Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:2481

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-03-2019
Datum publicatie
01-04-2019
Zaaknummer
10/996516-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Terrorisme financiering. De verdachte heeft geldbedragen overgemaakt ten behoeve van zijn twee broers, die aanhangers waren van IS en zich in IS-gebied in Syrië bevonden. Voorwaardelijk opzet. De verdachte heeft de kans aanvaard dat het geld direct dan wel indirect ten gunste van IS zou kunnen komen en dat hij daarmee aldus geldelijke steun verleende aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië. De rechtbank komt echter tot een lagere straf dan door de officier van justitie geëist. Aannemelijk is dat de verdachte dit deed met het doel om zijn broers te laten vluchten uit IS-gebied en dus niet uit ideologische motieven. En verder dat de geldbedragen daadwerkelijk zijn aangewend voor de vlucht(pogingen), terwijl het slechts enkele betalingen van relatief geringe bedragen betreft.

Veroordeling voor terrorismefinanciering, het overmaken van geld naar een van de broers, die gedetineerd zat in de PI Vught, terwijl die op de nationale sanctielijst terrorisme stond, en vuurwapenbezit tot een gevangenisstraf voor de duur van 191 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/996516-18

Datum uitspraak: 27 maart 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] (Marokko) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. M.C. Levy, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 19 september 2018, 20 december 2018 en 13 maart 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid van het Wetboek van Strafvordering op vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de nader omschreven tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officieren van justitie

De officieren van justitie mrs. A.M. Dingley en E.C. Nieuwenhuis (hierna: de officier van justitie) hebben gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren;

  • -

    verbeurdverklaring van de in beslag genomen goederen die zijn vermeld op de beslaglijst d.d. 1 februari 2019.

4 Waardering van het bewijs

Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het onder 4 tenlastegelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewijswaardering

Ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde

4.2.1.

Inleiding

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt.

In 2015 zijn twee broers van de verdachte, genaamd [naam 1] en [naam 2] , vanuit Nederland afgereisd naar het strijdgebied van de Islamitische Staat (hierna: IS). Aanvankelijk verbleven [naam 1] en [naam 2] in Irak en vanaf maart 2016 in Syrië. Beiden hebben werkzaamheden voor IS verricht.

Medio 2016 hebben [naam 1] en [naam 2] aan de verdachte gevraagd of zij geld voor hen wilden overmaken naar tussenpersonen in Turkije en Libanon. Met dat geld konden mensensmokkelaars worden betaald om hen uit IS-gebied te krijgen. Daarna wilden zij terugkeren naar Nederland.

De verdachte heeft bij een Western Union kantoor te Utrecht tweemaal een geldbedrag naar een tussenpersoon overgemaakt, te weten op 7 juli 2016 $ 700,- en op 15 december 2016
€ 2.200,-.

[naam 1] is eind oktober 2016 de grens tussen Syrië en Turkije overgegaan en is op

10 december 2016 in Nederland aangehouden. Bij vonnis van 2 november 2017 heeft de rechtbank Rotterdam [naam 1] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, wegens deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven.

4.2.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de onder 1, 2 en 3 (partieel; ten aanzien van het bedrag van € 2.200,-) tenlastegelegde feiten.

Ten aanzien van feit 1 is aangevoerd dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op het financieren van terrorisme. Het geld dat de verdachte heeft betaald, was bedoeld om zijn broers uit IS-gebied te weg te krijgen. De broers hadden al een poging daartoe gedaan, maar waren daarbij opgepakt door IS. Door kenbaar te maken dat zij wilden vluchten en het daadwerkelijk (proberen te) vluchten, hebben [naam 1] en [naam 2] openlijk en uitdrukkelijk afstand genomen van IS en terrorisme. Onder die omstandigheden is geen sprake van opzet op het financieren van terrorisme.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 is aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het geld direct of indirect ter beschikking is gesteld of ten goede is gekomen aan IS. Het geld is overgemaakt naar tussenpersonen, die volgens het dossier geen banden hebben met IS. Het geld is gebruikt voor de vlucht van [naam 1] en de pogingen daartoe van [naam 2] uit Syrië. Beide broers maakten ten tijde van het overmaken van de geldbedragen geen deel meer uit van IS.

