sanctiewet 1977, opzettelijk begaan.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Psychische overmacht

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep op psychische overmacht toekomt. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte heeft willen voldoen aan zijn onderhoudsplicht jegens zijn destijds 16-jarige zoon die in een moeilijke situatie verkeerde.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet hoeft te bieden. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in dit geval geen sprake. Hoe begrijpelijk het ook is dat de verdachte zijn zoon niet heeft willen laten vallen, dit levert geen situatie van psychische overmacht op. Het financieren van terrorisme is verboden en de verdachte mocht in de gegeven omstandigheden geen prioriteit geven aan de ondersteuning van zijn zoon.

Ook overigens zijn er geen omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, alsmede de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op een op naam van de verdachte gesteld uittreksel justitiële documentatie van 22 november 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke zaken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zijn zoon financieel gesteund terwijl deze in het strijdgebied van Syrië was en zich daar had aangesloten bij IS en deel nam aan de gewapende strijd. De verdachte heeft door het overmaken van geld Europese regelgeving en nationale wetgeving die tot doel hebben de (financiering van) terrorisme te bestrijden, overtreden. Deze regelgeving is internationaal gezien van groot belang omdat het doel ervan is te komen tot een gezamenlijke handhaving of herstel van de internationale vrede en veiligheid alsmede de internationale rechtsorde en de bestrijding van terrorisme te bevorderen. Door geld over te maken heeft de verdachte (indirect) een bijdrage geleverd aan de gewelddadige jihadstrijd in Syrië. In deze strijd kwamen (en komen) dagelijks velen op gruwelijke wijze om het leven. De verdachte heeft daarmee bijgedragen aan de (verdere) destabilisering en onveiligheid in (de regio van) Syrië.

Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Van de op te leggen straf dient het signaal uit te gaan dat het handelen van de verdachte strafbaar en strafwaardig is. Ook aan anderen dient

duidelijk te zijn dat het financieel ondersteunen van een (dierbaar) familielid dat zich als jihadstrijder in Syrië bevindt, geen reden mag zijn om de norm terzijde te stellen. De rechtbank is echter van oordeel dat het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in dit geval niet passend is. Daarbij weegt de rechtbank mee dat het een eenmalige overboeking betreft, die reeds in november 2015 heeft plaatsgevonden, waarbij het gaat om een relatief gering bedrag. Ook weegt mee dat de verdachte niet heeft gehandeld uit ideologische overwegingen maar uit invoelbare loyaliteitsgevoelens naar zijn zoon. Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

De rechtbank ziet in de geringe hoogte van het bedrag, het feit dat de verdachte slechts eenmaal geld heeft overgemaakt en het ontbreken van ideologische motieven bij de verdachte aanleiding een lagere voorwaardelijke straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen
14a, 14b, 14c, 55 en 421 van het Wetboek van Strafrecht,
1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en

2 en 3 van de Sanctiewet 1977,
zoals zij rechtens golden ten tijde van de bewezenverklaarde feiten.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de tenlastegelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand;

bepaalt deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaren;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. D.C.J. Peeck, voorzitter,

mr. J.J. van den Berg en mr. C.G.E. Prenger, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Ince, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 maart 2019.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 12 november 2015 tot en met

14 december 2015 te Arnhem en/of elders in Nederland en/of Turkije en/of

Syrië,

een ander opzettelijk middelen of inlichtingen heeft verschaft dan wel

opzettelijk voorwerpen heeft verzameld, heeft verworven en/of voorhanden heeft

gehad en/of aan (een) ander(en) heeft verschaft, die geheel of gedeeltelijk,

onmiddellijk of middellijk, dienden om geldelijke steun te verlenen aan het

plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of

vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, te weten:

- deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van

terroristische misdrijven (art. 140a Wetboek van Strafrecht) en/of

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood

ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk (art.157 en/of

176a jo art. 83 Wetboek van Strafrecht) en/of opzettelijke voorbereiding van

en/of bevordering tot het in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht

omschreven misdrijf (zoals bedoeld in artikel 176b jo 96 lid 2 Wetboek van

Strafrecht) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of

- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (art.288a

en/of 289 jo art. 83 Wetboek van Strafrecht) en/of opzettelijke voorbereiding

van en/of bevordering tot de in artikelen 288a en/of 289 van het Wetboek van

Strafrecht omschreven misdrijven (zoals bedoeld in artikel 289a jo 96 lid 2

Wetboek van Strafrecht) (te) begaan met een terroristisch oogmerk,

immers heeft verdachte alstoen aldaar

een geldbedrag van:

- 200 euro (op 12 november 2015)(DOC-005),

althans een geldbedrag, (via een money transfer) aan een tussenpersoon in

Turkije, verzonden en/of doen toekomen en/of naar Turkije verzonden,

terwijl dit geldbedrag bestemd was om geldelijke steun te verlenen aan de

gewapende Jihadstrijd en/of (een) strijder(s) van die gewapende Jihadstrijd in

Syrië en/of Irak, in welke strijd terroristische misdrijven worden/werden

gepleegd,

te weten ten behoeve van [naam zoon verdachte] , zijnde een zoon van verdachte en/of een

strijder van de gewapende Jihadstrijd, te weten van (een) terroristische

organisatie(s) Islamic State of Iraq en/of ISI en/of Islamic State in Iraq and

the Levant en/of Jabhat al Nusra en/of Al Nusrah Front en/of Al Nusrah Front

for the people of the Levant en/of Al-Qaida en/of Al-Qaida in Iraq, dan wel

een strijdgroep die hieraan is gelieerd, althans een gewapende Jihadistische

strijdgroep, welke strijder(s) en/of strijdgroep(en)/organisatie(s) tot

oogmerk had(den)/heeft/hebben het plegen van terroristische misdrijven, dan

wel een strijdgroep die hieraan is gelieerd, althans een gewapende

Jihadistische strijdgroep, welke strijder(s) en/of

strijdgroep(en)/organisatie(s) tot oogmerk had(den)/heeft/hebben het plegen

van terroristische misdrijven,

en/of aldus diende om geldelijke steun en/of middelen te verlenen aan de

gewapende strijd in Syrië en/of in Irak, in elk geval om geldelijke steun

en/of middelen te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of

een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch

misdrijf dan wel een van de hiervoor specifiek genoemde misdrijven.

2.

hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 12 november 2015 tot en

met 14 december 2015 te Arnhem en/of elders in Nederland en/of Turkije en/of

Syrië,

opzettelijk

in strijd met het krachtens artikel 2 en/of 3 van de Sanctiewet 1977

vastgestelde verbod van artikel 2 en/of artikel 2a van de Sanctieregeling

Al-Qaida 2011 juncto artikel 2 en/of artikel 4 van Verordening (EG) nr.

881/2002 van de Raad van de Europese unie van 27 mei 2002 (jo artikel 1

Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 632/2013 van de Commissie en/of jo artikel 1

Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 583/2014 van de Commissie en/of jo artikel 1

Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 630/2014 van de Commissie)

heeft gehandeld door:

aan of ten behoeve van Islamic State of Iraq en/of ISI en/of Islamic State in

Iraq and the Levant en/of Jabhat al Nusra en/of Al Nusrah Front en/of Al

Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qaida en/of Al-Qaida in

Iraq, zijnde (een) (rechts)perso(o)n(en), groep(en) of entiteit(en) als

bedoeld in de bij Verordening nr. 881/2002 (EU)

(en/of Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 632/2013 en/of Uitvoeringsverordening

(EU) Nr. 583/2014 en/of Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 630/2014) behorende

lijst(en) en/of als bedoeld in de lijst, vastgesteld door het comité, bedoeld

in paragraaf 6 van Resolutie 1267 van de Veiligheidsraad van de Verenigde

Naties),

direct of indirect tegoeden en/of economische middelen ter beschikking te

stellen (waardoor voornoemde groep(en) of entiteit(en) tegoeden, goederen of

diensten kunnen verwerven) en/of bewust en opzettelijk deel te nemen aan

activiteiten die tot doel of tot gevolg hebben de bepalingen van artikel 2

van Verordening (EG) nr. 881/2002 te omzeilen, doordat hij (a) voor en/of aan

en/of ten behoeve van Islamic State of Iraq en/of ISI en/of Islamic State in

Iraq and the Levant en/of Jabhat al Nusra en/of Al Nusrah Front en/of Al

Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qaida en/of Al-Qaida in

Iraq,

direct of indirect een geldbedrag van:

- 200 euro (op 12 november 2015)(DOC-005),

- althans een geldbedrag,

(via een money transfer) ter beschikking heeft gesteld

en/of

( b) op andere wijze (in)direct tegoeden en/of financiële activa en/of

economische middelen ter beschikking heeft gesteld aan Islamic State of Iraq

en/of ISI en/of Islamic State in Iraq and the Levant en/of Jabhat al Nusra

en/of Al Nusrah Front en/of Al Nusrah Front for the people of the Levant en/of

Al-Qaida en/of Al-Qaida in Iraq.

1 ECLI:NL:RBROT:2016:1836.