Voorts is ten aanzien van de feiten 2 en 3 aangevoerd dat de geldbedragen zijn blijven steken bij de smokkelaars, zodat niet kan worden gezegd dat dit bedrag aan [naam 1] en [naam 2] ter beschikking is gesteld.

4.2.3.

Beoordeling

De verdachte wordt onder feit 1 verweten -kort gezegd- het opzettelijk financieren van terrorisme als bedoeld in artikel 421 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

Met de term ‘opzettelijk’ in dit wetsartikel is beoogd ook het voorwaardelijk opzet in de strafbaarstelling tot uitdrukking te brengen. De wetgever heeft in de Memorie van Toelichting bij artikel 421 Sr opgemerkt dat de strafbaarstelling van het verlenen van geldelijke steun ook meer in het algemeen het financieel steunen van een persoon of van organisaties die zich bezighouden met het plegen van daden van terrorisme kan betreffen, indien daarmee door de verdachte bewust de aanmerkelijke kans wordt aanvaard dat de verstrekte gelden worden aangewend voor het plegen van dergelijke daden. De verstrekker van de geldelijke steun moet wel wetenschap hebben van de betrokkenheid bij terroristische activiteiten van de ontvanger van de geldelijke steun.

De verdachte wist dat zijn broers [naam 1] en [naam 2] zich hadden aangesloten bij de terroristische organisatie IS en ongeveer driekwart jaar in IS-gebied hadden verbleven. Het feit dat de broers hadden medegedeeld dat zij het IS-gebied wilden ontvluchten, betekent niet zonder meer dat zij zich distantieerden van IS en het gedachtengoed van IS. Door het overmaken van de geldbedragen naar door de broers voorgestelde personen heeft de verdachte dan ook bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het geld direct dan wel indirect ten gunste van IS zou kunnen komen en dat hij daarmee aldus geldelijke steun verleende aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië. Dat het geld niet of niet volledig bij de broers van verdachte terecht is gekomen, maakt dit niet anders; dit is een feitelijk gegeven, waarop de verdachte geen invloed heeft gehad en doet niet af aan het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte dat het geld uiteindelijk direct dan wel indirect bij IS terecht zou komen. Het verweer wordt verworpen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzet, in voorwaardelijke zin, heeft gehad op het financieren van terrorisme.

IS, ook wel Islamitische Staat in Irak en de Levant genaamd, is als zijnde gelieerd aan Al-Qaida, opgenomen in Bijlage I van de EG Verordening 881/2002 van de Raad van de Europese Unie van 27 mei 2002. Het is verboden om geld ter beschikking te stellen aan deze organisatie. Ook is het verboden om indirect, bijvoorbeeld aan een persoon die strijdt voor IS, geld ter beschikking te stellen. Overtreding van deze bepaling is strafbaar gesteld in de Sanctiewet.

Nu de verdachte tweemaal, door tussenkomst van derden, geld heeft overgemaakt ten behoeve van zijn broers, van wie de verdachte wist dat zij aanhangers waren van IS, heeft hij gehandeld in strijd met de artikelen 2 en 3 van de Sanctiewet. Het feit dat de broers (mogelijk) zelf niet feitelijk over de geldbedragen hebben kunnen beschikken, maakt dat niet anders. De verdachte heeft de geldbedragen op verzoek van zijn broers en aan door zijn broers voorgestelde personen overgemaakt. In zoverre is het geld (indirect) aan IS/de broers ter beschikking gesteld, zoals onder feit 2 respectievelijk feit 3 ten laste is gelegd.

De verweren ten aanzien van de feiten 2 en 3 worden verworpen.

4.2.4.

Conclusie

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

4.3.

Bewezenverklaring

Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Ten aanzien van feit 4

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezenverklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 1 juli 2016 tot en met 1 januari 2017 te Utrecht telkens een ander opzettelijk middelen heeft verschaft, die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienden om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, te weten:

- deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven (art. 140a Wetboek van Strafrecht) en/of

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk (art.157 en/of 176a jo art. 83 Wetboek van Strafrecht) en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot het in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf (zoals bedoeld in artikel 176b jo 96 lid 2 Wetboek van Strafrecht) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of

- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (art.288a en/of 289 jo art. 83 Wetboek van Strafrecht) en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot de in artikelen 288a en/of 289 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven (zoals bedoeld in artikel 289a jo 96 lid 2 Wetboek van Strafrecht) (te) begaan met een terroristisch oogmerk,

immers heeft verdachte alstoen aldaar geldbedragen van

- USD 700,-- (op 7 juli 2016) en- € 2.200,-- (op 15 december 2016),

aan tussenpersonen in Turkije en Libanon verzonden en doen toekomen,
terwijl deze geldbedragen telkens bestemd waren om geldelijke steun te verlenen aan de gewapende Jihadstrijd en/of strijders van die gewapende Jihadstrijd in Syrië, in welke strijd terroristische misdrijven worden gepleegd, te weten ten behoeve van [naam 1] en/of [naam 2] , zijnde de broers van verdachte en strijders van de gewapende Jihadstrijd, te weten van een terroristische organisatie IS, welke strijders en organisatie tot oogmerk hadden/hebben het plegen van terroristische misdrijven, en aldus dienden om geldelijke steun te verlenen aan de gewapende strijd in Syrië;

2.

hij in de periode van 1 juli 2016 tot en met 16 december 2016 te Utrecht , meermalen, telkens opzettelijk in strijd met het krachtens artikel 2 en 3 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van artikel 2 en artikel 2a van de Sanctieregeling Al-Qaida 2011 juncto artikel 2 en artikel 4 van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van de Europese unie van 27 mei 2002 (jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 632/2013 van de Commissie en jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 583/2014 van de Commissie en jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 630/2014 van de Commissie), en/of juncto artikel 2 van Verordening (EU) nr. 2016/1686 van de Raad van de Europese Unie van 20 september 2016 heeft gehandeld door ten behoeve van Islamic State in Iraq and the Levant, zijnde een groep of entiteit als bedoeld in de bij Verordening nr. 881/2002 en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 632/2013 en Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 583/2014 en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 630/2014) behorende lijsten en/of als bedoeld in de lijst, vastgesteld door het comité, bedoeld in paragraaf 6 van Resolutie 1267 van de Veiligheidsraad van de Verenigde

Naties, indirect tegoeden ter beschikking te

stellen (waardoor voornoemde groep of entiteit tegoeden, goederen of diensten kunnen verwerven) en bewust en opzettelijk deel te nemen aan activiteiten die tot doel of tot gevolg hebben de bepalingen van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 881/2002 te omzeilen, doordat hij (a) voor en/of aan en/of ten behoeve van Islamic State in Iraq and the Levant indirect geldbedragen ter beschikking heeft gesteld van

- USD 700,-- (op 7 juli 2016) en

- € 2.200,-- ( op 15 december 2016);

3.

hij in de periode van 1 december 2016 tot en met 9 mei 2017 te Utrecht of Vught, meermalen, telkens opzettelijk in strijd met het krachtens artikel 2 en 3 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van art. 2 van de Sanctieregeling terrorisme 2007-II juncto Resolutie 1373 van de Veiligheidsraad heeft gehandeld doordat hij middellijk middelen (in de vorm van geldbedragen) van

- € 2.200,-- ( op 15 december 2016) en- € 100,-- (op 23 maart 2017) en- € 130,-- (op 8 mei 2017),

(via een tussenpersoon in Turkije) aan [naam 1] of [naam 2] ter beschikking heeft gesteld terwijl [naam 1] bij besluit van 11 november 2016 en [naam 2] bij besluit van 11 november 2016 door de Minister van Buitenlandse Zaken en in overeenstemming met de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Financiën zijn aangewezen als personen jegens wie de Sanctieregeling terrorisme 2007-II van toepassing is;

4.

hij op 12 juni 2018 te Utrecht een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een vuurwapen in de zin

van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk CZ, model 75,

kaliber 9mm (Luger) en munitie van categorie III, te weten - zes (6)patronen (kaliber 9mm (Luger)) voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De onder 1, 2 en 3 bewezen feiten leveren op:

De eendaadse samenloop van

1

financieren van terrorisme, meermalen gepleegd;

2

overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 2 van de Sanctiewet 1977, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

3

overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 2 van de Sanctiewet 1977, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

Het onder 4 bewezen feit levert op:

4.

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Ten aanzien van feit 3 (partieel; de bedragen van € 100,- en € 130,-)

6.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging ten aanzien van de ten laste gelegde bedragen van € 100,- en € 130,-.

Aangevoerd is dat de raadsman van verdachtes broer [naam 1] , mr. [naam advocaat] , aan de verdachte heeft verzocht om deze geldbedragen over te maken ten behoeve van [naam 1] op de rekening van de PI Vught, waar [naam 1] gedetineerd zat op de terroristenafdeling. Het beleid van de PI staat het overmaken van kleine geldbedragen toe, ook aan gedetineerden op de terroristenafdeling. Omdat de verdachte heeft gehandeld op verzoek van een advocaat, is sprake van verontschuldigbare rechtsdwaling.

6.2.

Beoordeling

Voor het slagen van een beroep op afwezigheid van alle schuld (hierna: avas) op grond van dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde feit, is vereist dat aannemelijk is geworden dat de verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging. Daarvan kan sprake zijn indien de verdachte is afgegaan op het advies van een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat hij in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen.

Het dossier bevat geen stukken ter onderbouwing van de stelling dat de verdachte heeft gehandeld op verzoek van de raadsman van zijn broer, zodat het verweer reeds om die reden zal worden verworpen. Maar zelfs als die raadsman de verdachte heeft verzocht om de bedragen naar [naam 1] over te maken, mocht de verdachte er niet zonder meer op vertrouwen dat dat was toegestaan. De aangewezen persoon om te vragen of het was toegestaan om de geldbedragen over te maken naar zijn broer, was de directeur van de PI Vught. Het beroep op avas kan daarom niet slagen.

6.3.

Conclusie

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straffen

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft twee keer via tussenpersonen in Turkije en Libanon een geldbedrag overgemaakt ten behoeve van zijn twee broers, die aanhangers waren van IS en zich in IS-gebied in Syrië bevonden. Daarna heeft de verdachte nog twee keer een geldbedrag overgemaakt naar één van die broers, toen die broer gedetineerd zat in de PI Vught, terwijl deze op nationale sanctielijst terrorisme stond.

Door het overmaken van de bedragen heeft de verdachte zowel de Europese als de nationale wetgeving die strekt tot bestrijding van terrorisme geschonden.

Deze regelgeving is internationaal gezien van groot belang, omdat het doel ervan is te komen tot een gezamenlijke handhaving of herstel van de internationale vrede en veiligheid alsmede de internationale rechtsorde en de bestrijding van terrorisme te bevorderen.

Door de in deze wet- en regelgeving neergelegde verboden te overtreden heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de (verdergaande) destabilisering en onveiligheid in (de regio van) Syrië.

De verdachte had voorts een geladen vuurwapen en munitie in zijn schuur liggen.

Een vuurwapen vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen. Het ongecontroleerde bezit en het gebruik van dergelijke voorwerpen zijn naar hun aard gevaarlijk voor een ieder die met het gebruik daarvan zou kunnen worden geconfronteerd.

Tegen het bezit van een vuurwapen moet daarom streng worden opgetreden.

7.3.

Conclusies van de rechtbank

De onder 1 en 2 bewezenverklaarde terroristische misdrijven zijn op zichzelf genomen van een zodanige ernst dat zij een (forse) gevangenisstraf rechtvaardigen. De officier van justitie heeft dat tot uitdrukking gebracht in haar eis -die voornamelijk is gebaseerd op deze feiten en het vuurwapenbezit- om de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk.

De rechtbank acht het (mede) opleggen van gevangenisstraf een passende modaliteit gezien de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten. De verdachte heeft ook verklaard zich te hebben gerealiseerd dat het strafbaar was wat hij deed. De rechtbank zal evenwel in totaliteit een beduidend lagere straf opleggen dan de officier van justitie heeft geëist, gelet op de hierna genoemde omstandigheden.

In de eerste plaats kan uit het dossier worden afgeleid, en die indruk heeft de rechtbank ook op de terechtzitting gekregen, dat de verdachte en zijn tegelijk als medeverdachte terechtstaande broer, in wiens zaak de rechtbank bij uitspraak van heden eveneens vonnis heeft gewezen, onafhankelijk van elkaar op verschillende tijdstippen geldbedragen hebben gestort enkel met het doel om hun broers te laten vluchten uit IS-gebied. De verdachten hebben pas geld gestort nadat hun broers daarom hadden gevraagd en zij zijn daarmee gestopt toen [naam 1] in Nederland was teruggekeerd en zij hadden vernomen dat de vluchtpoging van [naam 2] was mislukt. Het dossier bevat geen aanwijzing dat de verdachten zelf op enige wijze IS hebben willen steunen. De verdachten hebben ogenschijnlijk gehandeld vanuit de zorgen die zij om hun broers en familie hadden en niet uit ideologische motieven. Verder is het zeer aannemelijk dat de geldbedragen daadwerkelijk (mede) zijn aangewend voor de vlucht(pogingen) van [naam 1] en [naam 2] vanuit IS-gebied. [naam 1] is immers teruggekeerd en [naam 2] is kennelijk tijdens een vluchtpoging opgepakt. Daarbij komt dat de verdachten slechts enkele betalingen hebben gedaan en deze relatief geringe bedragen betreffen.

Het vorenstaande doet als zodanig niet af aan de strafbaarheid van deze feiten, maar naar het oordeel van de rechtbank wèl aan de strafbaarheid van de verdachte.

Dat bij de verdachte in een schuurtje een vuurwapen met munitie is aangetroffen acht de rechtbank wel zeer kwalijk. Ongeoorloofd wapenbezit moet bestreden worden, omdat het kan leiden tot ongeoorloofd gebruik met name in het criminele milieu waarbij ook zeer regelmatig onschuldige slachtoffers vallen.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de op naam van de verdachte gestelde justitiële documentatie van 18 februari 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Gezien het vorenstaande en gelet op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd, zal de rechtbank de verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht (101 dagen). Het voorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf dient ertoe om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Daarnaast zal de verdachte een taakstraf worden opgelegd voor de maximale duur.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8 In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om de in beslag genomen goederen die zijn vermeld op de beslaglijst d.d. 1 februari 2019 verbeurd te verklaren.

8.2.

Beoordeling

De rechtbank ziet geen aanleiding om de inbeslaggenomen goederen (een witte Samsung tablet en een zwarte IPhone telefoon) verbeurd te verklaren, nu uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken van enig rechtens relevant verband tussen deze goederen en de bewezenverklaarde feiten, terwijl de vordering van de officier van justitie op dit punt ook niet is gemotiveerd Daarom zal een last worden gegeven tot teruggave van deze goederen aan de verdachte.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 55, 57 en 421 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, de artikelen 2 en 3 van de Sanctiewet 1977 en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden ten tijde van de bewezenverklaarde feiten.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 191 (honderdeenennegentig) dagen;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 90 (negentig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaren;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdenveertig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- gelast de teruggave aan verdachte van:

-de witte Samsung tablet;
-de zwarte IPhone telefoon.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.J. Bade, voorzitter,

en mrs. J.J. van den Berg en V.M. de Winkel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K. Aagaard, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 maart 2019.

Bijlage I

Tekst nader omschreven tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

Hij (op één of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2016 tot en met 1

januari 2017 te Utrecht en/of elders in Nederland en/of Turkije en/of Libanon en/of Irak

en/of Syrië, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(telkens) zich of een ander opzettelijk middelen of inlichtingen heeft verschaft dan wel

opzettelijk voorwerpen heeft verzameld, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad

en/of aan (een) ander(en) heeft verschaft,

die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienden om geldelijke steun te

verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of

vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, te weten:

- deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische

misdrijven (art. 140a Wetboek van Strafrecht) en/of

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan

gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of

levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft

(te) begaan met een terroristisch oogmerk (art.157 en/of 176a jo art. 83 Wetboek van

Strafrecht) en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot het in artikel 157

van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf (zoals bedoeld in artikel 176b jo 96

lid 2 Wetboek van Strafrecht) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of

- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (art.288a en/of 289 jo

art. 83 Wetboek van Strafrecht) en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering

tot de in artikelen 288a en/of 289 van het Wetboek van Strafrecht omschreven

misdrijven (zoals bedoeld in artikel 289a jo 96 lid 2 Wetboek van Strafrecht) (te) begaan

met een terroristisch oogmerk,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte(n) alstoen aldaar

(een) geldbedrag(en) van

- USD 700,-- (op 7 juli 2016) en/of

- € 2.200,-- ( op 15 december 2016),

althans één of meer (contante) geldbedrag(en) aan [naam 1] en/of [naam 3]

en/of [naam 2] en/of (een) tussenperso(o)n(en) in Turkije en/of Libanon

verzonden en/of doen toekomen en/of naar Turkije en/of Libanon verzonden,

terwijl dit/deze (geld)bedrag(en) (telkens) bestemd was/waren om geldelijke steun te

verlenen aan de gewapende Jihadstrijd en/of (een) strijder(s) van die gewapende

Jihadstrijd in Syrië en/of Irak, in welke strijd terroristische misdrijven worden gepleegd,

te weten ten behoeve van [naam 1] en/of [naam 3] en/of [naam 2]

, zijnde (de)broer(s) van verdachte en/of (een) strijder(s) van de gewapende

Jihadstrijd, te weten van (een) terroristische organisatie(s) IS en/of Al-Qaida dan wel een

strijdgroep die hieraan is gelieerd, althans een gewapende Jihadistische strijdgroep,

welke strijder(s) en/of strijdgroep(en)/organisatie(s) tot oogmerk had(den)/heeft/hebben

het plegen van terroristische misdrijven, en/of aldus diende(n) om geldelijke steun en/of

middelen te verlenen aan de gewapende strijd in Syrië en/of in Irak, in elk geval om

geldelijke steun en/of middelen te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf

of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf dan

wel een van de hiervoor specifiek genoemde misdrijven;

(artikel 421 Wetboek van Strafrecht)

2.

Hij (op één of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2016 tot en met 16

december 2016 te Utrecht en/of elders in Nederland en/of Turkije en/of Libanon en/of

Irak en/of Syrië, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk in strijd met het krachtens artikel 2 en/of 3 van de Sanctiewet 1977

vastgestelde verbod van artikel 2 en/of artikel 2a van de Sanctieregeling Al-Qada 2011

juncto artikel 2 en/of artikel 4 van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van de

Europese unie van 27 mei 2002 (jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 632/2013

van de Commissie en/of jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 583/2014 van de

Commissie en/of jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 630/2014 van de

Commissie), en/of juncto artikel 2 van Verordening (EU) nr. 2016/1686 van de Raad van

de Europese Unie van 20 september 2016 heeft gehandeld door aan of ten behoeve van

Islamic State of Iraq en/of ISI en/of Islamic State in Iraq and the Levant en/of Al-Qaida

(in Irak), zijnde (een) (rechts)perso(o)n(en), groep(en) of entiteit(en) als bedoeld in de bij

Verordening nr. 881/2002 (en/of Uitvoeringsverordening (EU) nr. 632/2013 en/of

Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 583/2014 en/of Uitvoeringsverordening (EU) nr.

630/2014) behorende lijst(en) en/of als bedoeld in de lijst, vastgesteld door het comité,

bedoeld in paragraaf 6 van Resolutie 1267 van de Veiligheidsraad van de Verenigde

Naties,

direct of indirect tegoeden en/of economische middelen ter beschikking te

stellen (waardoor voornoemde groep(en) of entiteit(en) tegoeden, goederen of diensten

kunnen verwerven) en/of bewust en opzettelijk deel te nemen aan activiteiten die tot

doel of tot gevolg hebben de bepalingen van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 881/2002

te omzeilen, doordat hij en/of zijn medeverdachte(n)
(a) voor en/of aan en/of ten behoeve van Islamic State of Iraq en/of ISI en/of Islamic State in Iraq and the Levant en/of Al-Qaida (in Irak) direct of indirect (een) geldbedrag(en) ter beschikking heeft/hebben gesteld van

- USD 700,-- (op 7 juli 2016) en/of

- € 2.200,-- ( op 15 december 2016),

althans één of meer (geld)bedrag(en)

en/of

( b) op andere wijze (in)direct tegoeden en/of financiële activa en/of economische

middelen ter beschikking heeft/hebben gesteld aan Islamic State of Iraq en/of ISI en/of

Islamic State in Iraq and the Levant en/of Al-Qaida (in Irak);

(artikel 6 lid 1 ahf/ond 1 Wet op de economische delicten)

3.

Hij (op één of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 december 2016 tot en

met 9 mei 2017 te Utrecht en/of Vught en/of elders in Nederland en/of Turkije en/of

Libanon en/of Irak en/of Syrië, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans

alleen, meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk

in strijd met het krachtens artikel 2 en/of 3 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod

van art. 2 van de Sanctieregeling terrorisme 2007-II juncto Resolutie 1373 van de

Veiligheidsraad heeft gehandeld doordat hij en/of zijn medeverdachte(n) rechtstreeks

dan wel middellijk middelen (in de vorm van (een) geldbedrag(en)) van

- € 2.200,-- ( op 15 december 2016) en/of

- € 100,-- ( op 23 maart 2017) en/of

- € 130,-- ( op 8 mei 2017),

althans één of meer (geld)bedrag(en)

(via (een) tussenperso(o)n(en) in Turkije en/of Libanon) aan [naam 1] en/of

[naam 3] en/of [naam 4] en/of [naam 2] ter beschikking

heeft/hebben gesteld terwijl [naam 1] bij besluit van 11 november 2016,

[naam 3] bij besluit van 12 oktober 2016, [naam 4] bij besluit van 7

december 2016, en [naam 2] bij besluit van 11 november 2016 door de Minister

van Buitenlandse Zaken en in overeenstemming met de Minister van Veiligheid en

Justitie en de Minister van Financiën zijn aangewezen als personen jegens wie de

Sanctieregeling terrorisme 2007-II van toepassing is;

(artikel 6 lid 1 ahf/ond 1 Wet op de economische delicten)

4.

Hij op of omstreeks 12 juni 2018 te Utrecht en/of elders in Nederland, tezamen en in

vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1

Categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een vuurwapen in de zin

van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk CZ, model 75,

kaliber 9mm (Luger) en/of

munitie van categorie III, te weten

- zes (6), althans een of meer patro(o)n(en) (kaliber 9mm (Luger))

voorhanden heeft gehad.

(artikel 26 lid 1 Wet wapens en munitie)